R. J. W. RUDOLPH.

Heidelberg, 19 November 1913.

_Geliefde gemeente!_

Donderdag 13 November zijn we dan weer naar Heidelberg vertrokken. Ds.

en Mevr. Teerink deden ons weer uitgeleide aan 't station. Het weer was

zeer onstuimig. Grauwe, regenzwangere wolken zwierden langs het zwerk,

en zagen dreigend op ons neer.

Was 't buiten somber, van binnen scheen de zon van Gods vriendelijke

gunst. Ik had den nacht rustig geslapen, en terstond bij 't ontwaken

verkwikte de Heere me door allerlei troostwoorden: »Ik ben 't, die

met de verdrukking de uitkomst geef"; »Roep mij aan in den dag der

benauwdheid, en Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren"; »Zij

zullen met vreugde uittrekken, en met vrede voortgeleid worden".

Hoewel 't mijn stelregel niet is, wanneer mij dergelijke troostwoorden

invallen, deze dadelijk als bijzondere beloften te beschouwen, zoo kan

ik toch niet nalaten te eten, wanneer de Heere aldus de tafel voor mijn

aangezicht komt toerichten. Ik gevoelde mij dus verkwikt en versterkt,

en we gingen wederom met goeden moed op reis.

Na een rit van ongeveer vier uren, bereikten we eindelijk Keulen, en

stapten we weer in den trein naar Mannheim. Spoedig waren we nu weer

aan den heerlijken Rijnoever, waar de trein ruim drie uren achtereen

tusschen hooge bergen doorstoomt.

Ik had mij voorgesteld, nu eens een natuurverschijnsel te zien, waarvan

ik vroeger wel de beschrijving had gelezen: dat ravenzwarte wolken in

wilde vaart over de bergen vegen. Het weer was echter intusschen

opgeklaard, de lucht was lichtblauw, en witte wolken stonden als drommen

aan den hemel.

Na een voorspoedige reis kwamen we 's avonds half-acht welgemoed in

Heidelberg aan. Den volgenden morgen werd ik dadelijk onderzocht door

de beide professoren Czerny en Werner. O, wat was 't me weer goed weer

bij deze beide mannen te zijn! Beide mannen zijn ware priesters der

wetenschap, rechte geneesheeren bij de gratie Gods, gedreven door de

heilige aandrift om menschen van den dood te redden. Exc. prof. Czerny

is daarbij niet alleen een priester, maar evenals Pasteur te Parijs, en

Kort te Berlijn, ook een vorst. Uit binnen- en buitenland vloeide hem in

korten tijd één millioen Mark toe, om 't Samariterhaus, 't huis van

barmhartigheid, te grondvesten, waarin allerlei ellendigen behandeld

worden.

Prof. Werner is een man met Duitsch-militaire houding, snelle

bewegingen, aangename manieren, sympathieke oogen, een stem van muziek,

en daarbij de vriendelijkheid en goedheid zelve. Met de grootste zorg

heeft hij mij de vorige maal nagegaan, en ook nu weer werd ik met de

grootste nauwkeurigheid onderzocht. Dit onderzoek scheen de beide heeren

nogal tot tevredenheid te stemmen. Volgens prof. Werner ben ik een van

de ernstigste patiënten, maar ben ik ook zoo sterk vooruitgegaan, dat er

thans goede hope is.

O, wat is de Heere goed! Hoe krachtig heeft Hij tot hiertoe Zijne

heerlijke trouw aan mij bevestigd! Hij heeft mij daardoor in staat

gesteld, ook anderen te troosten.

Toen wij voor de eerste maal weer in de wachtkamer kwamen, troffen wij

daar ook Hollanders aan. Spoedig waren wij met elkander in kennis. Drie

hunner waren naar Heidelberg gegaan, omdat zij in de bladen van mijn

behandeling alhier gelezen hadden. Weldra bezochten wij hen dan ook, om

hun een woord van troost toe te spreken.

