Amersfoort, 12 November 1913.
_Geliefde gemeente!_
Hoewel 't eenigszins moeielijk gaat, zend ik U toch ook ditmaal mijn
brief.
Mijn vertrek is acht dagen vervroegd, zoodat ik in plaats van de
volgende week reeds morgen D.V. naar Heidelberg ga. Dit geeft bijzondere
drukte. Toch neem ik er den tijd af U nog even te schrijven.
Mijn vervroegd vertrek en de bloote mededeeling daarvan zouden allicht
eenige ongerustheid bij u kunnen verwekken. Daarvoor is echter geen
reden. Terwijl 't gezwel in den hals, dat de oorzaak der kwaal is,
nagenoeg geheel verdwijnt, is de dikte op de tong een weinig
teruggekomen. Volgens den geneesheer kan dit een onschuldige oorzaak
hebben. 't Kan echter ook zijn, dat de kwaal, die op de ééne plaats
verdwijnt, op een andere plek een voedingsbodem zoekt. In dit laatste
geval is 't noodig, dat zij ook daar zoo spoedig en zoo krachtig
mogelijk worde aangevat. De vervroeging der afreis is dus een maatregel
van groote voorzichtigheid.
Tot 't vertrek gereed, zie ik met groote dankbaarheid terug op hetgeen
de Heere mij hier, ook in natuurlijk opzicht, geschonken heeft. Het
najaar vergoedt aan schoone dagen ruimschoots, wat de zomer onthield,
en vooral door een kranke, die de buitenlucht genieten mag, wordt dit
hoogelijk gewaardeerd.
Wat ik genoten heb in de schoone plantsoenen alhier! Heele poozen kon
ik staan te turen voor reuzenboomen, die hier prijken, met hun geweldig
zwart-groene, of grijs-groene stammen, hun dun, teeder najaarsloover,
varieerend in tint, van licht-groen en goudgeel tot goudbruin. In de
grilligste vormen slingeren zich de zwarte takken dooreen. Als met
betraand oog giet de najaarszon haar glimmende straaltjes neder, die
spelen op 't vochtig blad. Ieder dier boomen is een wonderstuk van
schoonheid, een pracht-uitgave van de werken Gods. Menigmaal kwam
de gedachte bij mij op: wanneer er al dit moois is, en er denkende
menschelijke geest is, die dit schoon in zich opneemt, 't geniet, 't eet
en drinkt, dan moet er zijn de Eeuwige Geest, die dit alles formeerde,
de Kunstenaar en Bouwmeester van 't gansch heelal, die als Bouwmeester
bovenal ook Kunstenaar is! En uit het Woord van God jubelde mij dan
tegen wat de dichter van den 50en psalm zingt:
»Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende".
Neen in Sion staat geen altaar van den Onbekenden God. »God is bekend in
Juda". In den tempel, in het altaar, in den priesterdienst, in de rollen
der profeten, bovenal in de zending en overgave van Zijnen lieven Zoon
tot onze eeuwige verlossing verschijnt onze God blinkende; blinkende in
den glans en gloed zijner drievuldige heiligheid.
Welk een onderscheid dan ook tusschen de openbaring Gods en hetgeen de
heidenen van hun goden fabelen. De goden der heidenen zijn
geidealiseerde menschen, die nochtans als de grootste deugnieten dezer
aarde elkander beliegen en bedriegen.
Onze God is de Driemaalheilige. Heilig in Zijn woning; er komt niet
binnen, wat verontreinigt. Heiligheid is het sieraad van Zijn Sion op
aarde. Algeheele levenswijding en heiliging is de dure roeping van Zijn
volk op aarde.
Dit verkondigt de Heere in dezen psalm aan Zijn gunstgenooten, die zijn
verbond maken met offeranden. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij niet
gelijk de heidensche goden als een bedelaar komt; want Zijns is de aarde
en haar volheid. Hij maakt hun duidelijk, dat Hij van zijn gunstgenooten
bovenal de offerande van hun gansche leven vraagt.
