De "Mabinogion."

Wij komen nu tot het werk waarin de voornaamste schatten van Kimbrische

mythen en legenden zestig jaren geleden door Lady Charlotte Guest

werden bijeengebracht en aan de wereld gegeven in een vertaling die

een der meesterstukken is van de Engelsche literatuur. De titel van

dit werk, "Mabinogion," is het meervoud van het woord _Mabinogi_,

dat beteekent een verhaal behoorend tot hetgeen een leerling-bard in

zijn mars had, een verhaal zooals elke bard noodzakelijk te leeren had

als deel van zijn opvoeding, wat hij ook later aan zijn _répertoire_

mocht toevoegen. Feitelijk zijn de _Mabinogi_ in het boek niet anders

dan de vier verhalen het eerst gegeven in de editie van Alfred Nutt,

getiteld de "Vier takken van de Mabinogi" en die een samenhangend

geheel vormen. Zij behooren tot de oudste overblijfselen van de

mythologische sagen van Wales.

Pwyll, hoofd van het Schimmenrijk.

Het eerste er van is de geschiedenis van Pwyll, Vorst van Dyfed, en

verhaalt hoe die Vorst zijn titel kreeg van _Pen Annwn_, of "Hoofd

van het Schimmenrijk"--met Annwn wordt namelijk in de literatuur van

Wales het Keltische Land der Dooden, of Tooverland aangeduid. Het is

een verhaal met een mythologischen grondslag, maar dat den zuiversten

geest van ridderlijke eer en adel ademt.

Pwyll, zoo heet het, was op zekeren dag aan het jagen in de bosschen

van Glyn Cuch, toen hij een troep honden, niet de zijne, een hert zagen

achterna zetten. Deze honden waren sneeuwwit met roode ooren. Als

Pwyll eenige ervaring had gehad in deze dingen, zou hij dadelijk

hebben geweten wat voor jacht er aan den gang was, want dit zijn de

kleuren van Tooverland--de roodharige man, de hond met roode ooren

gaan steeds met hekserij gepaard [226]. Maar Pwyll joeg de vreemde

honden weg en wilde zijn eigen honden het wild achterna zenden,

toen een ruiter met een edel voorkomen opdaagde en hem verwijten deed

wegens zijn lompheid. Pwyll bood aan hem genoegdoening te geven en het

verhaal gaat nu over in het veel voorkomend onderwerp, de bevrijding

van het Tooverland. De naam van den vreemdeling is Arawn, een koning

in Annun. Hij wordt bemoeilijkt en met onttroning bedreigd door

een mededinger, Havgan, en hij zoekt de hulp van Pwyll, en vraagt

hem over een jaar Havgan in tweegevecht te ontmoeten. Inmiddels

zal hij Pwyll zijn eigen gedaante doen aannemen. Pwyll zal in zijn

koninkrijk heerschen tot den gewichtigen dag, terwijl Arawn in de

gedaante van Pwyll in Dyfed zal gaan regeeren. Hij leert Pwyll hoe

hij met den vijand moet omgaan. Havgan moet met eén enkelen slag

worden geveld--wordt hem een tweede slag gegeven dan herleeft hij

weer onmiddellijk zoo sterk als ooit te voren.

Pwyll stemde toe in het avontuur en ging diensvolgens in Arawn's

gedaante naar het koninkrijk Annwn. Hier bevond hij zich in een

onvoorziene moeilijkheid. De schoone vrouw van Arawn begroette hem als

haar echtgenoot. Maar toen het tijd voor hem werd ter ruste te gaan,

keerde hij het gelaat naar den muur, en zeide hij geen woord tot haar

en raakte hij haar niet aan totdat het morgen werd. Toen stonden zij

op, en Pwyll ging op de jacht en regeerde zijn rijk en deed alles

alsof hij de vorst was over het land. En hoeveel genegenheid hij de

koningin ook bij dag in het openbaar betoonde, hij bracht elken nacht

door als de eerste.

Eindelijk brak de dag van het tweegevecht aan, en evenals de hoofden in

Galische verhalen, ontmoetten Pwyll en Havgan elkander midden in een

wadde van de rivier. Zij vochten en bij de eerste botsing werd Havgan

de lengte van een speer over het kruis van zijn paard geslingerd en

viel doodelijk gewond [227] "In 's hemels naam," zeide hij, "dood mij

en voltooi uw werk." "Dat zou mij nog rouwen," zeide Pwyll. "Doode

u wie wil, ik wil niet." Toen wist Havgan dat zijn einde daar was en

hij gelastte zijn edelen hem weg te dragen; en Pwyll bezette met zijn

leger de twee rijken van Annwn en maakte zich meester van al het land

en ontving de hulde van zijn vorsten en edelen.

Toen reed hij alleen weg om te Glyn Cuch met Arawn samen te komen,

zooals zij hadden afgesproken. Arawn dankte hem voor al wat hij

gedaan had en voegde er bij: "Wanneer ge naar uw eigen rijk gaat,

zult gij zien wat ik voor u heb gedaan." Zij verwisselden andermaal

van gedaante en elk reed in zijn eigen gedaante om van zijn eigen

land bezit te nemen.

Aan het hof van Annwn werd de dag in vreugde feestelijk doorgebracht,

hoewel niemand dan Arawn wist dat er iets ongewoons had plaats

gehad. Toen de nacht kwam kuste en liefkoosde Arawn zijn vrouw

als van ouds en zij peinsde lang over de oorzaak van zijn omkeer

tegenover haar en over zijn vroegere verandering een jaar en een

dag tevoren. En terwijl zij over deze dingen nadacht sprak Arawn

twee of drie maal tot haar, maar kreeg geen antwoord. Hij vroeg

haar toen waarom zij bleef zwijgen. "Ik zeg u", sprak zij, "dat ik

in een jaar niet zooveel gesproken heb op deze plaats." "Spraken

we niet voortdurend?" vroeg hij. "Neen", zeide zij, "gedurende het

geheele jaar dat verloopen is, was er tusschen ons noch gesprek,

noch gemeenschap". "Goede hemel!" dacht Arawn, "nooit vond ik een

vriend zoo trouw en standvastig". Toen vertelde hij zijn koningin

wat er gebeurd was. "Gij hebt inderdaad de hand gelegd op een trouwen

vriend", zeide zij.

En Pwyll riep, toen hij in zijn eigen land terug was, zijn edelen

bijeen en vroeg hun hoe hij het, naar hun meening, in het afgeloopen

jaar, als koning had gemaakt. "Heer", zeiden zij, "uw wijsheid was

nooit zoo groot en gij waart nooit zoo vriendelijk en vrijgevig, en uw

rechtvaardigheid kwam nooit zoo treffend uit als dit jaar". Toen deed

Pwyl hun het verhaal van zijn avontuur. "Voorwaar, Heer", zeiden zij,

"breng dank aan den hemel voor zulk een makker en onthoud ons niet

het bestuur dat wij in het afgeloopen jaar genoten." "Ik neem den

hemel ten getuige, dat ik dat niet doen zal", zeide Pwyll.

En de beide koningen versterkten de vriendschap die tusschen hen

bestond en zonden elkander rijke geschenken van paarden en honden en

juweelen; en tot herinnering aan het avontuur voerde Pwyl voortaan

den titel van "Heer van Annwn".

Het huwelyk van Pwyll en Rhiannon.

Dicht bij het kasteel van Narberth, waar Pwyll zijn hof hield, was een

berg, genaamd de Berg van Arberth; wie er op zat, zoo werd geloofd,

zou een vreemd avontuur hebben; òf hij zou slagen en wonden krijgen,

òf hij zou een wonder zien. Op zekeren dag toen al zijn edelen te

Narberth bijeen waren voor een feest verklaarde Pwyll, dat hij op

den berg zou gaan zitten en afwachten wat er zou gebeuren.

Hij deed aldus en na een poos zag hij op den weg die naar den berg

voerde, een vrouw naderen, gekleed in gewaden die als goud glansden

en gezeten op een zuiver wit paard. "Is er onder u iemand, die deze

vrouw kent?" vroeg Pwyll aan zijn mannen. "Daar is er geen", zeiden

zij. "Gaat haar dan te gemoet en vraagt wie zij is!" Maar toen zij

naar de vrouw toe reden, ging zij terug, en hoe snel zij ook reden,

zij bleef steeds op denzelfden afstand van hen, hoewel zij nooit van

den rustigen gang scheen af te wijken, dien zij in den beginne al

naderend had aangenomen.

Herhaaldelijk trachtte Pwyll de vrouw te laten inhalen en ondervragen,

maar het was alles te vergeefs--niemand kon dicht bij haar komen.

Den volgenden dag beklom Pwyll weer den berg en andermaal naderde de

schoone vrouw op haar wit ros. Nu zette Pwyll zelf haar achterna, maar

zij wendde zich voor hem om, zooals zij voor zijn dienaren had gedaan,

totdat hij ten slotte riep: "O jonkvrouw, ter wille van hem dien gij

het meest lief hebt, blijf". "Ik zal gaarne blijven", zeide zij,

"en het zou beter zijn geweest voor uw paard, indien gij het lang

geleden hadt gevraagd".

Pwyll ondervroeg haar toen aangaande de oorzaak van haar komst en

zij zeide: "Ik ben Rhiannon, de dochter van Hevydd Hen [228] en men

wilde mij aan een echtgenoot geven tegen mijn zin. Maar ik wilde geen

echtgenoot hebben en dat wel omdat ik u lief heb; en ik wil er ook

nog geen hebben indien ge mij afwijst." "Bij den hemel!" zeide Pwyll,

"als ik kon kiezen onder al de vrouwen en jonkvrouwen van de wereld,

u zou ik kiezen."

Zij komen nu overeen dat Pwyll haar over een jaar zou komen opeischen

in het paleis van Hevydd Hen.

Pwyll hield zijn afspraak en kwam met een gevolg van honderd ridders

en vond een prachtig maal voor hem in gereedheid en hij zat naast

zijn dame, met haar vader aan den anderen kant. Terwijl zij aten

en praatten kwam een lange jongeling met bruin haar en koninklijke

houding, in satijn gekleed, die Pwyll en zijn ridders begroette. Pwyll

noodigde hem uit te gaan zitten. "Neen, ik ben gekomen om u een

gunst te vragen:" "Wat gij verlangt, zult gij hebben," zeide Pwyll

argeloos, "als het in mijn macht is." "O," riep Rhiannon, "waarom

gaaft gij dat antwoord?" "Gaf hij het niet ten aanhoore van al deze

edelen?" zeide de jongeling; "en nu is de gunst die ik vraag uw bruid

Rhiannon te hebben en het feestmaal dat hier is aangerecht." Pwyll

zweeg. "Zwijg zoolang ge wilt," zeide Rhiannon. "Nooit gebruikte een

man zijn verstand slechter dan gij hebt gedaan." Zij vertelt hem,

dat de bruinharige jonge man Gwawl is, zoon van Clud, en dat hij de

minnaar is voor wien zij was gevlucht naar Pwyll.

Pwyll is door zijn woord gebonden en Rhiannon verklaart, dat het

feestmaal niet aan Gwawl kan worden gegeven, want dat is niet in

Pwyll's macht, maar dat zij zelf over een jaar zijn bruid zal zijn;

Gwawl zal haar dan komen opeischen en er zal dan weer een feestmaal

worden gereed gemaakt. Inmiddels beraamt zij een plan met Pwyll en

geeft hem een tooverzak, waarvan hij gebruik zal maken als de tijd

daar is.

Een jaar verstreek. Gwawl kwam overeenkomstig de afspraak en

wederom werd een groot maal aangericht, waaraan hij en niet Pwyll

de eereplaats had. Maar terwijl het gezelschap pret maakte kwam een

bedelaar, gekleed in lompen en met oude zware schoenen, in de zaal:

hij droeg een zak zooals bedelaars plegen te doen. Nederig vroeg hij

een gunst van Gwawl. Het was alleen dat men hem van het maal eten zou

geven, zijn zak vol. Vroolijk stemde Gwawl toe en een dienaar ging

den zak vullen. Maar hoeveel er ook werd in gestopt, hij werd niet

voller--gaandeweg waren al de goede dingen op tafel er in gegaan;

en Gwawl riep ten slotte: "Bij mijn ziel, zal die zak nooit vol

worden?" "Dat zal hij niet, dat zweer ik," antwoordde Pwyll--want hij

was natuurlijk de vermomde bedelaar--"tenzij de een of andere man rijk

aan land en geld in den zak met zijn voeten stampt en zegt: "Genoeg

is hierin gedaan." Rhiannon drong bij Gwawl aan, dat hij een eind zou

maken aan de vraatzucht van den zak. Hij stopte zijn beide voeten er

in, onmiddellijk trok Pwyll de randen van den zak over het hoofd van

Gwawl en bond hem vast. Toen blies hij op zijn hoorn; de ridders, die

hem waren gevolgd en die zich buiten hadden verborgen, snelden toe en

namen de volgelingen van Gwawl gevangen. "Wat is in den zak?" riepen

zij en anderen antwoordden. "Een das" en nu speelden zij het spel van

"Das in den zak," sloegen er op en schopten hem door de zaal.

Eindelijk hoorde men een stem uit den zak. "Heer," riep Gwawl,

"hoor mij toch; ik verdien niet in een zak te worden gedood." "Hij

spreekt de waarheid," zeide Hevydd Hen.

Men kwam nu overeen, dat Gwawl aan Pwyll de middelen zou verschaffen om

al de smeekelingen en minstreels, die op de bruiloft zouden komen, te

voldoen en dat hij van Rhiannon zou afzien en nimmer wraak zou zoeken

voor hetgeen hem was aangedaan. Dit werd door borgtochten bevestigd,

Gwawl en zijn mannen werden in vrijheid gesteld en gingen naar hun

eigen gebied. En Pwyll huwde Rhiannon en gaf aan allen vorstelijke

geschenken; en ten slotte, toen het maal was afgeloopen, reisde het

paar naar het paleis van Narberth in Dyfed, waar Rhiannon aan al de

edelen en hun vrouwen in haar nieuw land een ring, of een armband, of

een kostbaren steen schonk; en zij regeerden over het land in vrede,

zoowel dat jaar als het volgende. Maar zooals de lezer zal zien,

hebben we nog niet afgedaan met Gwawl.

Riannon's boete.

Nu was Pwyll nog zonder een erfgenaam voor den troon en zijn edelen

drongen er op aan dat hij een andere vrouw zou nemen. "Geef ons nog een

jaar," zeide hij, "en als er dan nog geen erfgenaam is, zal geschieden

naar uw wensch." Voor dat het jaar om was werd hun te Narberth een

zoon geboren. Maar hoewel zes vrouwen waakten om op moeder en kind te

passen, gebeurde het tegen den morgen dat zij allen in slaap vielen,

en Rhiannon sliep ook, en toen de vrouwen wakker werden, ziet, toen was

het kind weg! "Wij zullen daarvoor verbrand worden," zeiden de vrouwen

en in hun angst beraamden zij een vreeselijk plan: zij doodden het pas

geworpen jong van een jachthond en legden de beenderen bij Rhiannon,

wier gelaat en handen zij, in haar slaap, met bloed besmeerden; en

toen zij wakker werd en naar haar kind vroeg, zeiden zij dat zij het

's nachts had verslonden en hen met woeste kracht had bedwongen toen

zij het haar hadden willen beletten--en wat zij ook zeide en deed,

de zes vrouwen hielden hun verhaal vol.

Toen het Pwyll ter oore kwam wilde hij Rhiannon niet verstooten,

zooals zijn edelen hem nu weer verzochten te doen, maar een boete

werd haar opgelegd--namelijk dat zij elken dag zou zitten bij de

afstijgplaats van de poort van het kasteel, het verhaal doen aan

elken vreemdeling die kwam, en aanbieden hen op haar rug naar het

kasteel te dragen. En dat deed zij een deel van het jaar.

Pryderi wordt gevonden.