Bij chirurgische behandeling heeft men spoedig een resultaat, hetzij dan

ten goede of ten kwade. Bij de geneeskundige behandeling, die hier in

den regel wordt gevolgd, is dit anders. De inspuitingen met enzytol en

de Röntgen-bestralingen pakken 't lichaam wel sterk aan; maar men weet

niet, wat in 't lichaam zelf plaats heeft. Nu voelt men zich zus, dan

weer zoo, en moet geduldig afwachten. Dit maakt vooral in den beginne

wel eens ongeduldig en moedeloos. Men wil zoo gaarne dadelijk een

resultaat, en liefst een verrassend resultaat zien, terwijl dit

eerst later komt. Ik kon hen hierop uit mijn ervaring wijzen, en hen

aansporen, 't oog naar boven te slaan, en de hulpe te verwachten van den

God der middelen en der wonderen. Op deze wijze kan ik dus ook hier mijn

arbeid voortzetten.

Zondagmorgen gingen we weer ter kerk in de prachtige Friedenskirche

te Handschuhsheim. Het was dien dag juist oogst- en dankfeest. De

uitwendige symbolen daarvan waren op echt Duitsche wijze met kwistige

hand in de kerk aangebracht. Preekstoel en koor waren met klimop en

wijnranken bewonden. In 't koor prijkten op een groote tafel

kristallijnen schalen met zilveren voeten, deze schalen waren hoogop

met blinkende appelen gevuld. Ik heb begrepen, dat deze na den dienst

aan de kinderen werden uitgedeeld. Het kleine grut kwam althans terstond

na afloop van den dienst in grooten getale de kerk binnen.

De predikant koos als tekst zijner rede, Psalm 118: 15-18. Krachtig

wekte hij de gemeente op bij de resultaten van den oogst naar boven te

zien op Hem, van Wien alle dingen afhankelijk zijn. Vooral de wijn- en

ooftbouw schijnen dit jaar vele teleurstellingen te hebben gehad. Dit

gaf den leeraar aanleiding om de paradox uit te spreken, dat wij vooral

in slechte jaren den Heere niet 't minste moeten danken. Hij bewees deze

schijnstrijdige stelling met de juiste opmerking, dat wij eerst in dagen

van krankheid de gezondheid recht leeren waardeeren, en alzoo ook in

jaren van teleurstelling niet alleen voor de tegenwoordige, maar ook

voor de vroegere zegeningen Gods den Heere recht leeren danken.

Bovendien, op een dankdag behoeven wij niet alleen te danken, maar mogen

wij ook bidden tot Hem, die sprak: »De Heere is nabij allen, die Hem

aanroepen, die Hem aanroepen in der waarheid." Laten we 't doen in 't

besef, dat wij alles hebben verbeurd. Laten wij 't doen in waar geloof.

In der waarheid.

Deze heerlijke preek geeft mij wederom stof tot veel denken.

Wanneer ik hetgeen ik heb verdiend vergelijk met hetgeen de Heere mij

thans oplegt, och, wat heb ik dan nog stof tot danken. Tot danken aan

Hem, van Wien de dichter van den 103en psalm jubelt, en van Wien mijne

ziel 't meejubelt: »Hij doet ons niet naar onze zonden, en vergeldt ons

niet naar onze ongerechtigheden."

Ik maak een tweede vergelijking, en weeg, wat ik door mijne zonde heb

verdiend, af tegenover den rijkdom van weldaden, waarmede de Heere mij

vooral in deze dagen omringt. Dan gaat 't mij wederom als den dichter

van den 103en psalm. De zegeningen Gods worden als een heerlijke tempel

voor mij, en in 't midden daarvan roep ik als een beweldadigde tollenaar

uit: »Loof den Heere, mijne ziel! en al wat binnen in mij is, Zijnen

heiligen Naam. Loof den Heere, mijne ziel! en vergeet geen van Zijne

weldaden".

Ik maak een derde vergelijking. Ik denk aan 't geen ik mij door mijne

zonden heb waardig gemaakt, en vestig dan 't oog op 't lijden van den

Heiland, die onschuldig zoo nameloos veel leed voor schuldigen, om

voor dezen een eeuwig behoud te verwerven. Ik lees tegenwoordig bijna

dagelijks in 't schoone hoekje van Thomas à Kempis: »Meditatiën over

het leven van Christus." Welk een beschaming, maar ook welk een troost

ontvangt mijn ziel dan vooral uit de overdenking van Jezus' heilig

lijden en sterven!