Daarom wijst Hij uit Zijn gemeenschap de goddeloozen, die Zijne woorden
achter hunnen rug werpen; degenen, die deelen met de dieven, die
deelgenooten der overspelers zijn, en lastering spreken tegen den zoon
hunner moeder. Niet zonder reden noemt de Heere juist dezen bij name:
geldmakerij, overspel, en bevechten van elkander met het zwaard van den
laster zijn steeds de hoofdzonden in tijden van verval. Alle deze
zondaren dreigt de Heere met het vuur van zijn toorn. Alleen dengenen,
die hun weg wel aanstellen, zal de Heere Zijn heil doen zien.
* * * * *
En waar moeten dan blijven, die hun weg niet wel hebben aangesteld? Die
met de dieven deelden, deelgenooten werden van de overspelers, tegen hun
broeders lasterden, of wellicht nog erger deden?
Op deze vraag geeft het antwoord de volgende psalm, de 51ste psalm,
de bekende hemelladder, waarmede reeds menigeen uit diepen val werd
opgericht, de psalm van 't verbroken hart; de psalm, waarin David
betuigt: »De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en
verslagen hart zult Gij, o God! niet verachten!"
Een gebroken hart!
Maar welke beteekenis kan dit hebben in de oogen Gods?
Welke waarde heeft iets, dat gebroken is!
Ge hebt een kostbare vaas. Ze breekt in duizend stukken. Weg is uw vaas;
weg is al haar waarde. Wat beteekent de kostbaarste vaas bij 't meest
gewone menschenhart? En welke waarde kan 't gebroken menschenhart hebben
in de oogen des Heeren?
Welke waarde?
Vraag dit aan de heilige engelen, die hun harpen stemmen wanneer zij
zien, dat dit groote werk des Heiligen Geestes, dit wonderwerk der
verbreking des harten, aan een arm zondaar wordt gewrocht! Of liever
nog, vraag dit aan een David, een Manasse, een Petrus, een Paulus, hoe
zalig zij 't hebben ervaren, dat de Heere woont nabij de gebrokenen
van hart en de verslagenen van geest! Vooral Paulus is in dezen een
merkwaardig voorbeeld. Na zijn bekeering heeft hij door genade steeds
zijn weg aangesteld. Hoe bitter klaagt hij nochtans in Romeinen Zeven
over de kracht der inwonende zonde! Romeinen Zeven is de 51ste psalm van
Paulus!
Hoort hem daarin ten slotte klagen: »Ik ellendig mensch, wie zal mij
verlossen uit het lichaam dezes doods?"
Beter dan ooit kan ik thans deze beeldspraak van Paulus verstaan.
Iemand, die dit niet ondervindt, weet niet wat 't zegt: overigens zich
gezond te gevoelen, maar dan gevangen te zitten in de omklemming eener
doodelijke krankheid, die U op den grond werpt, en met grimmig gelaat 't
mes dreigend boven u zwaait! O 't is een vreeselijke krankheid waaraan
ik lijd, en waarvan alleen de naam reeds doet sidderen!
En toch wat beteekent deze schrikkelijke lichamelijke bezoeking nog
bij het zedelijk kwaad der zonde? De zonde is 't vreeselijke zwarte
hoofdstuk der menschelijke historie. Alle ellende van ouders, kinderen,
gezinnen, geslachten, volken, alle vreeselijkst denkbare krankheden
behooren tot dit zwarte hoofdstuk. Tot dit hoofdstuk behoort ook het
lijden van 't arme kind van God, dat naar de gemeenschap met den
Driemaalheilige dorst, maar in die gemeenschapsoefening telkens
belemmerd wordt door de schrikkelijke macht der inwonende zonde, en die
luide klaagt: »Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam
dezes doods?"
Zalig, driewerf zalig, wie, in welke ellende ook, alzoo meer over de
zonde dan over de ellende, die 't vruchtgevolg der zonde is, leert
klagen! Want hoort het, naarmate Paulus dieper klaagt, roemt hij luider:
»Ik dank God door Jezus Christus, onzen Heere!"
»Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende";
blinkende in de heiligheid van 't verlossingswerk, dat Hij in Christus
wrocht. Want alzoo heilig is Gods toorn tegen de zonde, dat Hij haar,
liever dan dat Hij haar ongestraft liet blijven, gestraft heeft aan
Zijn Eeniggeboren Zoon. Maar daarom is dit verlossingswerk dan ook een
volkomen werk. Is aan onze zijde altijd alles verloren, aan Jezus' zijde
is voor den grootsten der zondaren altijd alles behouden. Zijn bloed
reinigt van alle zonden. Hij heiligt door Zijn Geest, zoodat wij in
beginsel over de kracht der inwonende zonde triomfeeren. Hij legt de
roemtaal op de lippen: »Zou is er dan geen verdoemenis voor degenen die
in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen, maar naar
den Geest."
Ja, wilt ge de waarde zien van 't gebroken hart, vergelijk dan Romeinen
8 met Romeinen 7. Is Romeinen 7 de 51e Psalm, Romeinen 8 is het Hooglied
van 't Nieuwe Testament, gezongen door denzelfden man, die in Romeinen
7 uit zijn gebroken hart klaagt over de kracht zijner inwonende
verdorvenheid. In Romeinen 8 roemt hij in de hoogste en verhevenste
goederen des Nieuwen Testaments, in de leiding, in het getuigenis, in de
voorbede des Heiligen Geestes. Hij verheugt er zich in, dat allen, die
God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede. Hij, die zichzelven
het meest beschuldigt, daagt al zijn beschuldigers uit, en zegt: »Wie
zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods?" Hij besluit
met de jubelende tonen: »Want ik ben verzekerd, dat noch dood, noch
leven, noch engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige,
noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander
schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in
Christus Jezus, onzen Heere".
Geliefde gemeente, terwijl ik dit schrijf, is 't mijne bede dan ook, dat
de Heere mij bij mijn nieuwe reis dien grooten schat van 't verbroken
hart, dat meer over de zonde dan over de ellende klaagt, slechts
medegeve. Hoe 't dan ook ga, dan gaat 't altijd goed. Dit is 't wat ik
een iegelijk uwer ook van harte toebid.
De Franschman Bordeaux schreef een boek, dat den titel voert: »la peur
de vivre", »de vrees om te leven". In een inleiding op dit boek verwijt
Réné Doumic aan het Fransche volk, dat zij alleen zichzelven zoeken.
Van ondernemingsgeest, van offervaardigheid voor anderen is bij velen
geen sprake meer. De meesten jagen enkel naar geld. De wellusten
worden onbeschaamd gediend. De een trapt den ander om zelf te stijgen.
Zij hebben 't hoogste woord, wanneer alles voor den wind gaat. Maar
wanneer de rampen komen, zitten zij is een hoekje te sidderen en te
vloeken. Ze hebben een vrees voor het werkelijke leven, met al zijn
verantwoordelijkheid, met al zijn eischen. Zij hebben alléén de zonde
lief, en beven voor alle ellende. Begint deze maar even te drukken, dan
werpen velen zulk een leven als geheel waardeloos in den zelfmoord weg.
Hoe vreeselijk is de dienst der zonde!
Geliefden, dat we haar mogen haten, vlieden, mijden! Dat we met al onze
zonden steeds aan de voeten van Jezus komen! Dat we de reiniging zoeken
van alle besmetting des vleesches en des geestes door Zijn bloed en door
Zijn Geest! Dan smaken we de rechte zoetheid van het werkelijke leven,
zelfs temidden van alle uitwendige ellende, hoe zwaar deze ook drukken
moge, en zingt onze ziel als de nachtegaal haar schoonste lied in den
donkersten nacht.
Hiermede wil ik thans besluiten, ons beiden wederom aan uwe voorbede
aanbevelend.
Uw u liefhebbende oud-leeraar,