Nu leefde er in dien tijd een man genaamd Teirnyon van Gwent Is Coed,

die de mooiste merrie van de wereld had, maar zij had een ongeluk,

dat hoewel zij elken eersten Meinacht een veulen wierp, niemand ooit

wist wat er van de veulens werd. Ten laatste besloot Teirnyon achter

de waarheid te komen en den eersten nacht, dat de merrie zou werpen,

wapende hij zich en waakte in den stal. De merrie wierp en het veulen

ging staan en Teirnyon bewonderde de grootte en de schoonheid er

van, toen hij buiten een groot geraas hoorde en een lange arm in

een klauw eindigend werd door het stalraam gestoken en pakte het

veulen. Teirnyon sloeg dadelijk met zijn zwaard op den arm, dien hij

van den elleboog scheidde zoodat hij naar binnen viel met het veulen,

en men hoorde buiten groot gejammer en rumoer. Hij snelde naar buiten,

de deur achter zich open latend, maar door de duisternis van den nacht

kon hij niets zien en hij volgde een poos het rumoer. Toen kwam hij

terug en ziet, bij de deur vond hij een kind gewikkeld in luren en

in een mantel van satijn. Hij nam het kind op en bracht het naar zijn

slapende vrouw. Zij had geen kinderen en zij had het kind lief zoodra

zij het zag en maakte haar dienstmaagden wijs dat zij zelf het gebaard

had. En zij noemden het Gwri met het gouden haar, want zijn haar was

goudgeel; en het groeide zoo sterk dat het na twee jaren zoo groot

en stevig was als een kind van zes jaren; en weldra werd het veulen,

dat dien nacht was geworpen, gezadeld en hem te berijden gegeven.

Terwijl dit plaats had, hoorde Teirnyon het verhaal van Rhiannon

en haar straf. En toen de knaap opgroeide, bekeek hij zijn gelaat

aandachtig en hij zag dat het kind de trekken had van Pwyll, Vorst

van Dyfed. Hij vertelde dit aan zijn vrouw en zij kwamen overeen het

kind naar Narberth te brengen, en dat Rhiannon van haar boete zou

worden ontheven.

Toen zij het kasteel naderden, Teirnyon met twee ridders en het kind op

zijn veulen, zat Rhiannon bij de afstijgplaats. "Mannen", zeide zij,

"gaat niet verder aldus: ik zal ieder van u het paleis binnen dragen,

en dat is mijn boete, omdat ik mijn eigen zoon doodde en opat." Maar

zij wilden niet gedragen worden en gingen naar binnen. Pwyll was blijde

Teirnyon te zien en bereidde hem een maal. Later vertelde Teirnyon aan

Pwyll en Rhiannon het avontuur van den man en het veulen en hoe zij

het kind hadden gevonden. "En zie, hier is uw zoon, vrouwe", zeide

Teirnyon, "en wie die leugen over u vertelde deed verkeerd." Allen

aan tafel herkenden den knaap onmiddellijk als het kind van Pwyll,

en Rhiannon riep: "Ik zweer, dat als dit zoo is, er een eind is aan

mijn onrust." En een der hoofden Pendaran zeide: "Terecht hebt gij

uw zoon Pryderi (onrust) genoemd en hem past wel de naam van Pryderi,

zoon van Pwyll, Heer van Annwn." Men kwam overeen dat het kind Pryderi

zou heeten en zoo werd hij voortaan genoemd.

Teirnyon reed naar huis, overladen met betuigingen van dank, liefde

en blijdschap; en Pwyll bood hem rijke geschenken aan van paarden en

juweelen en honden, maar hij wilde geen enkel aannemen. En Pryderi

werd opgevoed zooals het voor een koningszoon paste, in alle edele

gebruiken en kundigheden, en toen zijn vader Pwyll stierf, regeerde

hij in zijn plaats over de Zeven Staten van Dyfed. En hij breidde die

uit met vele schoone gebieden en hij nam ten slotte tot vrouw Kicra,

dochter van Gwynn Gohoyw, die afstamde van het geslacht van Vorst

Casnar van Brittannië.

Het verhaal van Bran en Branwen.

Bendigeid Vran, of "Bran de gezegende"--met dezen laatsten naam zullen

wij hem hier noemen--bevond zich eens, toen hij Koning was geworden

van het Eiland der Machtigen (Brittannië), in zijn hof te Harlech. En

hij had bij zich zijn broeder Manawyddan zoon van Llyr, en zijn zuster

Branwen, en de twee zonen, Nissyen en Evnissyen, die Penardun, zijn

moeder, aan Eurosswyd had gebaard. Nu was Nissyen een zachtaardig

jongeling, die vrede placht te stichten onder zijn verwanten en hen

er toe bracht bevriend te worden wanneer hun toorn het hevigst was;

maar Evnissyen hield van niets zoozeer dan vrede in twist en strijd

te doen verkeeren.

Op zekeren namiddag, toen Bran, zoon van Llyr, op de rots van Harlech

naar de zee zat te kijken, zag hij dertien schepen bij gunstigen wind

snel van den kant van Ierland naderen. Zij waren vroolijk opgetuigd,

van de masten wapperden gekleurde vlaggen en toen zij dichtbij waren,

kon men op het voorste schip een man zien staan die een schild met

de punt naar boven droeg, ten teeken van vrede [229].

Toen de vreemdelingen landden, begroetten zij Bran en legden zij

de reden van hun komst uit. Matholwch [230], Koning van Ierland,

bevond zich bij hen; de schepen waren de zijne en hij was gekomen

om de hand te vragen van Bran's zuster, Branwen, opdat Ierland en

Brittannië samen zouden zijn verbonden en beiden machtiger zouden

worden. "Nu was Branwen een van de drie voornaamste vrouwen van het

eiland en zij was de schoonste jonkvrouw van de wereld."

De Ieren werden gastvrij onthaald en, na zijn edelen te hebben

geraadpleegd, kwam Bran overeen zijn zuster aan Matholwch te geven. De

bruiloft zou te Aberffraw worden gehouden en het gezelschap kwam

voor het feest in tenten bijeen, omdat in geen huis plaats was voor

de reuzengestalte van Bran. Zij dronken en waren vroolijk in vrede

en vriendschap en Branwen werd de vrouw van den Ierschen Koning.

Den volgenden dag kwam Evnissyen bij toeval daar waar de paarden van

Matholwch op een rij stonden en hij vroeg van wien ze waren. "Het

zijn de paarden van Matholwch, die met uw zuster is getrouwd." "En

heeft men aldus gehandeld met een maagd zooals zij", sprak hij, "en

bovendien mijn zuster, haar uithuwelijkend zonder mijn toestemming? Zij

konden mij geen grooter beleediging aandoen." Hierop snelde hij naar

de paarden, sneed hun de lippen af, de ooren en de staarten, en waar

hij de oogleden kon beet krijgen, sneed hij die af tot op het been.

Toen Matholwch vernam wat er gebeurd was, was hij zoowel vertoornd

als verbijsterd en hij gelastte zijn mannen zee te kiezen. Bran zond

boden om te vernemen wat er was voorgevallen en toen hij was ingelicht

zond hij Manawyddan en twee anderen om verontschuldigingen aan te

bieden. Matholwch zou voor elk mishandeld paard een gaaf paard krijgen

en bovendien een zilveren staf zoo groot als hij zelf en een gouden

schotel zoo groot als zijn gezicht. "En laat hij bij mij komen",

voegde hij er bij, "en wij zullen vrede maken op de wijze zooals

hij dat verlangt". Maar wat Evnissyen aangaat, hij was de zoon van

Bran's moeder en Bran kon hem daarom niet ter dood brengen, zooals

hij verdiende.

De tooverketel.

Matholwch nam deze voorwaarden aan, maar niet met groote opgewektheid,

en Bran bood hem nu nog een schat aan, namelijk een tooverketel,

die de eigenschap had dat als een gedood man daarin werd geworpen,

hij er levend en gezond weer uitkwam, maar hij zou niet kunnen

spreken. Matholwch en Bran onderhielden zich nu over den ketel, die

oorspronkelijk, naar het schijnt, uit Ierland kwam. Er was een meer

in dat land dicht bij een burcht (zeker een tooverburcht), geheeten

het Meer met den Ketel. Hier had Matholwch eens een leelijken langen

kerel ontmoet met een vrouw grooter dan hij zelf, en de ketel was aan

zijn rug vastgemaakt. Zij traden in dienst van Matholwch. Zes weken

daarna bracht de vrouw een zoon ter wereld, die een geheel gewapend

krijgsman was. Wij moeten blijkbaar aannemen dat dit elke zes weken

gebeurde, want tegen het einde van het jaar, had dit zonderlinge paar,

die een oorlogsgod en godin schijnen te zijn, een aantal kinderen,

die zich door hun voortdurende twisten en gewelddadigheden in het

geheele land gehaat maakten. Om van hen af te komen liet Matholwch

ten slotte een huis van ijzer maken en hij lokte hen er in. Toen liet

hij de deur grendelen en kolen om de muren opstapelen en witgloeiend

maken, in de hoop de familie levend te verbranden. Maar zoodra de

ijzeren muren witgloeiend en week waren geworden, drongen de man en

de vrouw er doorheen en ontkwamen, maar de kinderen bleven achter

en kwamen om. Bran vertelde toen de geschiedenis verder. De man, die

Llassar Llaesgyvnewid was geheeten en zijn vrouw Kymideu Kymeinvoll,

staken over naar Brittannië, waar Bran hen opnam, en als dank voor

zijn vriendelijkheid gaven zij hem den ketel. En sedert dien hadden

zij het land bevolkt met hun afstammelingen, die overal voorspoed

hadden en in goed versterkte burchten woonden en de beste wapens

hadden die men ooit zag.

Zoo kreeg dan Matholwch den ketel tegelijk met zijn vrouw en zeilde

terug naar Ierland, waar Branwen de edelen en edelvrouwen van het

land onthaalde en elk bij hun vertrek, "een gesp, of een ring,

of een vorstelijk juweel schonk, wat deftig stond als men bij het

heengaan er mee werd gezien." En toen het jaar om was baarde Branwen

Matholwch een zoon, die Gwern werd geheeten.

De straf van Branwen.

Nu komt iets onbegrijpelijks in het verhaal. Eerst in het tweede jaar,

naar het schijnt, werden de mannen van Ierland verontwaardigd over

de beleediging door Evnissyen hun Koning aangedaan, en zij namen

wraak door Branwen tot keukenmeid te degradeeren en zij lieten den

slager haar elken dag een klap om de ooren geven. Zij verboden ook

alle schepen en veerbooten naar Cambria over te steken en ieder die

van daar naar Ierland kwam werd gevangen genomen, opdat geen bericht

over de slechte behandeling van Branwen Bran ter oore zou komen. Maar

Branwen kweekte een jongen spreeuw op in een hoek van haar baktrog,

en op zekeren dag bond zij den vogel een brief onder de vleugels en

leerde hem wat hij doen moest. Hij vloog naar Brittannië en toen hij

Bran aantrof te Caer Seiont in Arvon, ging hij op zijn schouders

zitten, en sloeg met zijn veeren en de brief werd gevonden en

gelezen. Onmiddellijk maakte Bran zich gereed tot een grooten strijd

met Ierland, en zeilde daarheen met een vloot, terwijl hij zijn land

liet onder de hoede van zijn zoon Caradawc en zes andere hoofden.

Bran's inval.

Weldra kwamen boden Matholwch vertellen van een wonderlijk schouwspel

dat zij hadden gezien; op de zee groeide een bosch en naast het

bosch een berg met een hoogen rug in het midden en twee meren, een

aan elken kant. En bosch en berg bewogen zich naar de Iersche kust

toe. Branwen wordt geroepen om zoo zij kon te verklaren wat dit

beduidde. Zij vertelt hen dat het bosch is de masten en raas van

de Britsche vloot en de berg is Bran, haar broeder, die in ondiep

water komt, "want geen schip kan hem bergen"; de rug is zijn neus

en de meren zijn beide oogen [231].

De Koning van Ierland en zijn edelen gaan onmiddellijk samen te rade,

hoe zij dit gevaar zullen afwenden en zie hier wat zij besloten: Een

groote zaal zou worden gebouwd, groot genoeg om Bran te bevatten--dit

zou, zoo hoopte men, hem doen bedaren--daar zou een groot feestmaal

voor hem en zijn mannen worden aangerecht en Matholwch zou hem het

koninkrijk Ierland afstaan en hem huldigen. Dit alles geschiedde op

raad van Branwen. Maar de Ieren bedachten er iets listigs bij. Aan

elke twee haken van elk der honderd pijlers in de zaal zouden twee

leeren zakken worden gehangen, elk met een gewapend krijgsman er in

gereed de gasten aan te vallen wanneer het oogenblik zou zijn gekomen.

De meelzakken.

Evnissyen echter dwaalde door de zaal vóór de overige gasten en de

toebereidselen tot het maal "met woeste blikken" bekijkend, zag hij

de zakken die van de pylers afhingen. "Wat is er in dien zak?" vroeg

hij aan een der Ieren. "Meel, goede heer", zeide de Ier. Evnissyen

legde zijn hand op den zak en tastte met zijn vingers totdat hij

kwam aan het hoofd van den man die er in was. Toen "drukte hij het

hoofd plat totdat hij voelde dat zijn vingers door de beenderen in

de hersens samen kwamen". Hij ging naar den volgenden zak en deed

dezelfde vraag. "Meel", zeide de Iersche dienaar, maar Evnissyen

verpletterde ook het hoofd van dezen krijgsman en zoo deed hij met

al de tweehonderd zakken. Zelfs met een krijgsman wiens hoofd was

bedekt met een ijzeren helm.

Toen begon het feestmaal en er heerschte vrede en eendracht

en Matholwch legde de oppermacht over Ierland neer, die werd

overgedragen op den knaap Gwern. En allen liefkoosden het mooie

kind, totdat hij bij Evnissyen kwam, die hem eensklaps greep en in

het brandend haardvuur wierp. Branwen had hem willen naspringen,

maar Bran hield haar tegen. En toen wapende men zich vlug en er

was rumoer en geschreeuw en de Iersche en Britsche krijgers werden

handgemeen en vochten tot dat het nacht werd.

Dood van Evnissyen.

Maar 's nachts maakten de Ieren den tooverketel warm en wierpen daarin

de lijken van hun dooden, die er den volgenden dag weer gezond uit

kwamen, maar stom. Toen Evnissyen dat zag, werd hij door wroeging

aangegrepen, omdat hij de mannen van Brittannië in zulk een benarden

toestand had gebracht. "Wee mij zoo ik geen uitweg vind". En hij

verborg zich onder de Iersche dooden en werd met de overigen in den

ketel geworpen aan het eind van den tweeden dag en hij rekte zich

zoo uit dat hij den ketel in vier stukken scheurde, en zijn eigen

hart barstte van de inspanning en hij stierf.

Het wonderlijke hoofd.

Ten slotte werden al de Ieren gedood en al de Britten op zeven

na, behalve Bran, die door een giftigen pijl aan den voet werd

gewond. Tot de zeven behoorden Pryderi en Manawyddan. Toen beval

Bran hen zijn hoofd af te snijden: "En neem het met u", zeide hij,

"naar Londen en begraaf het daar in den Witten Berg [232], die naar

Frankrijk is gekeerd, en zoolang het daar is zal geen vreemdeling

in het land vallen. Op de reis zal het Hoofd met u spreken en even

prettig gezelschap zijn als ooit in leven. Te Harlech zult gij zeven

jaar feest vieren en de vogelen van Rhiannon zullen voor u zingen. En

te Gwales in Penvro zult ge tachtig jaren feest vieren en het Hoofd

zal tot u spreken en in goeden staat zijn totdat ge de deur open doet

die naar Cornwallis is gekeerd. Daarna moogt ge niet langer toeven,

en moet ge naar Londen reizen en het Hoofd begraven."