Ik maak nog een vergelijking, en plaats datgene, wat ik door mijn zonde

heb verdiend tegenover datgene wat de Heiland voor mij heeft verworven.

En dan roep ik als de dichter van den 103en psalm hemel en aarde op tot

een machtig koorgezang, om den Heere te loven, en zeg daarbij tot mijne

ziel: »En gij, mijn ziel, looft gij Hem bovenal!"

Maar dit volmaakt danken zal eerst in de eeuwigheid zijn. O heerlijke

eeuwigheid! Gij verzacht alle lijden dezer aarde, dat als een druppel in

een oceaan verzinkt!

Beproefden, laat ons maar veel deze vergelijkingen maken, en wij leeren

God in alles danken. In alles, zelfs in de zwaarste beproevingen!

Laat ik u ten slotte nog een aangename ontmoeting mededeelen, die we

hier hadden. Op de tafel in de wachtkamer zag ik een blaadje liggen,

dat den titel voerde: »Lebensfragen beantwortet für moderne Menschen."

»Levensvragen, voor moderne menschen beantwoord."

Twee onderwerpen werden daarin behandeld: »Wereldbeschouwing en

zedelijkheid," en »Hoe iemand van zijn angst verlost wordt." Een

uitnemend geschreven blaadje, dat als model kan dienen voor allen, die

onder de hoogere standen willen evangeliseeren. In een andere wachtkamer

vond ik een traktaatje, nog inniger geschreven. In korte stukjes werden

daarin de volgende onderwerpen besproken: Waarom moet ik lijden? Uwe

droefenissen en moeilijkheden. Een slapelooze nacht. Hoe verhoort God

onze gebeden? Hiernamaals! Een probaat middel.

Het eene stukje is nog al stichtelijker dan 't andere, en alle tezamen

vertroosten mij zeer. Natuurlijk dacht ik dadelijk: Ik moet zien, welke

hand deze daar heeft gelegd. Spoedig was zij ondekt: een dame uit

Barmen, een allervriendelijkste verschijning, een lijderes, met de

vreugde der Christelijke hope in 't zielvol oog. Dadelijk stelden we

ons aan haar voor, en dankten haar voor haar arbeid. »Ach, was haar

antwoord, 't geeft zoo weinig!" Ik was blijde haar terstond 't tegendeel

te kunnen verzekeren, en haar te zeggen, hoe haar traktaatje mij

verkwikt had. Ik voegde er bij, dat ik een stukje vertalen zou, en naar

Holland zenden. »Wie weet, hoe velen in Holland er door vertroost zullen

worden. Zoo brengt uw arbeid menigmaal zegen, zonder dat u 't zelve

merkt."

Het spreekt vanzelf, dat mijn vrouw en ik dadelijk dikke vrienden met

haar werden.

Ik vervul thans mijn belofte, en vertaal ten slotte 't kleinste stukje,

opdat mijn brief niet te groot worde.

»Hoe verhoort God onze gebeden?"

»Het is den Heere om onze bevestiging en opvoeding te doen en niet in

de eerste plaats om het effenen der wegen, om het drogen der tranen.

Merken we dit toch goed op, wanneer we in nood bidden: »Heere help ons,

wij vergaan!" Laten wij nooit meenen, dat Hij ons alleen dan verhoord,

wanneer Hij op eenmaal de smarten wegneemt en effen baan maakt. De

Heere kan ook alzoo en beter verhooren, wanneer Hij ons kracht geeft

tot dragen, en wij in den smeltoven gelouterd, voor Zijn dienst meer

geschikt gemaakt, meer naar Christus' beeld hervormd en voor de eeuwige

heerlijkheid rijper gemaakt worden."

Moge werkelijkheid worden, wat ik zei, en ook dit nog velen ten zegen

zijn.

Van strak gespannen snaren · 第 18 / 56 题