Amersfoort, 8 Januari 1914.
_Geliefde gemeente!_
In 't menschelijke leven komen oogenblikken voor, die men _momenten_
noemt. Zulk een gewichtig moment is 't thans voor mij, terwijl ik de pen
opneem om U mijn eersten brief in 't nieuwe jaar te schrijven.
Vóór ruim drie maanden dachten velen, en spraken 't ook uit, dat ik het
einde des jaars wel niet zou halen; ik zou dus om dezen tijd reeds in 't
zwijgend graf gelegen hebben.
En zie, ik ben er nog. Ik ben nog in 't midden van mijn klein maar
bemind gezin, dat voor mij als een paradijs van liefde op aarde is. Er
is nog goede hope, dat ik met mijn gezin eerlang op Achteveld zal komen,
om daar den grooten arbeid der liefde te beginnen. Ik ben nog in 't
midden mijner geestelijke familie, waarvan ik met Groenewegen zing:
»Zoete banden, die mij binden.
Aan des Heeren lieve volk,"
en die mij vooral bij de wisseling des jaars wederom zulke
ondubbelzinnige blijken schonken, dat zij met dezelfde gevoelens jegens
mij zijn vervuld.
Broeders en Zusters, hartelijk, recht hartelijk dank voor uw
verkwikkende troostbrieven, ze waren mij als lichtstralen van den hemel
op mijn donker en moeilijk pad. Roepen de tegenstellingen in 't leven 't
gevoel wakker, o, ik kan beurtelings wel zingen en weenen, terwijl ik
dit alles doorleef. Met diep geroerd hart bid ik u dan ook wederkeerig
toe, dat de Geest des Vaders en des Zoons, als het zegel der Goddelijke
genade, in u aller harte wone. Daarmede hebben we alles! Daarmede roemen
we zelfs in de verdrukking, wetende, dat de verdrukking lijdzaamheid
werkt, en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hope, en de hope
beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten is uitgestort door
Zijnen Heiligen Geest, die ons gegeven is!
O, hoe lieflijk behaagt 't den Heere, ook mij deze roemtaal op de lippen
te leggen! Donker en moeilijk is mijn weg; maar de Heere zet gedurig de
geheime kamer Zijner lieflijke gunst open voor mijne ziel, en dan geniet
ik, o zoo heerlijk, van de toepassende liefde in God den Heiligen Geest,
van de stervende liefde van God den Zoon, van de verkiezende liefde van
God den Vader. Nu eens komt de Heere mij met dit, dan weer met dàt
troostwoord verkwikken.
In de laatste weken heeft Hij mij bijzonder gesterkt met de woorden van
Psalm 62: »God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord:
dat de sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want
Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk".
Welk een zoeten honing heeft mijn ziel reeds gedurig uit deze woorden
gepuurd, welk een versterkende melk daaruit gedronken!
Jubel op, mijne ziele! De sterkte is Godes! Kracht in slechte handen is
een vloek, in goede handen een zegen. Welk een zegen Gods almachtige
Kracht in Gods goede Hand heeft gewrocht, mochten we inzonderheid weer
op 't gepasseerde Kerstfeest herdenken. Het scheen onmogelijk, dat de
belofte van den Zaligmaker der wereld zou worden vervuld. Davids huis
was een afgehouwen tronk, en de gansche wereld scheen eer rijp voor 't
gericht dan voor de verlossing. Maar de Heere doet een afgesnedene zaak
op aarde. Jubel hoog op, mijn ziel! De sterkte is Godes! Hij heeft ter
bestemder tijd en plaats den Zaligmaker der wereld geschonken.
Het scheen onmogelijk, dat de wereld zulk een Zaligmaker zou aannemen.
Voor Hem was nergens plaats. Noch in de hutten der armen, noch in de
paleizen der rijken, noch in de synagogen, noch in den tempel, noch in
de scholen der wetenschap, noch in de raadzalen des volks. Noch ook in
't hart der zondaars. Maar wat onmogelijk scheen, heeft God gewrocht.