Toen sneden de zeven Bran's hoofd af en vertrokken met Branwen,

om zijn bevel op te volgen. Maar toen Branwen te Aber Alaw landde,

riep zij: "Wee mij dat ik ooit werd geboren; twee eilanden zijn om

mij verwoest." En zij gaf een diepe zucht en haar hart brak. Zij

maakten een vierhoekig graf voor haar aan de oevers van de Alaw en

de plek werd _Ynys Branwen_ genoemd tot op dezen dag [233].

De zeven bevonden, dat tijdens Bran's afwezigheid Cawallan, zoon

van Beli, Brittannië had veroverd en de zes kapiteins van Caradawc

gedood. Door tooverkunst had hij over Caradawc den Sluier der

Begoocheling geworpen en Caradawc zag alleen het zwaard, dat steeds

doodde, maar niet hem die het voerde, en zijn hart brak van droefheid

bij dien aanblik.

Zij gingen toen naar Harlech en bleven daar zeven jaren luisterend

naar het gezang van Rhiannon's vogelen--"al de zangen die zij ooit

hadden gehoord, waren in vergelijking daarmee onaangenaam." Toen

gingen zij naar Gwales in Penvro en vonden een mooie en ruime zaal,

met het uitzicht op zee. Toen zij die binnentraden vergaten zij al het

verdriet van het verleden en al wat hun wedervaren was en zij bleven

daar tachtig jaren in vreugde en pret, terwijl het wonderlijke Hoofd

met hen sprak alsof het leefde. En barden noemen dit "het Onthaal van

het Edele Hoofd." Er waren drie deuren in de zaal en een er van die

naar Cornwallis en Aber Henvelyn was gekeerd, was gesloten, maar de

twee andere waren open. Toen de tijd was verstreken, zeide Heilyn,

zoon van Gwyn:

"Wee mij, als ik niet de deur open om te zien of waar is wat

gezegd werd." En hij opende de deur en onmiddellijk overvielen hun

herinnering en verdriet en zij vertrokken dadelijk naar Londen en

begroeven het Hoofd in den Witten Berg, waar het bleef totdat Arthur

het opgroef, want hij wilde dat het land alleen door den sterken arm

zou worden verdedigd. En dit was "de Derde Noodlottige Onthulling"

in Brittannië.

Aldus besluit dit woeste verhaal, blijkbaar vol mythologische

elementen, waartoe de sleutel lang verloren is geraakt. De trekken

van Noorsche wreedheid die er in voorkomen hebben sommige critici

doen vermoeden dat het zijn tegenwoordigen vorm kreeg onder den

invloed van de Noorsche of IJslandsche literatuur. Het karakter van

Evnissyen kan ongetwijfeld steun geven aan deze gissing. De typische

kwaadstoker komt natuurlijk in zuiver Keltische sagen voor, maar

gewoonlijk niet met den heldhaftigen trek die bij Evnissyen's einde

uitkomt, ook bereikt de Iersche "giftige tong" lang niet denzelfden

graad van demonische boosaardigheid.

Het verhaal van Pryderi en Manawyddan.

Na de gebeurtenissen in de vorige verhalen trokken Pryderi en

Manawyddan zich terug in het gebied van eerstgenoemde en Manawyddan

nam tot vrouw Rhiannon, de moeder van zijn vriend. Daar leefden

zij gelukkig en voorspoedig totdat op zekeren dag toen zij waren

op den Gorsedd, of Hoogte, bij Narberth, een donderslag werd

gehoord en er viel een dikke mist zoodat niets in de ronde kon

worden gezien. Toen de mist optrok, ziet, toen lag het land kaal

voor hen--geen huizen en menschen, vee en oogst was te zien, alles

was verlaten en onbewoond. Het paleis van Narberth stond er nog,

maar ledig en verlaten--niemand was overgebleven dan Pryderi en

Manawyddan en hun vrouwen Kicva en Rhiannon.

Zij leefden twee jaren van de voorraden die zij hadden en van de buit

die zij doodden en van wilden honing; en toen begonnen zij het moede

te worden. "Laat ons naar Lloegyr [234] gaan", zeide toen Manawyddan

"en het een of andere werk zoeken om in ons onderhoud te voorzien". En

zij gingen naar Hereford en vestigden zich daar, en Manawyddan en

Pryderi begonnen zadels en tuigen te maken en Manawyddan versierde die

met blauw email, zooals hij dat geleerd had van een groot ambachtsman,

Llassar Llaesgywydd. Na eenigen tijd echter, toen de andere zadelmakers

van Hereford merkten dat niemand ander werk wilde koopen dan dat van

Manawyddan, spanden zij samen om hem te dooden. En Pryderi had met

hen willen vechten, maar Manawyddan vond het beter ergens anders heen

te gaan en aldus geschiedde.

Zij vestigden zich nu in eene andere stad, waar zij schilden

maakten, zooals men nooit gezien had, en ook hier werden zij door

de concurreerende handwerkslieden verdreven. Hetzelfde geschiedde

nog in een andere stad, waar zij schoenen maakten; en ten slotte

besloten zij naar Dyfed terug te gaan. Zij hielden hun honden bij

zich en leefden als tevoren van de jacht.

Eens joegen zij een wit everzwijn op en zetten het te vergeefs

na totdat het hen voerde naar een groot en hoog kasteel, geheel

nieuw gebouwd op een plek waar zij nooit te voren een gebouw hadden

gezien. Het zwijn liep het kasteel binnen, de honden volgden en,

tegen den raad in van Manawyddan, die wist dat er tooverij in het

spel was, ging Pryderi naar binnen om de honden te halen.

Hij vond in het midden van het binnenplein een marmeren fontein en

daarnaast stond op een marmeren plaat een gouden kom. Getroffen door

de rijke bewerking van de kom, pakte hij die op om ze te bekijken;

hij kon zijn hand niet wegtrekken en geen enkel geluid voortbrengen,

maar bleef daar als aan den grond genageld en stom naast de fontein.

Manawyddan ging terug naar Narberth en vertelde Rhiannon wat er

gebeurd was. "Een slecht makker zijt gij geweest", zeide zij, "en een

goed makker hebt gij verloren". Den volgenden dag ging zij zelf het

kasteel doorzoeken. Zij vond Pryderi nog altijd de kom vasthoudend

en niet in staat te spreken. Nu greep ook zij de kom, waarna haar

hetzelfde lot trof, en onmiddellijk daarna kwam een donderslag en er

viel een dikke mist en toen die optrok was het kasteel verdwenen met

al wat het bevatte, met inbegrip van de twee betooverden.

Manawyddan keerde nu terug naar Narberth, waar nu nog alleen Kicva,

Pryderi's vrouw, was overgebleven. En toen zij zag dat zij en

Manawyddan alleen waren, "was zij zoo bedroefd, dat het haar niet

schelen kon of zij leefde of stierf". Toen Manawyddan dat zag, zeide

hij tot haar: "Gij doet verkeerd zoo bedroefd te zijn, indien dat

uit vrees voor mij is. Ik verzeker u, dat al ware ik in den bloei

der jeugd ik den trouw jegens Pryderi zou bewaren en dat zal ik ook

jegens u". "De Hemel beloone u", zeide zij, "en ik had dat van u

verwacht". En nu vatte zij moed en was blijde.

Kicva en Manawyddan trachtten nu opnieuw zich te onderhouden door

in Lloegyr schoenen te maken, maar dezelfde vijandelijkheid dreef

hen terug naar Dyfed. Ditmaal echter nam Manawyddan een vracht

tarwe mede en hij zaaide die en maakte drie velden gereed voor een

tarwe-oogst. Zoo verging de tijd tot de velden rijp waren. En hij

keek naar een er van en zeide: "Dat zal ik morgen maaien". Maar toen

hij vroeg in den grauwen dagraad kwam, vond hij niets dan stroo--elke

aar was van de schacht afgesneden en meegenomen.

Den volgenden dag geschiedde hetzelfde met het tweede veld. Maar

den daarop volgenden dag wapende hij zich en hield de wacht bij

het derde veld om te zien wie kwam plunderen. Te middernacht toen

hij waakte hoorde hij een groot geraas, en ziet, een talrijk heir

van muizen kwam het veld overstroomen; elk klom op een schacht en

knabbelde aan de aren en ging er mee van door. Boos joeg hij ze weg,

maar zij vluchtten veel sneller dan hij kon loopen, alle op eén na,

die langzamer in haar bewegingen was; hij slaagde er in die in te

halen, bond haar in zijn handschoen, nam ze mee naar Narberth en

vertelde Kicva wat er was gebeurd. "Morgen", zeide hij, "zal ik den

dief dien ik heb gepakt, ophangen", maar Kicva achtte het beneden

zijn waardigheid wraak te nemen op een muis.

Den volgenden dag ging hij naar den Berg van Narberth en stelde op het

hoogste punt twee palen op voor een galg. Terwijl hij daarmede bezig

was, kwam een arme scholier naar hem toe, en hij was de eerste mensch

dien Manawyddan in Dyfed had gezien, zijn eigen makkers uitgezonderd,

sedert de betoovering begon.

De scholier vroeg hem wat hij ging doen en verzocht hem de muis los

te laten. "Het past een man van uw rang weinig zulk een kruipend dier

aan te raken." "Ik zal haar niet los laten, bij den Hemel", zeide

Manawyddan en hij bleef daarbij, hoewel de scholier hem een pond bood,

om haar vrij te laten. "Het kan mij niet schelen", zeide de scholier;

"maar ik zou een man van stand niet gaarne zulk een kruipend dier

zien aanraken" en dit zeggende vervolgde hij zijn weg.

Terwijl Manawyddan bezig was den kruisbalk te plaatsen op de twee palen

van zijn galg, kwam een priester aanrijden op een getuigd paard en nu

volgde hetzelfde gesprek. De priester bood drie pond voor het leven

van de muis, maar Manawyddan weigerde er geld voor te nemen. "Het is

goed, heer, doe wat gij wilt", zeide de priester, en ook hij ging heen.

Toen deed Manawyddan een strik om den hals van de muis en was op het

punt die op te trekken, toen hij een bisschop hem zag naderen met

een groot gevolg van vrachtpaarden en dienaren. En hij hield op en

vroeg des bisschops zegen. "De zegen des Hemels zij met u", zeide de

bisschop; "wat waart gij doende?" "Een dief op te hangen", antwoordde

Manawyddan. De bisschop bood zeven pond, "liever dan een man van

uw stand een zoo gemeen kruipend dier te zien ombrengen." Manawyddan

weigerde. Toen werd hem vierentwintig pond geboden, en toen het dubbele

daarvan, toen al de paarden en het reisgoed van den bisschop--alles te

vergeefs. "Daar gij het daarvoor niet doen wilt", zeide de bisschop,

"zeg dan voor welken prijs gij wilt." "Dat wil ik doen", zeide

Manawyddan; "ik wil de vrijheid van Rhiannon en Prideri." "Die zult

gij hebben", zeide de (gewaande) bisschop. Daarna vraagt Manawyddan dat

de betoovering voor altijd van de zeven Gebieden van Dyfed zal worden

weggenomen en hij dringt er ten slotte op aan, dat de bisschop hem

zal zeggen wie de muis is en waarom de betoovering over het land was

gebracht. "Ik ben Llwyd, zoon van Kilcoed", antwoordde de toovenaar,

"en de muis is mijn vrouw; ware zij niet zwanger, gij zoudt haar

nooit hebben ingehaald." Hij geeft vervolgens een verklaring die ons

terugvoert tot de eerste _Mabinogi_ van de Bruiloft van Rhiannon. Het

land was betooverd geworden om het kwaad te wreken Llwyd's vriend,

Gwawl zoon van Clud, aangedaan, met wien de vader van Pryderi en

zijn ridders "Das in den zak" hadden gespeeld aan het hof van Hevydd

Hen. De muizen waren de edelen en de vrouwen van Llwyd's hof.

De toovenaar moet dan verder beloven, dat geen wraak meer zal worden

genomen op Pryderi, Rhiannon, of Manawyddan, en toen de twee betooverde

gevangenen terug waren gegeven, wordt de muis vrij gelaten. Toen raakte

Llwyd die met een tooverstaf aan en zij veranderde in een jonge vrouw

"de schoonste die men ooit zag." En rondkijkend zag Manawyddan het

geheele land bebouwd en bevolkt als in zijn besten staat, en vol

kudden en woningen. "Welke last," vraagt hij, "was Pryderi en Rhiannon

opgelegd?" "Pryderi heeft de kloppers van de poort van mijn paleis

om zijn nek gehad en Rhiannon de halsbanden van de ezels nadat zij

hooi hadden gedragen." En dat was hun last geweest.

Het verhaal van Math zoon van Mathonwy.

Het vorige verhaal was er een van tooverij en vizioenen, waarin het

mythologisch element slechts zwak is. Het verhaal echter waartoe we nu

komen, voert ons in een kennelijk mythologische sfeer. Het hoofdmotief

er van toont ons de Machten van het Licht in strijd met die van de

Onderwereld om de gewaardeerde bezittingen van deze laatste; in dit

geval een kudde tooverzwijnen. Bij het begin van het verhaal worden

wij voorgesteld aan de godheid Math, van wien de bard ons vertelt,

dat hij niet kon bestaan tenzij zijn voeten lagen in den schoot

van een maagd, behalve wanneer het land door oorlog wordt beroerd

[235]. Math wordt gezegd te zijn heer van Gwynedd, terwijl Pryderi

heerscht over de een-en-twintig gebieden van het zuiden. Bij Math

waren zijn neven Gwydion en Gilvaethwy zonen van Don, die voor hem in

het land rechtspraken, terwijl Math lag met de voeten in den schoot

van de schoonste maagd van het land en van haar tijd, Goewin dochter

van Pebin van Dol Pebin in Arvon.

Gwydion en de zwijnen van Pryderi.

Gilvaethwy werd smoorlijk verliefd op Goewin en vertrouwde het

geheim toe aan zijn broeder. Gwydion nam op zich hem te verschaffen

wat hij begeerde. Hij ging dus op zekeren dag tot Math en vroeg van

hem vergunning zich tot Pryderi te begeven en van hem te vragen als

geschenk, voor Math, een kudde zwijnen hem geschonken door Arawn Koning

van Annwn. "Het zijn beesten," zeide hij, "zooals men die te voren op

dit eiland niet kende... hun vleesch is beter dan dat van ossen." Math

heette hem te gaan en hij en Gilvaethwy vertrokken met tien makkers

naar Dyfed. Zij gingen naar het paleis van Pryderi als barden vermomd

en Gwydion werd, na te zijn onthaald aan een maal, verzocht het hof

een verhaal te doen. Na iedereen met zijn voordracht in verrukking

te hebben gebracht vroeg hij de zwijnen ten geschenke. Maar Pryderi

had zich tegenover zijn volk verbonden ze noch te verkoopen, noch

weg te geven voordat zij in het land het dubbel van hun getal hadden

voortgebracht. "Maar gij kunt ze toch ruilen," zeide Gwydion, en door

tooverkunsten bracht hij in een vizioen twaalf prachtig opgetuigde

paarden en twaalf jachthonden en gaf die aan Pryderi en maakte zich

zoo gauw hij kon met de zwijnen uit de voeten, "want," zeide hij tot

zijn makkers, "het vizioen zal niet langer duren dan van dit uur tot

hetzelfde uur morgen."

Wat beoogd was kwam te gebeuren--Pryderi viel in het land om zijn

zwijnen terug te krijgen, Math trok gewapend tegen hem op en Gilvaethwy

greep de gelegenheid aan en maakte Goewin tot zijn vrouw, hoewel zij

onwillig was.

Dood van Pryderi.

De oorlog werd beslist door een tweegevecht tusschen Gwydion

en Pryderi. "En door kracht en geweld en door de tooverkunst en

bezweringen van Gwydion, kwam Pryderi om. En te Maen Tyriawc, boven

Melenryd, werd hij begraven en daar is zijn graf".

De boete van Gwydion en Gilvaethwy.

Toen Math terugkeerde vernam hij wat Gilvaethwy had gedaan en hij

nam Goewin tot zijn koningin, maar Gwydion en Gilvaethwy werden

vogelvrij verklaard en woonden aan de grenzen van het land. Ten

slotte kwamen zij bij Math om hun straf te ondergaan. "Gij kunt mijn

schande niet goed maken, daargelaten de dood van Pryderi", zeide hij,

"maar nu gij hier gekomen zijt om u aan mijn wil te onderwerpen,

zal ik onmiddellijk met uw straf beginnen". En hij veranderde hen in

herten, met het bevel over een jaar terug te komen.

Zij kwamen op den bepaalden tijd en brachten een jong hert mee. En

het jonge hert werd in menschelijke gedaante gebracht en gedoopt, en

Gwydion en Gilvaethwy werden in wilde zwijnen veranderd. Aan het eind

van het volgend jaar kwamen zij terug met een jong, waarmede geschiedde

zooals te voren met het jonge hert, en van de broeders werden wolven

gemaakt. Weer verstreek een jaar; zij kregen hun menschelijken aard

terug en Math gaf bevel dat zij zouden worden gewasschen en gezalfd

en rijk gekleed zooals het betaamde.

De Kinderen van Arianrod: Dylan.

Nu rees de vraag van de aanstelling van een nieuwe maagd als

voet-houdster en Gwydion stelt zijn zuster Anrianrod voor. Zij maakt

tot dat doel haar opwachting en Math vraagt haar of zij maagd is. "Ik

weet niet anders heer, dan dat ik het ben", zegt zij. Maar zij schoot

te kort bij een tooverproef door Math opgelegd en bracht twee zonen

ter wereld. Een dezer werd Dylan "Zoon van den Golf" genoemd, blijkbaar

een Kimbrische zee-godheid. Onmiddellijk nadat hij was gedoopt "sprong

hij in zee en zwom zoo goed als de beste visch.....Onder hem brak nooit

een golf". Een wilde poëzie der zee omgeeft zijn naam in legenden uit

Wales. Toen hij stierf, men zegt door de hand van zijn oom Govannon,

schreiden alle golven van Brittannië en Ierland om hem. Het geraas van

den in vallenden vloed bij de monding der rivier Conway wordt nog de

"doodszucht van Dylan" genoemd.

Llew Llaw Gyffes.

Het tweede kind werd door Gwydion gegrepen en onder zijn bescherming

groot gebracht. Evenals andere zonne-helden, groeide hij zeer snel;

toen hij vier jaar telde, was hij zoo groot alsof hij acht was en het

bevalligste kind dat men ooit zag. Op zekeren dag nam Gwydion hem mee

om zijn moeder Arianrod te bezoeken. Zij haatte de kinderen waardoor

het onrechtmatige van haar aanspraken aan het licht was gekomen en

maakte Gwydion verwijten, omdat hij het kind voor haar bracht. "Hoe

heet hij?", vroeg zij. "Voorwaar", zeide Gwydion, "hij heeft nog geen

naam". "Dan leg ik hem dit lot op", zeide Anrianrod, "dat hij nooit een

naam zal hebben voordat ik hem dien geef". Waarop Gwydion in gramschap

heenging en hij bleef dien nacht in zijn kasteel te Caer Dathyl.

Hoewel het feit uit dit verhaal niet blijkt, moet men in het oog

houden, dat Gwydion, in de oudere mythologie, de vader is van

Arianrod's kinderen.

Hoe Llew aan zijn naam kwam.

Hij was besloten een naam te krijgen voor zijn zoon. Den volgenden

dag ging hij naar het strand beneden Caer Arianrod en nam den jongen

mee. Hier zette hij zich in een boot en als meester in de tooverkunst

gaf hij zich het uiterlijk van een schoenmaker en den jongen dat van

een leerling, en hij begon schoenen te maken uit rietgras en zeewier,

dat hij deed lijken op leer uit Cordova. Men berichtte Arianrod van

de verwonderlijke schoenen die een vreemde schoenlapper bezig was te

maken en zij zond haar maat om een paar te hebben. Gwydion maakte ze te

groot. Toen zond zij opnieuw en hij maakte ze te klein. Toen ging ze

zelf om te laten passen. Terwijl dit gebeurde, kwam een tuinkoninkje

op den mast van de boot zitten en de jongen nam een boog en schoot

een pijl af, die den poot doorboorde tusschen spier en been. Arianrod

bewonderde het mooie schot. "Voorwaar", sprak zij, "met een vaste

hand (_llaw gyffes_) mikte de leeuw (_llew_)". "Geen dank aan u",

riep Gwydion, "maar nu heeft hij een naam gekregen. Voortaan zal hij

Llew Llaw Gyffes heeten."

Zooals wij zagen beteekent de naam hetzelfde als het Galisch Lugh

Lamfada, Lugh (licht) met den Langen Arm; zoodat wij hier een voorbeeld

hebben van een legende die groeide om een verkeerd begrepen naam,

geërfd van een half vergeten mythologie.

Hoe Llew wapens droeg.

De schoenen werden onmiddellijk weer rietgras en zeewier, en

Arianrod, boos omdat zij er was ingeloopen, legde een nieuwen vloek

op den jongen. "Hij zal nimmer wapens dragen voor dat ik hem er mee

bedeel." Maar Gwydion ging met den jongen naar Caer Arianrod in de

gedaante van twee barden en wekte door tooverkunst het vizioen van

een aanval van gewapende mannen op het kasteel. Arianrod geeft hun

wapens om de verdedigers te helpen en vindt zich dus opnieuw door

Gwydion's grootere slimheid bedrogen.

Llew's Bloem-vrouw.

Toen zeide zij: "Hij zal nimmer een vrouw hebben van het ras dat

thans de aarde bewoont." Dit deed een moeilijkheid oprijzen die

zelfs Gwydion's macht te boven ging en hij begaf zich tot Math, den

oppersten meester in de tooverkunst. "Welnu", zeide Math, "wij zullen,

gij en ik samen, een vrouw voor hem zien te maken uit bloemen." En

zij namen de bloesems van den eik en de bloesems van de brem en de

bloesems van de spirea en vormden daaruit een maagd, zoo schoon en

bevallig als een man ooit zag. En zij doopten haar en gaven haar den

naam "Blodeuwedd of Bloem-gezicht." Zij trouwden haar met Llew en

gaven hem het Dinodig-gebied om over te heerschen, en daar woonden

Llew en zijn jonge vrouw een seizoen gelukkig en door allen bemind.

Llew verraden.

Maar Blodeuwedd was haar mooien naam en oorsprong niet waardig. Eens

toen Llew weg was voor een bezoek met Math, kwam een edele, genaamd

Gronw Pebyr, in de buurt van Llew's paleis jagen en Blodeuwedd beminde

hem van het oogenblik af dat zij hem zag. Dien nacht sliepen zij

samen en den volgenden en den daarop volgenden en toen beraamden

zij hoe voorgoed van Llew af te komen. Maar Llew is, evenals de

Gothische zonne-held Siegfried, onkwetsbaar, behalve onder bijzondere

omstandigheden en Blodeuwedd moet van hem te weten komen hoe hij kan

worden gedood. Zij doet dit, zorg voor zijn welzijn voorwendend. Het

is een lastig geval. Llew kan alleen worden gedood door een speer

waaraan een jaar is gewerkt en alleen gedurende de Offerande van de

Hostie op Zondagen. Verder kan hij niet worden gedood in of buiten

een huis, te paard of te voet. Het eenige middel is feitelijk, dat

hij met éen voet zal staan op een dooden bok, met den ander in een

ketel, die als bad wordt gebruikt met riet overdekt; wordt hij in deze

houding getroffen door een speer, gemaakt zooals werd aangegeven, dan

kan de wond noodlottig zijn, anders niet. Na een jaar, waarin Gronw

aan de speer had gewerkt, vroeg Blodeuwedd Llew haar duidelijker te

laten zien waartegen zij moest waken en om haar te believen nam hij

de vereischte houding aan. Gronw, die in een bosch in de buurt op den

loer was, slingerde de noodlottige speer en de kop, die vergiftigd was,

drong in Llew's lijf, maar de schacht brak. Toen veranderde Llew in

een arend en met een harden schreeuw steeg hij hoog op in de lucht

en werd niet meer gezien. En Gronw nam zijn kasteel en zijn landen

in bezit, die hij voegde bij zijn eigen.

De berichten hiervan kwamen ten slotte Gwydion en Math ter oore en

Gwydion maakte zich op om Llew te vinden. Hij kwam bij een zijner

vassallen, van wien hij vernam dat een zeug, hem toebehoorend, elken

dag verdween en niet te vinden was, maar geregeld elken nacht thuis

kwam. Gwydion volgde de zeug, en zij ging ver weg tot het meer sedert

dien genaamd Nant y Llew, waar zij onder een boom stil hield en begon

te eten. Gwydion wilde zien wat zij at en hij bevond dat het rottend

vleesch was, dat een adelaar hoog in den boom gezeten liet vallen

en het kwam hem voor dat de adelaar Llew was. Gwydion zong hem toe

en lokte hem gaandeweg den boom af, totdat hij bij zijn knie kwam,

toen sloeg hij hem met zijn tooverstaf en bracht hij hem weer in de

gedaante van Llew, maar tot vel en been uitgeteerd--"niemand zag ooit

een treuriger schouwspel."

Llew's genezing.

Toen Llew genezen was namen hij en Gwydion wraak op hun

vijanden. Blodeuwedd werd in een uil veranderd en gelast het daglicht

te schuwen, en Gronw werd gedood door den worp van een speer van Llew,

die door een steenen plaat ging om hem te bereiken, en de plaat,

met het gat er in door Llew's speer gemaakt, blijft tot op dezen

dag aan den oever van de rivier Cynvael te Ardudwy. En Llew nam voor

den tweeden keer bezit van zijn landen en regeerde voorspoedig zijn

leven lang.

De vier voorgaande verhalen worden geheeten de Vier Takken van de

Mabinogi en vormen het oudste en belangrijkste deel van de verzameling

genaamd het "Mabinogion."

De droom van Maxen Wledig.

De rij der verhalen in het "Mabinogion" volgende, zooals die in

Nutt's uitgave voorkomen, komen we nu tot een, dat zuiver fictie is,

zonder eenig mythisch of legendarisch element. Het verhaalt hoe Maxen

Wledig, Keizer van Rome, een levendigen droom had, waarin hij in een

vreemd land werd gevoerd, waar hij een koning zag op een ivoren stoel

gezeten, die met een stalen vijl uit een gouden stang schaakstukken

sneed. Naast hem zat, op een gouden troon, de schoonste maagd die

hij ooit had aanschouwd. Toen hij wakker werd was hij verliefd op de

droommaagd en hij zond overal boden heen om zoo mogelijk te weten te

komen welk land en volk hem waren verschenen. Zij bleken van Brittannië

te zijn. Maxen ging daarheen, vrijde naar de maagd en huwde haar. Bij

zijn afwezigheid werd zijn rijk te Rome door een overweldiger in bezit

genomen, maar met behulp van zijn Britsche vrienden heroverde hij zijn

gebied en velen hunner vestigden zich daar met hem, terwijl anderen

naar Brittannië terugkeerden. Dezen namen vreemde vrouwen mee, maar

sneden hun, zoo zegt men, de tong af, opdat zij de taal van de Britten

niet zouden bederven. Zoo oud en machtig was dus de toewijding aan

hun taal van de Kimbren, van wie de mythische bard Taliesin voorspelde:

"Hun God zullen zij loven,

Hun taal zullen zij houden,

Hun land zullen zij derven

Behalve woest Walia".

Het verhaal van Lludd en Llevelys.

Dit verhaal staat in verband met het vorige in de afdeeling getiteld

Romantische Britsche geschiedenis. Het verhaalt hoe Lludd, zoon

van Beli, en zijn broeder Llevelys, respectievelijk regeerden over

Brittannië en Frankrijk en hoe Lludd de hulp van zijn broeder inriep

om de drie plagen die het land teisterden tot staan te brengen. Deze

drie plagen waren: ten eerste de aanwezigheid van een demonisch ras

de Coraniërs geheeten; ten tweede een vreeselijke gil die in elk huis

in Brittannië den avond vóor Mei gehoord werd en de menschen geweldig

deed schrikken; ten derde het onverklaarbaar verdwijnen elken nacht

van alle voorraden in het hof des konings, zoodat niets dat niet

door de huishouding was gebruikt, den volgenden morgen kon worden

gevonden. Lludd en Llevelys bespraken deze dingen door een metalen

buis, want de Coraniërs konden alles hooren wat er gesproken werd,

wanneer de winden het eenmaal hadden opgevangen--een eigenschap die ook

werd toegeschreven aan Math, zoon van Mathonwy. Llevelys vernietigde

de Coraniërs door Lludd een aantal giftige insekten te geven,

die moesten worden gestampt en over het volk worden uitgestrooid,

bij een volksverzameling. Deze insekten zouden de Coraniërs dooden,

maar het volk van Brittannië zou er niet door worden aangetast. De

gil kwam volgens Llevelys van twee draken die elkaar eens in het jaar

bevochten. Zij moesten worden gedood, door hen dronken te maken met

mede, die moest worden gebracht in een kuil, gegraven precies in het

centrum van Brittannië--bij meting bleek dat te zijn te Oxford. De

voorraden, zeide Llevelys, werden weggenomen door een reus-toovenaar;

Lludd wachtte hem op, zooals hem was gelast, en overwon hem in een

gevecht en maakte hem voortaan tot zijn trouwen vazal. Aldus verlosten

Lludd en Llevelys het eiland van zijn drie plagen.

Arthur-verhalen.

Wij komen nu tot vijf Arthur-verhalen; een daarvan, dat van Kilhwch

en Olwen, is de eenige oorspronkelijke Arthur-legende die in de

literatuur van Wales tot ons is gekomen. De overigen zijn, zooals

we zagen, meer of minder weerspiegelingen uit de Arthur-literatuur,

door vreemde handen op het vasteland in woord gebracht.

Kilhwch en Olwen.

Kilwch was een zoon van Kilydd en diens vrouw Goleuddydd en, zoo

zegt men, een neef van Arthur. Toen zijn moeder was gestorven, nam

Kilydd een andere vrouw en zij, jaloersch op haar stiefzoon, legde hem

een tocht op die beloofde lang te duren en gevaarlijk te zijn. "Ik

verklaar", zeide zij, "dat het uw lot is"--de Galen zouden gezegd

hebben _geis_--"geen vrouw te zullen vinden voór gij Olwen krijgt,

dochter van Yspaddaden Penkawr". [236]. En Kilhwch bloosde bij den

naam en "liefde voor de maagd doortrilde zijn geheel lichaam". Op raad

van zijn vader begaf hij zich naar het Hof van Arthur, om te vernemen

hoe en waar hij haar zou kunnen vinden en naar haar hand dingen.

En nu wordt schitterend beschreven hoe de jongeling in den bloei zijner

schoonheid, op een edel ros met goud opgetuigd en vergezeld van twee

gestreepte hazewinden met witte borsten en kettingen van robijnen om

den nek, op reis ging naar Koning Arthur. "En de grashalm boog niet

onder hem, zoo licht was de tred van zijn ros."

Kilhwch aan het Hof van Arthur.

Na eenige moeilijkheden met den portier en met Arthur's hofmeester,

Kai, die den jongeling niet wilde toelaten, terwijl het gezelschap aan

den maaltijd zat, werd Kilhwch voor den Koning gebracht en hij zeide

wie hij was en wat hij wenschte. "Ik vraag die gunst," zeide hij,

"van u en ook van uwe krijgers," en hij noemt dan een ontzaglijke

lijst op vol mythologische personen en bijzonderheden--Bedwyr, Gwyn

ap Nudd, Kai, Manawyddan [237], Geraint en vele anderen, waaronder

"Morvran zoon van Tegid, tegen wien niemand vocht in den slag van

Camlan om reden van zijn leelijkheid; iedereen dacht dat hij een duivel

was," en "Sandde Bryd Angel, dien niemand in den slag van Camlan met

een speer aanraakte om zijn schoonheid; iedereen dacht dat hij een

dienende engel was." De lijst omvat vele twintigtallen van namen,

ook vele vrouwen, zoo, bijv. "Creiddylad de dochter van Lludd met

de Zilveren Hand--zij was de prachtigste maagd van de drie Eilanden

van de Machtigen en om haar vechten Gwythyr de zoon van Greidawl en

Gwyn de zoon van Nudd elken eersten Meidag tot den dag des oordeels,"

en de twee Isoldes en Arthur's Koningin Gwenhwyvar. "Al dezen riep

Kilydd's zoon Kilhwch aan om zijn gunst te verkrijgen."