Jezus' Naam ruischt heel de wereld door.
»God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal, d.i., ik heb dit
goed en terdege gehoord: dat de sterkte Godes is".
En niet alleen de sterkte is des Heeren. Buig u aanbiddend neder, o
mijne ziel, des Heeren sterkte is onafscheidelijk verbonden met Zijne
goedertierenheid.
Heerlijke gedachte! Sterkte zonder liefde is ruw geweld; liefde zonder
kracht is slapheid; liefde en sterkte onverbrekelijk saamgesnoerd, zijn
Gode waardig. Zijn liefde toch gebruikt Zijne Almacht, om al Zijn
liefdebedoelingen met Zijn volk tot werkelijkheid te maken.
Wel schijnt Zijn liefde soms een harde liefde. Niet zelden doet des
Heeren liefde Zijnen kinderen in hun leven harde dingen hooren. Sta
maar op, vader Jakob, om ons te zeggen, wat uw hart gevoelde, toen gij
de harde zaak van Jozefs verdwijning moest vernemen. Wij lezen het
wedervaren van een Job, een Jeremia, een Paulus duidelijk in de Schrift;
maar ik geloof, dat wij niet ter helfte beseffen, wat deze lieve
kinderen Gods hebben geleden.
Toch is deze harde liefde juist de echte liefde. Wie de Heere liefheeft,
kastijdt Hij tot hun nut, en wat de smeltkroes is voor 't goud, is de
beproeving voor Gods volk. Ze ontneemt hun, wat zij moeten missen,
verhoogt de waarde en den glans van hun geestelijk leven, en vermeerdert
hun genadeloon in de hemelen.
»Want", zoo zingt de psalmist den Heere dankend toe: »Gij zult een
iegelijk vergelden naar zijn werk".
De vergelding wordt hier door den psalmist in verband gebracht met des
Heeren goedertierenheid. Daaruit vloeit voort, dat hij enkel spreekt van
't genadeloon, dat de Heere eenmaal aan Zijn beproefd maar vruchtbaar
volk zal schenken.
O, hoe groot is dus des Heeren goedertierenheid! Zij werkt eerst 't
goede in 't volk van God, en komt daarna dit goede nog met een heerlijk
genadeloon kronen.
* * * * *
»God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de
sterkte Godes is. En de goedertierenheid, o Heere! is Uwe; want Gij zult
een iegelijk vergelden naar zijn werk".
Heerlijke woorden!
Ge begrijpt dan ook wel, hoe de gedurige overdenking daarvan mijne ziel
heeft verkwikt.
Ik lees ze nog eens over, en begin van achter af.
»Want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn werk". Gelukkig staat
hier niet: »want Gij zult een iegelijk vergelden naar zijn zonden"; want
dan was er voor mij geen hope; geen hope vanwege mijn erfelijke en
dadelijke zonden, vanwege de zwarte zonden mijner jonkheid, vanwege de
nog zwarter zonden van mijn later leven.
Neen, maar de Heere wil aan een iegelijk Zijner kinderen vergelden naar
zijn werk. Welnu, de Heere weet, wat Hij in mijne ziel heeft gewerkt.
Hij kent mijn begeeren, mijn streven. Zeide von Zinzendorff eenmaal:
»Herr Jesu, Du bist meine Passion!", ik zeg het hem zoo van harte na:
»Heere Jezus, Gij zijt mijn Vurig Begeeren!" En evenals deze leidsman
der Hernhutters dringt mij de liefde van Christus, om 't heil in
Christus aan de meest ellendigen te brengen. Maar dit geeft mij dan
ook vrijmoedigheid om ootmoedig aan den Heere te vragen: »Heere, ach,
kroon nu dit Uw werk, en geef mij terug aan den arbeid voor voogdij-
en regeeringskinderen, voor ontslagen gevangenen, zwervers en
drankzuchtigen!"