Maar Arthur had nooit gehoord van Olwen of haar familie. Hij beloofde

naar haar te laten zoeken, maar na een jaar konden geen berichten over

haar worden ingewonnen en Kilhwch verklaarde dat hij zou vertrekken

en Arthur in schande verlaten. Ten slotte krijgen Kai en Bedwyr,

met den gids Kynddelig, last aan het zoeken te gaan.

Arthur's dienaren.

Deze personages zijn geheel verschillend van die welke met dezelfde

namen worden genoemd bij Malory of Tennyson. Kai, zoo heet het, kon

negen dagen onder water blijven. Hij kon zich, wanneer hij wilde,

zoo lang maken als een boom in het bosch. Zoo heet was zijn lijf,

dat niets dat hij in de hand droeg zelfs in den zwaarsten regen

nat kon worden. "Heel slim was Kai." Wat Bedwyr aangaat--de latere

Sir Bedivere--van hem wordt verteld, dat niemand hem evenaarde in

vlugheid en dat, hoewel eenarmig, hij op het slagveld drie krijgers,

welke dan ook, stond; zijn lans maakte een wond voor negen. Behalve

de drie gingen nog mee aan het zoeken Gwrhyr, die alle talen kende,

en Gwalchmai, zoon van Arthur's zuster Gwyar, en Menw, die, door

tooverkunsten, het geheele gezelschap onzichtbaar kon maken.

Custennin.

Het gezelschap reisde totdat zij kwamen aan een groot kasteel; er was

daar een kudde schapen met een herder die een kettinghond bij zich

had zoo groot als een paard. De adem van dezen herder, zoo heet het,

kon een boom doen verbranden. "Hij liet geen gelegenheid voorbijgaan

zonder kwaad te doen." Hij ontving het gezelschap echter goed,

vertelde dat hij Custennin was, broeder van Yspaddaden wiens kasteel

voor hen stond, en bracht hen in zijn huis bij zijn vrouw. De vrouw

bleek een zuster te zijn van Kilhwch's moeder Goleuddydd, en zij was

blijde haar neef te zien, maar het bedroefde haar dat hij Olwen kwam

zoeken, "want niemand kwam daar ooit levend van terug". Het schijnt

dat Custennin en zijn gezin veel geleden hebben van Yspaddaden--al

hun zonen op eén na waren gedood omdat Yspaddaden zijn broeder zijn

deel van het vaderlijk goed misgunde. Zij verbonden zich derhalve

met de helden in hun nasporingen.

Olwen met het Witte Spoor.

Den volgenden dag kwam Olwen naar het huis van den herder, zooals

gewoonlijk, want zij placht daar elken Zaterdag haar haren te

wasschen, en telkens wanneer zij dat deed liet zij al haar ringen

in de kom achter en liet ze nooit weer halen. Zij wordt beschreven

in een van die schilderachtige passages, waarin de Keltische passie

voor schoonheid zoo keurig uiting heeft gevonden.

"De maagd was gekleed in een gewaad van vlam-kleurige zijde en om

haar hals was een ketting van rood goud met kostbare smaragden en

robijnen er op. Haar hoofd was geler dan de bloem van de brem en

haar huid blanker dan het schuim van den golf, en blanker waren haar

handen en vingers dan de bloesems van de bosch-anemoon te midden van

het schuim van de weide-bron. Het oog van den afgerichten havik,

de blik van den valk na driemaal ruiën was niet helderder dan de

hare. Haar boezem was sneeuwiger dan de borst van den zwaan, haar

wang rooder dan de roodste rozen. Wie haar aanschouwde blaakte van

liefde voor haar. Vier witte klavers bloeiden op waar zij ook haar

voet neer zette. En daarom werd zij Olwen [238] genoemd".

Kilhwch en zij onderhielden zich samen en beminden elkaar en zij heette

hem haar van haar vader te vragen en hem niets te weigeren van hetgeen

hij zou vorderen. Zij had haar woord gegeven niet tegen zijn zin te

trouwen, want zijn leven zou slechts duren totdat zij was getrouwd.

Yspaddaden.

Den volgenden dag ging het gezelschap naar het kasteel en zag

Yspaddaden. Hij scheepte hen af met verschillende uitvluchten en toen

zij heen gingen slingerde hij hun een giftigen pijl achterna. Bedwyr

ving dien op en wierp dien terug, hem in de knie wondend en Yspaddaden

verwenschte hem in buitengewoon krachtige taal; de woorden schenen

te knetteren en te sissen als vlammen. Dit geschiedde drie malen en

ten laatste deelde Yspaddaden mee wat er moest worden gedaan om Olwen

te krijgen.

Wat Kilhwch werd opgelegd.

Dat was zeer veel. Een groote heuvel moet worden beploegd, bezaaid

en gemaaid in eén dag; alleen Amathaon zoon van Don kan dat en hij

wil niet. Govannon, de smid, moet het ploegijzer bij elk braakland

reinigen en hij wil dat niet doen. De twee bruine ossen van Gwlwlyd

moeten den ploeg trekken en hij wil ze niet leenen. Honing negen

maal zoeter dan die van de bij moet er zijn om mede te maken voor

het bruiloftsmaal. Een tooverketel, een toovermand waaruit elke

spijs komt die men begeert, een tooverhoorn, het zwaard van den reus

Gwrnach--dat alles moet worden verkregen; en vele andere geheime

en moeilijke dingen, zoowat veertig in het geheel, voordat Kilhwch

Olwen de zijne kan noemen. Het moeilijkst is de kam en schaar te

krijgen tusschen de ooren van Twrch Trwyth, een koning die in een

monsterachtig everzwijn is veranderd. Om het zwijn te jagen moeten een

aantal andere dingen worden volbracht--het welp van Geid zoon van Eri

moet worden gepakt en een zekere leeren riem om hem vast te houden en

een zekeren halsring voor den riem en een ketting voor den ring, en

Mabron zoon van Modron moet jager zijn en het paard van Gweddw moet

Mabon dragen, en Gwynn zoon van Nudd moet helpen, "dien God stelde

over het duivelengebroed in Annwn.... hij zal hun nooit afgestaan

worden", enz., zoodat de beroemde _eric_ (boete) van de zonen van

Turenn in vergelijking daarmede onbeteekend lijkt. "Moeilijkheden zult

gij ondervinden, en slapelooze nachten kennen bij het zoeken hiervan

(de prijs van de bruid) en als gij dien niet krijgt, zult gij ook mijn

dochter niet hebben". Kilhwch heeft slechts eén antwoord voor elken

eisch. "Het zal mij gemakkelijk vallen dit tot stand te brengen,

hoewel ge misschien denkt dat het niet gemakkelijk zal zijn. En ik

zal uw dochter krijgen en gij zult uw leven verliezen".

Zij gaan dus op weg om het werk te volbrengen en op hun weg naar

huis ontmoeten zij Gwrnach den Reus, wiens zwaard Kai, voorgevend een

zwaard-polijster te zijn, door een list vermeestert. Weer aan Arthur's

slot gekomen, vertellen zij den Koning wat zij te doen hebben en hij

belooft hun zijn hulp. Het eerste wonder dat zij verrichtten was het

ontdekken en bevrijden van Mabon zoon van Modron, "die zijn moeder

werd afgenomen, toen hij drie nachten oud was, en men weet niet waar

hij nu is, en of hij levend of dood is." Gwrhyr doet onderzoek naar

hem bij den Zwarten Lijster van Cilgwri, die zoo oud is, dat een

smid's aambeeld, waaraan hij gewoon was te pikken, tot de grootte van

een noot is afgesleten; maar hij heeft nooit van Mabon gehoord. Hij

brengt hen echter naar een nog ouder dier, het Hert van Redynvre,

en zoo verder naar den Uil van Cwm Cawlwyd en den Arend van Gwern

Abwy, en den Zalm van Llyn Llyd, het oudste van de levende dingen,

en zij vinden ten slotte Mabon gevangen in den steenen kerker van

Gloucester en, met de hulp van Arthur, verlossen zij hem en zoo is

dan de tweede taak vervuld. Op de een of andere manier, door list,

dapperheid, of tooverkunst wordt elk feit volbracht, tot het laatste

en gevaarlijkste, het verkrijgen van "het bloed der zwarte heks Orddu,

dochter van de witte heks Orwen, van Penn Nart Govid, aan de grenzen

der Hel." Het gevecht daar gelijkt zeer op dat van Finn in het hol

van Keshcorran, maar Arthur klooft ten slotte de heks in tweeën en

Kaw van Noord-Brittannië neemt haar bloed.

Zij maakten zich nu weer op naar het kasteel van Yspaddaden en hij

erkent zijn nederlaag. Goreu zoon van Custennin snijdt hem het hoofd

af en dien nacht werd Olwen de gelukkige vrouw van Kilhwch, en de

mannen van Arthur gingen uiteen, ieder naar zijn eigen land.

De droom van Rhonabwy.

Rhonabwy was een ruiter onder Madawc zoon van Maredudd, wiens

broeder Iorwerth in opstand tegen hem kwam; en Rhonabwy ging met

de troepen van Madawc om hem te onderwerpen. Zich met een paar

makkers in een kleine hut begevend om er den nacht door te brengen,

legt hij zich ter ruste op een geel kalfsvel bij het vuur, terwijl

zijn vrienden liggen op smerige legers van stroo en twijgen. Op

het kalfsvel heeft hij een wonderlijken droom. Hij ziet voor zich

het hof en het kamp van Arthur--hier de _quasi_-historische koning,

niet de legendaire godheid van het vorig verhaal, noch de Arthur van

de Fransche ridderverhalen--als hij zich begeeft naar den berg Badon

voor zijn groot gevecht met de heidenen. Zekere Iddawc voert hem naar

den Koning die lacht om Rhonabwy en zijn vrienden en vraagt: "Waar,

Iddawc, vondt gij deze kleine mannen?" "Ik vond hen daar ginder op

den weg." "Ik vind het jammer," zeide Arthur, "dat mannen van zulke

gestalte over het eiland heerschen, na de mannen die het vroeger

bezaten." De aandacht van Rhonabwy wordt gevestigd op een steen in

den ring des Konings. "Een van de eigenschappen van dien steen is,

dat hij u in staat stelt u te herinneren wat gij hier heden nacht

ziet; hadt gij den steen niet gezien, gij zoudt niet in staat zijn

geweest u iets daarvan te herinneren."

De verschillende helden en metgezellen, die Arthur's leger vormen,

worden uitvoerig beschreven met al de kleurigheid en fijnheid van

details die den Keltischen verteller zoo lief zijn. De voornaamste

gebeurtenis die verteld wordt, is een schaakpartij van Arthur met

den ridder Owain zoon van Urien. Terwijl de partij aan den gang is,

plagen en storen de ridders van Arthur Owein's raven, maar, als Owein

zich beklaagt, zegt Arthur alleen: "Speel uw spel." Later winnen de

raven het en is het Owein's beurt Arthur te verzoeken op zijn spel

te letten. Toen nam Arthur de gouden schaakstukken en verpletterde

die tot stof in zijn hand en verzocht Owen zijn raven tot rust te

brengen, hetgeen geschiedde, en vrede heerschte weer. Rhonabwy, zoo

heet het, sliep drie dagen en nachten op het kalfsvel, voordat hij

uit zijn wonderlijken droom ontwaakte. In een epiloog wordt gezegd,

dat van geen bard wordt verwacht dat hij dit verhaal uit het hoofd

kent en zonder boek, "om de verschillende kleuren op de paarden, en

de vele wonderlijke kleuren van de wapens en van de wapenrustingen,

en van de kostbare sjerpen, en van de kracht-brengende steenen." De

"Droom van Rhonabwy" is veeleer een schitterende visioen uit het

verleden dan een verhaal in den gewonen zin van het woord.

De Vrouw van de Bron.

Wij hebben hier een reproductie in de taal van Wales van den

_Conte_, getiteld "Le Chevalier au lion" van Chrestien de Troyes. De

hoofdpersoon daarin is Owain zoon van Urien, die optreedt in een

karakter, den geest van de Keltische legende even vreemd als algemeen

op het vasteland voorkomend: dat van dolend ridder.

Kymon's avontuur.

In de inleiding wordt ons verteld dat Kymon, een ridder aan Arthur's

Hof, een vreemd en ongelukkig avontuur had. Uit rijden gaande om een

of andere ridderlijke daad te doen, kwam hij aan een prachtig kasteel,

waar hij gastvrij werd ontvangen door vierentwintig joffers, van wie

"de minst bekoorlijke bekoorlijker was dan Gwenhwyvar, de vrouw van

Arthur, wanneer zij er op haar bekoorlijkst uitzag bij de Offerande

op den Dag van de Geboorte, of bij het Paasch-feest". Bij hen was een

edelman, die, nadat Kymon had gegeten, vroeg wat hij wenschte. Kymon

vertelde dat hij zijn portuur zocht in het vechten. De heer van het

kasteel glimlachte en heette hem als volgt te doen: hij moest den weg

naar het dal inslaan en door het bosch gaan, tot dat hij kwam aan

een open ruimte met een hoogte in het midden. Op de hoogte zou hij

een zwarten man zien van een geweldige gestalte, met éen oog en éen

voet, die een groote ijzeren knots droeg. Hij was de boschwachter en

duizende wilde dieren, herten, slangen en al wat meer zouden om hem

aan het eten zijn. Hij zou Kymon wijzen wat hij zocht.

Kymon volgde den raad en de zwarte man wees hem een weg, die hem zou

voeren naar een bron onder een hoogen boom; daarnaast zou hij vinden

een zilveren kom op een marmeren plaat, Kymon moest de kom nemen en

die vol water op de plaat uitstorten, dan zou een hagel- en donderbui

volgen, daarna zou zich heerlijke muziek van zangvogels doen hooren,

en dan zou een ridder verschijnen in een zwarte wapenrusting, op

een koolzwart paard, met een zwarte wiek op zijn lans. "En als dat

avontuur u niet veel te stellen geeft, dan behoeft gij verder in uw

leven niet meer te zoeken".

Het karakter van de vertellingen van Wales.

Laat ons hier even stil staan, om er op te wijzen dat we

klaarblijkelijk zijn in de sfeer van de middeneeuwsche vertelling en

ver van die der Keltische mythologie. Misschien heeft het Keltische

"Land der Jeugd" in de verte die gebieden van schoonheid en mysterie

aan de hand gedaan, waarin de ridder van Arthur zich begeeft een

avontuur zoekend. Maar het landschap, de motieven, de gebeurtenissen,

zijn ten eenenmale verschillend. En hoe schoon zijn zij--hoe gedrenkt

in het tooverlicht der verdichting! De kleuren leven en gloeien,

het bosch ruischt ons in de ooren, de adem van dien lentetijd van

onze moderne wereld omgeeft ons, terwijl wij den eenzamen ruiter

volgen langs het grazige spoor in een onbekende wereld van gevaar

en heerlijkheid. Terwijl de verhalen van het vasteland in sommige

opzichten grooter zijn dan die uit Wales, rijker aan gedachten, dieper,

halen zij niet daarbij in de fijne artisticiteit waarmede het uiterlijk

voorkomen der dingen wordt weergegeven, de toover-atmosfeer volgehouden

en de lezer in steeds toenemende spanning stap voor stap wordt geleid

bij de ontwikkeling van het verhaal. Ook staan deze verhalen uit Wales

geen jota achter wat betreft den edelen en ridderlijken geest dien

zij ademen. Een mooier school van karakter en zeden is nauwelijks in

de literatuur te vinden. Hoe vreemd dat gedurende vele eeuwen deze

onvergelijkelijke schat in ons midden onopgemerkt bleef! En hoe groot

moet onze dankbaarheid zijn aan de ongenoemde barden wier brein dien

schiep, en aan de fijne hand die het eerst hem tot een bezit maakte

voor de gansche Engelsch sprekende wereld!