Gij begrijpt levendig, lieve broeders en zusters, welk een harde zaak
't voor mij is, dat ik dezen arbeid nu niet kan beginnen, terwijl alle
dingen gereed zijn. Des Heeren liefde schijnt ook voor mij zulk een
harde liefde. Toch loof ik deze liefde. O, wat heeft zij mij goed
gedaan! Ik zing zoo van harte meê met den dichter van den 119den psalm:
'k Sloeg, eer ik wierd verdrukt, het dwaalspoor in,
Maar nu geleerd, houd ik Uw woord en wegen.
En bovendien, de Heere handelt met Zijn volk als de landman met zijn
land. De boer ploegt en egt niet altijd door; maar als hij 't land alzoo
bearbeid heeft, strooit hij zijn zaad uit, en geeft dan zijn land een
lange wijle rust. Straks prijkt dit land met vruchtbaar graan. Dit is de
vrucht van de harde liefde van den landman voor zijn land. Zoo doet de
Heere ook met Zijn volk.
Zou ook ik daarop mogen hopen?
Zou ik mij nog eens in een algeheel herstel mogen verheugen?
De ziekte is zoo vreeselijk. Alleen 't enkele woord »kanker" doet den
mensch sidderen.
Zal ik nog eens geheel van deze vreeselijke krankheid worden bevrijd, en
geheel hersteld, mijn heerlijken arbeid mogen beginnen?
Lieve broeders en zusters: »De Heere heeft één ding gesproken, ik heb
dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is!"
Daarmede troost ik mij.
Daarop pleit ik voor des Heeren Aangezicht.
En o, laat ik 't u nog eens mogen zeggen, hoe goed 't mij is, in dit
gedurig worstelen en smeeken voor den Troon der Genade.
Het behaagt den Heere, mij voortdurend een open toegang te schenken
in 't gebed. Dit is reeds onuitsprekelijk heerlijk. Ik kan niet
beschrijven, wat 't bidden dan is. Ik kan 't niet beter voorstellen dan
als een korte wandeling in den hemel.
Biddend lig ik dan geknield voor Hem, Die ons gunt, Hem »Vader" te
noemen.
Ik pleit dan op Zijn oneindige liefde, die Hij openbaarde in de overgave
van Zijn Eeniggeboren Zoon. Als Middelaar heeft de Zone Gods niet alléén
onze ongerechtigheden, maar ook onze krankheden op Zich genomen.
Volkomen verlost Hij ons van al onze zonden en van al onze krankheden
bij ons zalig sterven. Maar ook reeds in dit leven wil Hij den psalmtoon
op onze lippen leggen: »Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in
mij is, Zijnen heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet
geen van Zijne weldaden. Die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die al uwe
krankheden geneest." Ik vraag dan van den Heere, dat Hij om Christus,
Zijns lieven Zoons wil, ook mij, niet alleen vergeving der zonden en
bekeering des harten, maar ook genezing des lichaams schenke.
En omdat ik weet, dat al des Heeren handelingen met mij door Zijn liefde
worden bestuurd, kan ik er zoo van ganscher harte bijvoegen: »Maar,
lieve Heere, zooals Gij doet, zóó is het goed; Gij geeft toch altijd het
beste!"
Zoo sterk ik mij dan van dag tot dag, en ik heb 't o zoo goed. Neen, 't
nieuwe jaar begint niet donker. De Heere is mijn licht en mijn heil; hoe
zou 't dan donker kunnen zijn? Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten.
In dit vertrouwen ga ik den nieuwen tijdkring weer in.
Morgenochtend hoop ik weer naar Heidelberg te vertrekken voor mijn derde
kuur.
Mijn adres is dan in 't hôtel Metropol-Monopol. Men kan ook adresseeren
aan 't Samariterhaus.
Weest allen hartelijk gegroet en den Heere bevolen, en blijft in uwe
gebeden gedenken
uw u liefhebbenden oud-leeraar,