Nederlaag van Kymon.

Maar keeren wij tot ons verhaal terug. Kymon deed zooals hem gezegd

was, de Zwarte Ridder verscheen, zwijgend zetten zij hun lansen in

positie en vielen zij elkander aan. Kymon werd op den grond geworpen,

terwijl zijn vijand, zonder een blik op hem, de schacht van zijn

lans door den teugel van Kymon's paard haalde en daarmee wegreed

in de richting waarvan hij gekomen was. Kymon ging te voet naar

het kasteel terug, waar niemand hem vroeg hoe het hem was gegaan,

maar zij gaven hem een ander paard, "een donkerbruine telganger,

met neusgaten rood als vuur", waarop hij naar Caerleon terug reed.

Owain en de Zwarte Ridder.

Owain was natuurlijk geprikkeld door het verhaal van Kymon en den

volgenden morgen, bij het aanbreken van den dag, reed hij uit om

hetzelfde avontuur te zoeken. Alles ging zooals met Kymon, maar Owain

wondde den Zwarten Ridder zoo ernstig, dat deze zijn paard wendde en

vluchtte. Owain zette hem wild achterna. Zij kwamen aan een "groot en

prachtig kasteel." Zij reden over de ophaalbrug, waarvan de buitenste

slagboom viel toen de Zwarte Ridder er overheen ging. Maar zoo dicht

was Owain hem op de hielen dat de slagboom achter hem viel, zijn

paard in tweeën snijdend achter het zadel en hij zelf bleef gevangen

tusschen de buiten- en de binnenpoort van de ophaalbrug. Terwijl hij

in dezen hachelijken toestand verkeerde, kwam een meisje tot hem en

gaf hem een ring. Als hij dien droeg met den steen naar beneden en in

de hand geklemd, zou hij onzichtbaar worden en wanneer de dienaren van

den heer van het kasteel op hem afkwamen, moest hij hen ontwijken en

haar volgen. Zij deed dit, blijkbaar wetend wie hij was, "want als

vriend zijt gij de oprechtste, en als minnaar de meest getrouwe."

Owain deed zooals hem was gezegd en het meisje verstopte

hem. Denzelfden nacht hoorde men luide weeklagen in het kasteel--de

heer er van was gestorven aan de wond hem door Owain toegebracht. Kort

daarna kreeg Owain de meesteres van het kasteel te zien en hij werd

geheel vervuld van liefde tot haar. Luned, het meisje dat hem had

bevrijd, deed voor hem aanzoek bij haar en hij werd haar gemaal en

heer van het Kasteel van de Bron en al de bezittingen van den Zwarten

Ridder. En hij verdedigde daarna de bron met lans en zwaard, zooals

zijn voorganger had gedaan, en eischte van zijn verslagen tegenstanders

groote sommen als losgeld, die hij verdeelde onder zijn baronnen en

ridders. Aldus bracht hij drie jaren door.

Het zoeken naar Owain.

Na dien tijd reed Arthur, met zijn neef Gwalchmai en met Kymon als

gids, aan het hoofd van een troep uit om berichten aangaande Owain

in te winnen. Zij kwamen aan de bron en hier ontmoetten zij Owain;

men kende elkaar niet, omdat de helmen waren neergelaten. En eerst

werd Kai van het paard geworpen en toen Gwalchmai en Owain vocht en

na een poos werd Gwalchmai van zijn helm beroofd. Owain zeide: "Heer

Gwalchmai, ik kende u niet; neem mijn zwaard en mijn wapens." Toen

zeide Gwalchmai: "Gij, Owain, zijt de overwinnaar, neem gij mijn

zwaard." Arthur maakte hoffelijk een einde aan den twist, door beider

zwaarden te nemen en zij reden toen allen naar het Kasteel van de

Bron, waar Owain hen met groote blijdschap onthaalde. En hij ging

met Arthur terug naar Caerleon, zijn gravin belovend dat hij daar

slechts drie maanden zou blijven en dan terugkeeren.

Owain vergeet zijn vrouw.

Maar aan het Hof van Arthur vergat hij zijn liefde en zijn plicht en

hij bleef daar drie jaren. Toen die om waren kwam een edelvrouw op een

met goud opgetuigd paard aanrijden en zij zocht Owain en nam den ring

van zijn hand. "Dus", sprak zij, "zal geschieden met den bedrieger,

den verrader, den trouwelooze, den eerlooze en den onbezonnene." Daarop

wendde zij haar paard en vertrok. En Owain, verpletterd door schaamte

en wroeging, ontvluchtte de menschen en leefde in een woest land met

wilde beesten, totdat zijn lichaam uitteerde en zijn haar lang werd

en zijn kleeren wegrotten.

Owain en de leeuw.

Aldus veranderd en den dood nabij door ontbering en gebrek, werd hij

door zekere gravin (een weduwe) en haar dienstmaagden opgenomen en door

tooverbalsems herkreeg hij zijn kracht; en hoewel zij hem smeekten bij

hen te blijven, reed hij weer weg, verlaten woeste landen zoekend. Hier

vond hij een leeuw, die met een groote slang vocht. Owain doodde de

slang en de leeuw volgde hem en dartelde om hem heen, alsof hij een

hazewind was die hij had groot gebracht. En hij bezorgde hem voedsel

door herten te vangen, waarvan Owain een deel voor zich zelf kookte,

terwijl hij den leeuw de rest gaf; en het beest hield 's nachts de

wacht over hem.

Luned's bevrijding.

Owain vindt dan een gevangen meisje, dat hij hoort zuchten, hoewel

hij haar en zij hem niet kon zien. Op zijn vragen antwoordde zij

dat haar naam Luned was--zij was de dienares van een gravin wier

echtgenoot haar had verlaten, "en hij was de vriend die mij het liefst

was op de wereld." Twee pages van de gravin hadden hem belasterd,

en omdat zij hem verdedigde was zij veroordeeld te worden verbrand

indien, voordat een jaar om was, hij (namelijk Owain zoon van Urien)

niet was verschenen om haar te verlossen. En morgen zou het jaar om

zijn. Den volgenden dag ontmoette Owain de twee jongelingen die Luned

ter terechtstelling brachten en hij vocht met hen, overwon hen met

behulp van den leeuw, bevrijdde Luned en keerde terug naar het Kasteel

van de Bron, waar hij zich met zijn liefste verzoende. En hij nam

haar mee naar het Hof van Arthur, en zij was daar zijn vrouw zoo lang

zij leefde. Ten slotte komt een avontuur, waarin hij, nog altijd met

behulp van zijn leeuw, een zwarten reus overwint en vier-en-twintig

edele vrouwen bevrijdt, en de reus zweert zijn slechte leven af en

belooft zoo lang hij leeft een hospitium voor reizenden te houden.

"En van nu af aan bleef Owain aan het Hof van Arthur, zeer geliefd,

als hoofd van zijn huishouding, totdat hij met zijn volgelingen heen

ging; en deze waren het leger van driehonderd raven, die Kenverchyn

[239] hem had gelaten. En waar Owain ook met dezen ging, was hij

overwinnaar. En dit is het verhaal van de Vrouw van de Bron."

Het verhaal van Enid en Geraint.

In dit verhaal, dat schijnt te zijn gegrond op den "Erec" van

Chrestien de Troyes, is de hoofdzaak noch het mythologische, noch het

avontuurlijke, maar het sentimenteele. Hoe Geraint zijn liefste vond

en naar haar vrijde--zij de dochter van een groot heer, die slechte

tijden beleefde; hoe hij voor haar een steekspel hield met Edeyrn,

zoon van Nudd--een Kimbrische godheid herschapen in den "Ridder van den

Sperwer"; hoe hij, van zijn liefde voor haar geheel vervuld, zijn faam

en plicht begon te verwaarloozen; hoe hij de woorden verkeerd begreep,

die zij over hem heen mompelde toen zij meende dat hij sliep, en aan

haar trouw twijfelde; hoe onwaardig hij haar behandelde en in hoe

menige bittere proef zij haar liefde en trouw bewees--met dat alles

zijn Engelsche lezers zoo vertrouwd geraakt door Tennyson's "Enid,"

dat wij er hier niet bij behoeven stil te staan. In dit geval heeft

Tennyson het oorspronkelijke verhaal zeer op den voet gevolgd.

Graal-legenden: Het verhaal van Peredur.

Het verhaal van Peredur is van veel gewicht en beteekenis in verband

met den oorsprong van de Graal-legende. Peredur komt overeen met den

Perceval van Chrestien de Troyes, aan wien wij het oudst bestaande

gedicht over den Graal te danken hebben; maar deze auteur liet zijn

Graal-verhaal onvoltooid en wij vernemen nooit van hem wat de Graal

precies was, of waaraan hij zijn belangrijkheid ontleende. Wenden

wij ons om opheldering tot "Peredur," die ongetwijfeld een ouderen

vorm dezer legende voorstelt, dan worden wij teleurgesteld. Want

men zou "Peredur" kunnen noemen de Graal-geschiedenis zonder den

Graal [240]. De vreemde personages, voorwerpen en gebeurtenissen,

die de gewone omlijsting vormen voor het verschijnen van dezen

mystieken schat, zijn allen daar; wij ademen zelfs de atmosfeer

van het Graal-Kasteel; maar van den Graal zelf wordt heelemaal niet

gesproken. Het verhaal behandelt alleen de wraak door den held genomen

voor het dooden van een bloedverwant, en tot dat doel alleen worden

de geheimen van het Kasteel der Wonderen voor hem onthuld.

Bij het begin van het verhaal vernemen wij dat Peredur in de

beteekenisvolle positie verkeerde van een zevende zoon te zijn: wat in

deze wereld van mystieke vertelling wil zeggen: voorbestemd tot groote

en vreemde lotgevallen. Zijn vader Evrawc, een graaf uit het Noorden,

en zijn zes broeders waren gevallen in den strijd. Peredur's moeder,

een dergelijk lot voor haar jongste kind vreezend, had hem daarom groot

gebracht in een bosch, hem alle kennis onthoudend van ridderschap

of oorlog voeren en van dingen als strijdrossen of wapens. Hier

groeide hij op, in manieren en kennis een eenvoudig landman, maar

van verbazende lichaamskracht en werkzaamheid.

Hij gaat avonturen zoeken.

Op zekeren dag zag hij drie ridders aan den zoom van het bosch. Zij

waren alle drie van Arthur's Hof--Gwalchmai, Geneir en Owain. Verrukt

door den aanblik vroeg hij zijn moeder wat dat voor wezens waren. "Dat

zijn engelen, mijn zoon," zeide zij. "Voorwaar," zeide Peredur, "dan

wil ik gaan en met hen een engel worden." Hij gaat hun tegemoet en

verneemt weldra wat zij zijn. Owain legt hem vriendelijk uit hoe een

zadel, een schild, een zwaard, al de uitrustingen bij het oorlogvoeren

worden gebruikt; en Peredur pikte denzelfden avond een beenig, gevlekt

trekpaard op, en maakte het een zadel en tuig van twijgen gemaakt

en nagebootst naar wat hij had gezien. Ziende dat hij besloten was

uit te trekken op ridderlijke daden gaf zijn moeder hem haar zegen

en allerlei inlichtingen en ried hem het Hof van Arthur te zoeken;

"daar zijn de beste en de stoutste en de schoonste mannen."

Zijn eerste wapenfeit.

Peredur besteeg zijn Rozinant, nam als wapens een handvol stokken

met scherpe punten mee en reed naar het Hof van Arthur. Hier werd hij

door den hofmeester, Kai, ruw teruggewezen om zijn boersch voorkomen,

maar een dwerg en een dwergin, die een jaar aan het Hof waren geweest,

zonder daar een woord tot iemand te spreken, riepen: "Edele Peredur,

zoon van Evrawc; 's Hemels welkom zij u gebracht, bloem der ridders

en licht der ridderschap." Kai bestrafte de dwergen, omdat zij het

zwijgen verbraken met het huldigen van een kerel als Peredur, en toen

deze wenschte voor Arthur te worden gebracht, heette hij hem eerst

een vreemden ridder te gaan bekampen, die zoo even het geheele Hof

had uitgedaagd door Gwenhwyvar een beker met wijn in het gezicht te

gooien, en tegen wien allen opzagen te strijden. Peredur begaf zich

onmiddellijk naar de plaats waar de woeste ridder snoevend op en neer

liep, in afwachting van een tegenstander, en in het gevecht dat nu

volgde doorboorde hij hem den schedel met een van zijn puntige stokken

en doodde hem. Toen kwam Owain naar buiten en vond Peredur, die zijn

gevallen vijand met zich sleepte. "Wat voert gij daar uit?" vroeg

Owain. "Die ijzeren bedekking," zeide Peredur "wil maar niet van hem

afkomen; tenminste niet zoo als ik het aanleg." Owain wees hem nu hoe

hij het pantser moest losmaken en Peredur nam het mee met de wapens

en het paard van den ridder en reed uit om nieuwe avonturen te zoeken.

Hier vinden wij het karakter van _der reine Thor_, de dappere en

reine onnoozele bloed, duidelijk en levendig geschilderd.

Nadat hij het Hof van Arthur verliet had Peredur vele gevechten

waarin hij gemakkelijk de overwinning behaalde; hij zond de verslagen

ridders naar Caerleon aan de Usk met de boodschap, dat hij hen had

verslagen ter eere van Arthur en in zijn dienst, maar dat hij, Peredur,

nooit weer aan het Hof zou terugkeeren voordat hij de beleediging

der dwergen op Kai had gewroken; deze werd diensvolgens door Arthur

gegispt, waarover hij zeer bedroefd was.

Het Kasteel der Wonderen.

Wij komen nu, wat de lezer onmiddellijk zal herkennen, in de sfeer

van de Graal-legende. Peredur kwam aan een kasteel naast een meer,

waar hij een eerwaardig man vond met dienaren om hem heen, die in het

meer vischten. Toen Peredur naderbij kwam, stond de bejaarde man op en

ging het kasteel binnen, en Peredur zag, dat hij kreupel was. Peredur

ging naar binnen en werd gastvrij ontvangen in een groote zaal. De

bejaarde man vroeg hem na afloop van het maal, of hij met het zwaard

wist om te gaan en beloofde hem alle ridderlijke kundigheden te leeren,

en "de zeden en gebruiken van verschillende landen en hoffelijkheid en

vriendelijkheid en een edele houding". En hij voegde er bij: "Ik ben

uw oom, uw moeder's broeder." Ten slotte heette hij hem weg te rijden

en er aan te denken, dat wat hij ook mocht zien dat hem verbaast,

hij niet naar de beteekenis er van moest vragen indien niemand zoo

heusch was hem te onderrichten. Dit is de proef van gehoorzaamheid

en zelfbeheersching waarover de rest van het avontuur loopt.

Verder rijdend, kwam Peredur aan een groot woest bosch, waarachter

hij een groot kasteel vond, het Kasteel der Wonderen. Hij ging

door de open deur binnen en vond een statigen grijzen man gezeten

in een groote zaal, met vele pages om hem heen, die Peredur waardig

ontving. Aan den maaltijd zat Peredur naast den heer van het kasteel,

die, toen zij gegeten hadden, hem vroeg of hij vechten kon met

een zwaard. "Als ik onderricht kreeg", zeide Peredur, "zou ik het

wel kunnen, denk ik." Toen gaf de heer van het kasteel Peredur een

zwaard en gelastte hem op een grooten ijzeren ring in den vloer te

slaan. Peredur deed dit en sneed den ring in tweeën, maar ook het

zwaard vloog in twee stukken. "Sluit de stukken aan elkaar", zeide de

lord. Peredur deed dit en zoowel zwaard als ring werden weer éen. Een

tweeden keer geschiedde datzelfde met denzelfden uitslag. Den derden

keer konden de stukken van zwaard en ring niet meer een geheel vormen.

"Gij zijt gekomen op twee derden van uw kracht", zeide de lord. Hij

vertelde daarop dat ook hij Peredur's oom was en broeder van

den lord van het meer, bij wien Peredur den vorigen nacht had

doorgebracht. Terwijl zij in gesprek waren kwamen twee jongelingen

in de zaal; zij droegen een geweldig groote speer, van wier spits

drie stroomen bloed op den grond vielen en al de aanwezigen begonnen,

toen zij dit zagen, met groot geschreeuw te jammeren en te weeklagen,

maar de lord sloeg er geen acht op en brak zijn gesprek met Peredur

niet af. Daarna kwamen twee meisjes binnen, die tusschen zich in

een groot blad droegen, waarop, te midden van een massa bloed, een

manshoofd lag. Daarop werd zelfs nog luider dan te voren gejammerd en

geweeklaagd. Maar ten slotte werd het stil en Peredur werd naar zijn

kamer gebracht. Gedachtig de aanmaning van den lord van het meer,

had hij geen verbazing aan den dag gelegd over hetgeen hij zag,

en ook niet gevraagd wat het beteekende. Hij reed nu weer uit om

andere avonturen te zoeken, die hij in overstelpende hoeveelheid

vond en die geen bijzonder verband houden met het hoofdthema. Het

mysterie van het kasteel wordt eerst op de laatste bladzijden van

het verhaal verklaard. Het hoofd op het zilveren blad was dat van

een neef van Peredur. De lans was het wapen waarmee hij was gedood

en waarmee ook de oom van Peredur, de lord van het meer, kreupel was

gemaakt. Deze dingen waren aan Peredur getoond, om hem te prikkelen

tot het wreken van het kwaad, en om zijn geschiktheid voor die taak

te toonen. De "negen toovenaressen van Gloucester" waren, zegt men,

zij, die de bloedverwanten van Peredur dat kwaad berokkenden. Toen hij

dat vernam viel Peredur, met hulp van Arthur, de toovenaressen aan,

die alle werden gedood, en de wraak was voltrokken.

De Conte del Graal.

Het verhaal van Chrestien de Troyes genaamd de "Conte del Graal,"

of "Perceval le Gallois," bracht de geschiedenis in de Europeesche

literatuur. Het werd geschreven omstreeks 1180. Het inleidend

gedeelte komt overeen met "Peredur," de held wordt hier Perceval

genoemd. Hij wordt in ridderlijke kundigheden opgeleid door een

ouden ridder Gonemans geheeten, die hem waarschuwt tegen te veel

praten en vragen te doen. Als hij komt aan het Kasteel der Wonderen

worden in de zaal gebracht een van bloed druipende lans, een "graal"

vergezeld van twee dubbelarmige kandelaars, waarvan het licht door

het schijnsel van den graal wordt overstraald, een zilveren schotel

en een zwaard; dit laatste wordt aan Perceval gegeven. Het bloedend

hoofd van het verhaal uit Wales verschijnt niet, ook wordt ons niet

verteld wat de graal was. Toen Perceval den volgenden dag uit reed,

ontmoette hij een meisje dat hem heftige verwijten deed, omdat hij

niet had gevraagd naar de beteekenis van hetgeen hij zag--had hij

dat gedaan dan zou de kreupele koning (hier dezelfde als de heer van

het Kasteel der Wonderen) weer beter zijn geworden. Perceval's zonde,

dat hij zijn moeder tegen haar zin verliet, was de reden dat hij werd

weerhouden van het stellen van de vraag, die de betoovering zou hebben

verbroken. Dit is een zeer pover brok vinding, want het was blijkbaar

Peredur's lot zich te wapenen en het Graal-avontuur te bestaan, en

hij beging geen zonde met dit te doen. Verder in het verhaal ontmoet

Perceval een afzichtelijk uitziende joffer die hem verwenscht omdat hij

verzuimde vragen te doen aangaande de lans en de andere wonderen--had

hij dat gedaan dan zou de koning weer beter zijn geworden en zijn land

in vrede hebben geregeerd, maar nu zullen maagden onteerd, ridders

gedood, vrouwen tot weduwen en kinderen tot weezen gemaakt worden.

Deze opvatting van de vraag-episode lijkt mij radikaal verschillend van

die welke werd aangenomen in de lezing van Wales. Het is kenmerkend

voor Peredur dat hij altijd doet zooals hem door de bevoegde macht

wordt voorgeschreven. De vraag was een proef van gehoorzaamheid

en zelfbeheersching en hij bestond die. In toover-literatuur

wordt nieuwsgierigheid dikwijls bestraft, bescheidenheid en

terughoudendheid nooit. Het verhaal uit Wales behoudt hier, dunkt

mij, den oorspronkelijken vorm der geschiedenis. Maar de Fransche

schrijvers beschouwden ten onrechte het niet stellen van vragen als

een fout van den held en bedachten een oppervlakkige en ongemotiveerde

theorie van de episode en haar gevolgen. Toch, vreemd genoeg, vond de

Fransche opvatting ingang in latere lezingen van het verhaal uit Wales

en zulk een lezing is die welke voorkomt in de "Mabinogion." Tegen

het eind van het verhaal ontmoet Peredur een afschuwelijke joffer,

wier schrikwekkend uiterlijk levendig wordt beschreven, en die hem

heftig gispt, omdat hij niet vroeg naar de beteekenis van de wonderen

op het Kasteel. "Hadt gij dat gedaan, de koning zou weer gezond zijn

geworden en in zijn land zou de vrede zijn teruggekeerd. Terwijl

hij van nu af gevechten en conflicten zal hebben te doorstaan, en

zijn ridders zullen omkomen, en vrouwen zullen weduwen worden en

meisjes zonder bruidschat worden achtergelaten, en dat alles door uw

schuld." Ik beschouw deze walgelijke joffer als klaarblijkelijk in

het verhaal van Wales te zijn geschoven. Zij kwam er in rechtstreeks

uit het geschrift van Chrestien. Dat zij niet oorspronkelijk behoorde

bij het verhaal van Peredur schijnt te blijken uit het feit, dat in

dat verhaal de kreupele lord, die Peredur vermaant zich van vragen

te onthouden, volgens haar juist de persoon is, die er bij zou hebben

gewonnen als hij het wel gedaan had. Feitelijk doet Peredur de vraag

nimmer en zij speelt geen rol in de ontknooping van de geschiedenis.

Chrestien's onvoltooid verhaal bericht van verdere avonturen van

Peredur en van zijn vriend en makker, den ridder Gauvain, maar geeft

nimmer een verklaring van de beteekenis der geheimzinnige dingen in het

kasteel gezien. Zijn voortzetters, van welke Gautier de eerste was,

berichten dat de Graal was de Beker van het Laatste Avondmaal en de

lans die welke bij de kruisiging Christus in de zijde had doorboord;

en dat Peredur ten slotte terugkeert naar het kasteel, de noodige

vraag doet en zijn oom opvolgt als heer van het kasteel en bewaarder

van de schatten ervan.

Wolfram von Eschenbach.

In de geschiedenis zooals die is gegeven door Wolfram von Eschenbach,

die omstreeks 1200 schreef--zoowat twintig jaar later dan Chrestien

de Troyes, met wiens werk hij bekend was--vinden wij een nieuwe en

eenige voorstelling van den Graal. Hij zegt van de ridders van het

Graal-Kasteel:

"Si lebent von einem steine

Des geslähte ist vîl reine....

Es heizet _lapsit [lapis] exillîs_,

Der stein ist ouch genannt der Grâl." [241]

Hij was oorspronkelijk uit den hemel gehaald door een vlucht engelen en

neergelegd in Anjou, als de waardigste streek om hem te ontvangen. De

werking er van wordt onderhouden door een duif die telkens op Goede

Vrijdag uit den hemel komt en op den Graal een gewijde hostie legt. Hij

wordt bewaard in het Kasteel van Munsalväsche (Montsalvat) en bewaakt

door vierhonderd ridders, die allen, met uitzondering van hun koning,

de gelofte der kuischheid hebben afgelegd. De koning mag trouwen,

en hem is dat zelfs, ten einde de opvolging te verzekeren, door den

Graal bevolen, die zijn boodschappen aan de menschen overbrengt,

door schrift dat er zichtbaar op wordt en dat verdwijnt wanneer het

is ontcijferd. Ten tijde van Parzival is Anfortas de koning. Hij kan

niet sterven in tegenwoordigheid van den Graal, maar hij lijdt aan

een wond die, omdat hij die kreeg door wereldschen trots en in het

najagen van verboden liefde, door den invloed van den Graal niet kan

worden geheeld voordat de voorbestemde verlosser de betoovering zal

verbreken. Dit had Parzival moeten doen door te vragen: "Wat schort u,

oom?" De Fransche lezing laat Parzival in nieuwsgierigheid te kort

schieten--Wolfram vat het te kort schieten op als een gebrek aan

sympathie. In elk geval schiet hij te kort en vindt den volgenden

morgen het kasteel verlaten en zijn paard voor hem gereed staand

bij de poort; als hij vertrekt wordt hij bespot door dienaren, die

aan de vensters van de torens verschijnen. Na vele avonturen, geheel

verschillend zoowel van die in Chrestien's "Conte del Graal", als in

"Peredur", vindt Parzival, die de maagd Condwiramur heeft gehuwd,

zijn weg terug naar het Graal-Kasteel--dat niemand bezoeken kan dan

die daartoe is voorbestemd en door den Graal zelf verkozen--verbreekt

de betoovering en heerscht over de Graal-gebieden, terwijl zijn zoon

Loherangrain de Ridder van den Zwaan wordt, die rond trekt om onrecht

goed te maken, en die, evenals alle Graal-ridders, zijn naam en afkomst

niet aan de buitenwereld mag openbaren. Wolfram vertelt, dat hij zijn

verhaal in hoofdzaak ontleende aan den Provençaalschen dichter Kyot

of Guiot--"Kyot, der meister wol bekannt"--die op zijn beurt--maar dit

is waarschijnlijk niets dan een romantische verdichting--beweerde het

verhaal te hebben gevonden in een Arabisch boek te Toledo, geschreven

door een heiden genaamd Flegetanis.

De voortzetters van Chrestien.

Wat precies het materiaal mag zijn geweest voor Chrestien de Troyes

kunnen wij niet zeggen, maar zijn verschillende mede-werkers en

voortzetters, in het bijzonder Manessin, staan allen stil bij het

Christelijk karakter van hetgeen Parzival in het kasteel werd vertoond,

en de vraag rijst: hoe kwam het aan dat karakter? Uit de geschiedenis

van Wales, stellig de meest verouderde vorm der legende, blijkt dat het

dit karakter niet van den beginne af had. Een aanwijzing in een van de

Fransche vervolgen op Chrestien's "Conte", kan dienen om ons op het

spoor te brengen. Gautier, de schrijver van dat vervolg, vertelt ons

van een poging van Gauvain (Sir Gawain) om het Graal-avontuur ten einde

te brengen. Hij slaagt ten deele en dit gedeeltelijk succes heeft ten

gevolge, dat de landen om het kasteel, die woest en onbebouwd waren,

weer bloeiend en vruchtbaar werden. Behalve zijn andere eigenschappen,

heeft de Graal dus een toovermacht om aanwas, rijkdom en verjonging

te bevorderen.

De Graal een talisman van overvloed.

Het karakter van een hoorn des overvloeds, een zinnebeeld en bewerker

van overvloed en levenskracht, is nauw met den Graal verbonden

in alle lezingen van de legende. Zelfs in de verhevenste en minst

wereldsche er van, de "Parzival" van Wolfram von Eschenbach, komt

dit sterk uit. Een zieke of gewonde die er naar keek kon niet binnen

de week sterven, ook konden de dienaren er van niet oud worden:

"al keek iemand er ook twee honderd jaar naar, zijn haar zou nimmer

vergrijzen." De Graal-ridders leefden er van, schijnbaar doordat hij

in alle soorten van spijs en drank het brood veranderde dat pages

hun aanboden. Elk had het voedsel dat hem leek, _à son gré_--van dat

woord _gré_, _gréable_ was de naam Gral, die in de Fransche lezingen

voorkwam, geacht te zijn afgeleid. [242] Alle wenschen werden er

door vervuld. In Wolfram's gedicht was de Graal, zooals wij zagen,

hoewel verband houdend met de H. Hostie, een steen, geen beker. Hij

komt dus voor als een overblijfsel van de oude steen-aanbidding. Het

is opmerkelijk dat een dergelijke Steen des Overvloeds ook voorkomt

in "Peredur", hoewel niet als een der mysteries van het kasteel. Hij

werd bewaakt door een zwarte slang, die Peredur doodde, en hij gaf

den steen aan zijn vriend Etlyn.

De Keltische ketel des overvloeds.

De lezer is nu algeheel vertrouwd geraakt met een voorwerp dat

het karakter heeft van een talisman van overvloed en verjonging in

Keltische mythen. Als Ketel van den Dagda kwam hij in Ierland met

de Danaans uit hun geheimzinnig tooverland. In legenden van Wales

kreeg Bran de Gezegende hem uit Ierland, waar hij weer terug kwam als

deel van Branwen's bruidschat. In een vreemd en mystisch gedicht van

Taliesin komt hij voor als behoorend tot den buit van 't Schimmenrijk

of Annwn, van daar meegebracht door Arthur, in een tragisch avontuur

waarvan overigens geen melding wordt gemaakt. Volgens Taliesin wordt

hij bewaard in Caer Pedryvan, het Kasteel van Pwyll; het vuur dat hem

verwarmde werd aangeblazen door den adem van negen maagden, de rand

was met paarlen bezet en het voedsel van een lafaard of meineedige

kon er niet op worden gekookt [243]:

"Ben ik niet een wien roem zal geworden, als zanger

In Caer Pedryvan viermaal te worden gehoord?

't Eerste woord van den ketel, wanneer werd het gesproken?

Door den adem van negen maagden werd hij zachtkens verwarmd.

Is het niet de ketel van den heerscher van Annwn? Hoe is

zijn gedaante?

Zijn rand is geheel in paarlen gevat.

Hij zal geen spijs koken van lafaard of meineedige.

Een hel oplaaiend zwaard zal tegen hem geheven worden,

En gelaten in de hand van Lleminawg.

En voor de deur van de poort van Uffern [244] brandde de lamp.

Toen wij gingen met Arthur--een schitterend bestaan--

Keerde geen, buiten zeven, van Caer Vedwyd [245] weer.

Nog vroeger vertegenwoordigt de ketel de Zon, die in de vroegste

Arisch-Indische mythen voorkomt als een gouden vat, dat licht,

warmte en vruchtbaarheid uitstort. De lans is het bliksemwapen van

den Dondergod, Indra, die in de Noorsche mythologie als de hamer van

Thor verschijnt. Het zoeken naar deze dingen beteekent dat men zich

den een of anderen goddelijken kampioen voorstelde als hersteller van

de heilzame opvolging der seizoenen, door de eene of andere tijdelijke

storing in de war gebracht, zooals deze nog in onze dagen hongersnood

en jammer over Indië brengen.

Nu hebben wij blijkbaar in "Peredur," het verhaal uit Wales, een

schets van het oorspronkelijke Keltische verhaal, maar de Graal komt

er niet in voor. Men mag evenwel aannemen uit Gautier's vervolg op

Chrestien's gedicht, dat een talisman van overvloed voorkwam in oude

lezingen van de legende op het vasteland, vermoedelijk Bretagne. In

éen lezing althans--die waarop Wolfram zijn "Parzival" bouwde--was

die talisman een steen. Maar in den regel zal het niet een steen

zijn geweest, maar een ketel of vat van den een of anderen aard,

bedeeld met de gewone eigenschappen van den tooverketel der Keltische

mythen. Dit vat werd in verband gebracht met een van bloed druipende

lans. Dit waren de suggestieve bestanddeelen waaruit een onbekende

zanger, in een oogenblik van inspiratie het oude verhaal van wraak en

verlossing omzette in de mystische vertelling die dadelijk hart en

ziel van de Christenheid vervulde. De tooverketel werd de beker van

het H. Avondmaal, de lans werd belast met een vreeselijker schuld

dan de dood van Peredur's bloedverwant [246]. Keltische poëzie,

Duitsche mystiek, Christelijke ridderlijkheid, en tooverbegrippen,

die nog hangen aan de ruwe steenen gedenkteekens van West Europa--dat

alles vereenigde zich om het Graal-verhaal te vormen en het die

zonderlingebekoring te geven die er toe leidde dat kunstenaar na

kunstenaar het gedurende zeven eeuwen herschiep. En wie kan nu

nog zeggen dat het eindelijk heeft uitgediend en dat de torens van

Montsalvat zijn opgegaan in den nevel waaruit zij te voorschijn kwamen.

Het verhaal van Taliesin.

Van de verhalen in de verzameling door Lady Charlotte Guest de

"Mabinogion" genoemd, wordt alleen het verhaal van de geboorte en

de avonturen van den mythischen bard Taliesin, den Amergin van

de Kimbrische legende, niet gevonden in het veertiende-eeuwsch

handschrift getiteld "Het Roode Boek van Hergest." Het is geput uit

een handschrift van het laatst der zestiende of zeventiende eeuw

en schijnt nooit in Wales zeer populair te zijn geweest. Veel van

de zeer duistere poëzie aan Taliesin toegeschreven kan men er in

vinden en dit is veel ouder dan het proza. Het doel van het verhaal

is trouwens, zooals Nutt heeft aangetoond in zijn uitgave van de

"Mabinogion," veeleer een soort van omlijsting te vormen teneinde

verspreide verzen toegeschreven aan Taliesin aan elkaar te rijgen,

dan een samenhangend verhaal over hem en zijn daden te vertellen.

De geschiedenis van de geboorte van den held is het belangwekkendst

van het verhaal. Daar leefde, zoo heette het, "in den tijd van Arthur

van de Tafelronde", [247] een man genaamd Tegid Voel van Penllyn,

wiens vrouw Ceridwen heette. Zij hebben een zoon genaamd Avagddu, die

de leelijkste man van de wereld was. Om zijn gebrek aan schoonheid te

vergoeden besloot zijn moeder een wijze van hem te maken. Daartoe nam

zij, in overeenstemming met de kunst van de boeken van Feryllt, [248]

haar toevlucht tot de groote Keltische bron van magischen invloed--een

ketel. Zij begon een "ketel van inspiratie en wetenschap voor haar

zoon te koken, opdat hij waardig zou worden ontvangen om zijn kennis

van de mysterieën van den toekomstigen staat der wereld." De ketel zou

een jaar en een dag niet mogen ophouden te koken en slechts in drie

droppels er van zou de tooverkracht van het brouwsel worden gevonden.

Zij stelde Gwion Bach, zoon van Gwreang van Llanfair, aan om in

den ketel te roeren, en een blinden man Morda geheeten, om het vuur

aan den gang te houden, en zij hield bezweringen over den ketel en

deed er tooverkruiden in van tijd tot tijd, zooals Feryllt's boek

voorschreef. Maar op zekeren dag tegen het eind van het jaar vlogen

drie droppels van het toovervocht uit den ketel en kwamen terecht op

Gwion's vinger. Evenals Finn mac Cumhal bij een dergelijke gelegenheid,

bracht hij zijn vinger in den mond, en hij werd daarop onmiddellijk met

bovennatuurlijk inzicht begiftigd. Hij begreep, dat hij had verworven

wat voor Avagddu was bestemd, en hij begreep ook dat Ceridwen hem er

voor zou ombrengen als zij kon. Hij vluchtte daarom naar zijn eigen

land, en de ketel, beroofd van de gewijde droppels, bevatte nu niets

dan vergif; door de werking daarvan barstte de ketel en het vocht liep

in een nabijen stroom en vergiftigde de paarden van Gwyddno Garanhir,

die van het water dronken. Vandaar dat de stroom van dien tijd af

heette het Vergif van de Paarden van Gwyddno.

Nu kwam Ceridwen voor den dag en zag dat haar werk van een jaar

verloren was. In haar woede sloeg zij Morda met een blok brandhout een

oog uit en zette toen Gwion Bach achterna. Hij zag haar en veranderde

zich in een haas. Zij werd een hazewind. Hij sprong in de rivier en

werd een visch en zij zette hem als otter achterna. Hij werd een vogel,

zij een havik. Toen veranderde hij zich in een graankorrel en viel

onder de andere korrels op een dorschvloer en zij werd een zwarte

hen en verslond hem. Negen maanden later baarde zij hem als kind;

en zij had het willen dooden, maar zij kon het niet omdat het zoo

schoon was: "Zij stopte het dus in een leeren zak en smeet den zak

in zee op God's genade."

De buitenkans van Elphin.

Nu had Gwyddno, de man van de vergiftigde paarden, een dam voor de

zalmvangst aan het strand tusschen Dyvi en Aberystwyth. En zijn zoon

Elphin, een arme onfortuinlijke knaap, vischte op zekeren dag den

leeren zak op, toen die tegen den dam dreef. Zij openden den zak en

vonden het kind er in. "Zie, welk een stralend gelaat!" [249] zeide

Gwyddno. "Hij zij Taliesin geheeten", zeide Elphin. En zij brachten

zeer voorzichtig het kind naar huis en voedden het op als hun eigen. En

dit was Taliesin, de eerste bard van de Kimbren; en het eerste gedicht

dat hij maakte, was een loflied op Elphin en een voorspelling van geluk

in de toekomst. En deze werd bewaarheid, want Elphin steeg dagelijks in

rijkdom en aanzien en in de genegenheid en de gunst van Koning Arthur.

Maar op zekeren dag dat Koning Arthur en al wat tot hem behoorde, boven

mate werden geroemd, pochte Elphin erop, dat hij een vrouw had even

deugdzaam als er maar een was aan Arthur's Hof, en een bard knapper dan

de barden des Konings; en hij werd in de gevangenis geworpen totdat zou

blijken, dat hij zijn pochen goed kon maken. En terwijl hij daar lag

met een zilveren ketting om de voeten, werd een verdorven kerel, Rhun

geheeten, gezonden om de vrouw van Elphin het hof te maken en bewijzen

mee te brengen van hare zwakheid; en men zeide, dat er geen maagd of

vrouw was met wie Rhun verkeerde, of er werd kwaad van haar gesproken.

Taliesin ried toen zijn meesteres zich te verstoppen, en zij gaf haar

kleeren en juweelen aan een van de keukenmeiden, die Rhun ontving

alsof zij de meesteres was van het huis. En na het avondeten diende

Rhun de meid drank toe en zij werd beschonken en viel in diepen slaap;

toen sneed Rhun een harer vingers af, waaraan de zegelring stak die

Elphin een poosje te voren aan zijn vrouw had gezonden. Rhun bracht

den vinger met den ring er aan naar Arthur's Hof.

Den dag daarop werd Elphin uit de gevangenis gehaald en men liet hem

den vinger met den ring zien, waarop hij zeide: "Met uw welnemen,

machtige Koning, ik ontken niet, dat de ring van mij is, maar de

vinger waaraan hij steekt was nooit van mijn vrouw. Want dit is

de pink en de ring past er precies aan, maar mijn vrouw kon hem

ternauwernood aan haar duim houden. En bovendien is mijn vrouw gewoon

elken Zaterdagavond haar nagels te knippen en deze nagel is zeker

niet in een maand geknipt. En ten derde, de hand waaraan deze vinger

hoorde heeft minder dan drie dagen geleden roggedeeg gekneed, maar mijn

vrouw heeft nooit roggedeeg gekneed sedert zij mijn vrouw is geweest."

Toen was de Koning boos, omdat zijn proef mislukt was en hij zond

Elphin naar de gevangenis terug, totdat hij kon bewijzen wat hij

omtrent zijn bard had beweerd.

Taliesin, de voornaamste bard van Brittannië.

Toen ging Taliesin naar het Hof en op een feestdag toen de barden

en minstreels des Konings voor hem zouden zingen, stak Taliesin,

toen zij hem, die rustig in een hoek zat, voorbijgingen, zijn lippen

vooruiten speelde "Blerwm, blerwm", met zijn vinger op den mond. En

toen de barden voor den Koning zouden optreden, ziet, toen was er een

betoovering over hen, en zij konden niets doen dan buigen voor hem en

spelen "Blerwm, blerwm", met hun vingers op de lippen. En hun hoofd

Heinin zeide: "O Koning, wij zijn niet dronken van wijn, maar stom

onder den invloed van den geest, die daar zit in gindschen hoek,

in de gedaante van een kind." Toen werd Taliesin voor den Koning

gebracht en men vroeg hem wie hij was en waar hij vandaan kwam. En

hij zong als volgt:

"Eerste der barden ben ik bij Elphin,

En het land mijner afkomst is het rijk der zomersterren;

Idno en Heinin noemden mij Merddin,

In 't eind zal mij ieder wezen noemen Taliesin.

"Ik was met mijn Heer in de hoogste sferen,

Toen Lucifer viel in de diepte der hel;

Ik droeg een banier voor Alexander uit;

Ik ken de namen der sterren van noord tot zuid.

"Ik was in Kanaan toen Absalom gedood werd,

Ik was in het hof van Don vóór de geboorte van Gwydion.

Ik was op de plaats der kruisiging van den barmhartigen

Zoon Gods;

Ik was tot driemaal toe in de gevangenis van Arianrod.

"Ik was in Azië met Noach in de ark,

Ik zag de verdelging van Sodom en Gomorrah.

Ik was in Indië toen Rome gebouwd werd.

Nu kwam ik hier naar wat van Troja [250] nog bleef.

"Ik was met mijn Heer in des ezels kribbe,

Ik sterkte Mozes door de wateren van den Jordaan;

Ik was in den hemel met Maria Magdalena;

Ik ontving de Muze uit den ketel van Ceridwen.

"Ik zal tot den jongsten dag zijn op het vlak der aarde;

En men weet niet of mijn lichaam vleesch is dan visch.

"Toen was ik negen maanden

In den schoot van de heks Ceridwen;

Ik was aanvank'lijk kleine Gwion,

En in 't eind ben ik Taliesin." [251]

Terwijl Taliesin zong, stak een groote storm op, en het kasteel trilde

door het geweld er van. Toen liet de Koning Elphin voor zich brengen

en toen hij kwam vielen, bij de muziek van Taliesin's stem en harp, de

kettingen van zelf van hem en hij was vrij. En vele andere gedichten

betreffende geheime dingen van verleden en toekomst zong Taliesin

voor den Koning en zijn edelen, en hij voorspelde dat de Saksers in

het land zouden komen en de Kimbren verdrukken, en hij voorspelde

ook dat zij heen zouden gaan wanneer de dag zou zijn gekomen.

Besluit.

We eindigen hiermede dit lange overzicht van de legendaire literatuur

der Kelten. De stof is zeer rijk en het is uit den aard der zaak

niet mogelijk in een boekdeel als dit meer te doen dan de voornaamste

strooming aan te wijzen van de ontwikkeling der legendaire literatuur

tot op den tijd, toen het mythische en legendaire element geheel

verdween en vrije literaire vinding daarvoor in de plaats kwam. De

lezer dezer bladzijden zal echter, naar wij hopen, een algemeen

begrip van het onderwerp hebben verkregen, dat hem zal in staat

stellen de beteekenis te begrijpen van verhalen, die wij hier niet

konden behandelen, en daaraan de hun passende plaats te geven in

een of ander van de groote cyclen van Keltische legenden. Men zal

opmerken, dat wij het uitgebreide gebied van de Keltische folk-lore

niet betraden. Folk-lore werd niet geacht te vallen binnen het kader

van dit werk. Folk-lore kan soms verbasterde mythologie geven,

soms mythologie in wording. In beide gevallen is het bijzondere

kenmerk er van dat ze behoort tot en komt van een klasse van menschen

wier dagelijksch leven hen in nauwe aanraking brengt met den grond,

werkers op het veld en in het bosch, die met eenvoudige oprechtheid, in

verhalen of door tooverformules hun indrukken weergeven van natuurlijke

of bovennatuurlijke machten, die hun eigen leven omringen. Mythologie

in den eigenlijken zin van het woord treedt eerst daar op waar

verstand en verbeelding tot een trap van ontwikkeling zijn gekomen,

hooger dan die gewoonlijk voor den boerengeest bereikbaar--waar de

mensch is begonnen zijn verspreide indrukken samen te vatten en den

aandrang heeft gevoeld daarvan dichterlijke scheppingen te maken,

die universeele begrippen weergeven. Natuurlijk wordt hiermee niet

beweerd, dat er altijd een scherpe grens kan worden getrokken tusschen

mythologie en folk-lore; toch lijkt het mij gegrond het onderscheid te

maken en ik heb getracht dat in deze bladzijden in het oog te houden.

Na de twee historische overzichten, waarmede onze verhandeling begon,

was het doel van het boek meer letterkundig dan wetenschappelijk. Ik

heb evenwel gepoogd, waar de gelegenheid zich voordeed, uitkomsten

mede te deelen van latere critische geschriften over de overblijfselen

van Keltische mythen en legenden, die althans kunnen strekken den

lezer aan te duiden den aard der critische problemen, die daarmee

samenhangen. Ik hoop, dat daardoor de waarde van het boek voor

den studeerende iets is verhoogd, terwijl het aan de attractie

er van voor den gewonen lezer geen afbreuk doet. Verder kan ik

in dien zin dit werk als wetenschappelijk laten gelden, dat het

zooveel mogelijk eenige aanpassing van de stof aan den populairen

smaak vermijdt. Zulk een aanpassing, wanneer ze geschiedt met een

uitgesproken artistiek doel, is natuurlijk volkomen gewettigd; ware

het anders, wij zouden de helft van de groote wereldpoëzie moeten

veroordeelen. Maar hier was het doel de mythen en legenden der Kelten

weer te geven zooals zij in de werkelijkheid zijn. Het ruwe is niet

weggedoezeld, pijnlijke of monsterlijke dingen zijn niet weggelaten,

behalve in enkele gevallen, waar het noodig was te bedenken, dat dit

boek zich richt tot een breeder kring dan die van wetenschappelijke

beoefenaars alleen. De lezer kan er, geloof ik, van verzekerd zijn,

dat hij hier heeft een in wezen onpartijdige en niet geïdealiseerde

voorstelling van den Keltischen kijk op het leven en de wereld, in

een tijd, toen de Kelt nog een vrij, onafhankelijk, natuurlijk leven

leidde, zijn opvattingen uitwerkte in de Keltische taal en niet meer

aan vreemde bronnen ontleende dan hij kon assimileeren en zijn eigen

maken. De aldus behandelde legendaire literatuur is de oudste niet

klassieke letterkunde van Europa. Dit geeft haar, dunkt mij, al op

zichzelf voldoende aanspraak op onze volle aandacht. Welke andere

aanspraken zij moge hebben, hierover zouden vele bladzijden kunnen

worden gevuld met aanhalingen uit de oordeelkundige lofuitingen er

aan toegekend door beoordeelaars niet van Keltische nationaliteit, van

Matthew Arnold af. Hier moge zij voor zichzelf spreken. Zij zal ons,

geloof ik, leeren dat, zooals Maeldun zeide van een van de wonderen,

die hij op zijn reis in het Tooverland ontmoette: "Wat wij hier zien

was het werk van machtige mannen."

Keltische Mythen en Legenden · 第 24 / 29 题