ARTHUR EN ZIJN MAGEN.

Anlawdd

|

+-------------+--------------+-----------+

| | |

Yspaddaden Custennin Kilwyd -+- Goleuddydd

| | |

Olwen +-----+-+-------+ Kilhwch--Olwen

| | |

Goreu Erbin Igerna -+- Uther Ben

| | (= Bran)

Geraint |

|

+-------+---------------+

| |

Arthur Lot --+-- Gwyar

(= Gwydion) (= Lludd) | (Gore, een

| oorlogsgodin)

|

+---------------+---+----------------------+

| | |

Gwalchmai Medrawt Gwalchaved

(Valk van Mei = (= Dylan,later (Valk van den Zomer,

Llew Llaw Gyffes, Sir Mordred) later Sir Galahad;

later Sir Gawain oorspronkelijk identisch

met Gwalchmai)

Gwyn ap Nudd.

De godheid Gwyn ap Nudd geheeten heeft, naar men zegt, evenals Finn

in de Galische legende [219], dieper en blijvender indruk op de

volksverbeelding in Wales gemaakt dan eenige andere godheid. Machtig

krijger en jager, vermeit hij zich in het gekraak van brekende speren,

en, evenals Odin, verzamelt hij de zielen van doode helden in zijn

donker rijk, want, hoewel hij behoort tot de familie der Licht-goden,

is het schimmenrijk zijn bijzonder domein. Het gevecht tusschen hem

en Gwythur ap Greidawl (Victor, zoon van den Schroeier) om Creudylad,

dochter van Lludd, dat elken Meidag wordt herhaald tot het eind der

tijden, beteekent blijkbaar den strijd tusschen winter en zomer om de

bebloemde en vruchtbare aarde. "Later," schrijft Squire, "werd hij

gehouden voor den Koning van de _Tylwyth Teg_, de feeën van Wales,

en zijn naam als zoodanig is nog niet geheel uitgestorven in zijn

laatste verblijfplaats, het romantisch dal van Neath.... Hij is de

wilde Jager van Wales in het Westen van Engeland en het is zijn jacht,

die soms in verlaten oorden des nachts wordt gehoord" [220]. Hij komt

voor als een god van oorlog en dood in een prachtig gedicht uit het

"Zwarte Boek van Caermarthen," waar hij wordt voorgesteld in gesprek

met een prins, Gwyddneu Garanhir geheeten, die zijn bescherming was

komen vragen. Ik haal eenige coupletten aan: men vindt het gedicht

in zijn geheel in Squire's voortreffelijk boek.

"Ik kom uit veldslag en strijdgewoel

Met een schild in de hand;

Mijn helm is in twee door de stooten der speren.

"Rond gehoefd is mijn paard, de schrik van den strijd,

Fairy [221] is mijn naam, Gwyn de zoon van Nudd,

Die Crewrdilad minde, de dochter van Lludd.

. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . .

"Ik ben geweest waar Gwendolen gedood werd,

De zoon van Ceidaw, de held van den zang,

Waar de raven krijschten boven bloed.

"Ik ben geweest waar Bran vermoord werd,

De zoon van Iweridd, wijd beroemd,

Waar de raven van het slagveld krijschten.

"Ik ben geweest waar Llacheu gedood werd,

De zoon van Arthur, geprezen in zangen,

Toen de raven krijschten boven bloed.

"Ik ben geweest waar Mewrig vermoord werd,

De zoon van Carreian, met eere bekend,

Toen de raven krijschten boven vleesch.

"Ik ben geweest waar Gwallawg vermoord werd,

De zoon van Goholeth, aan kundigheid rijk,

Die Lloegyr weerstond, den zoon van Lleynawg.

"Ik ben geweest waar Brittanje's strijdscharen verslagen

werden,

Van oost tot noord:

Ik ben het geleide van het graf.

"Ik ben geweest waar Brittanje's strijdscharen verslagen

werden,

Van oost tot zuid:

Ik ben in leven, zij des doods."

Myrddin, of Merlin.

Een godheid genaamd Myrddin neemt in Arthur's mythologischen cyclus

de plaats in van den Hemel- en Zonnegod, Nudd. Een van de Triaden

van Wales vertelt ons dat Brittannië, vóór dat het bewoond was,

_Clas Myrddin_ werd genoemd, Myrddin's gebied. [222] Dat herinnert

aan de Iersche gewoonte een geliefkoosde plek een "kooi van de zon"

te noemen--Deirdre geeft dien naam aan haar geliefd Schotsch thuis

in Glen Etive. Professor Rhys onderstelt dat Myrddin de godheid was,

die in het bijzonder werd vereerd te Stonehenge, dat volgens Britsche

overlevering, vermeld door Geoffrey van Monmouth, opgericht werd door

"Merlin," de toovenaar die de gedaante voorstelt waartoe Myrddin onder

Christelijke invloeden was ingekrompen. Wij vernemen dat het verblijf

van Merlin was een glazen huis, of een bosch bloeiende meidoorn, of

een soort rook of mist in de lucht, of "een gebied noch van ijzer,

of staal, of hout, of steen, maar van lucht zonder meer, door een

betoovering zoo machtig dat zij nooit kan worden ongedaan gemaakt

zoolang de wereld blijft bestaan" [223]. Ten slotte daalde hij

neer op het eiland Bardsey, "voorbij het uiterste meest westelijke

punt van Carnarvonshire.... hij ging met negen hem volgende barden

en nam met zich mee de "Dertien Schatten van Brittannië," die van

toen af voor de menschheid verloren waren." Professor Rhys wijst

er op dat een Grieksch reiziger Demetrius genaamd, die wordt gezegd

Brittannië te hebben bezocht in de eerste eeuw v. Chr., gewaagt van

een eiland in het westen, waar "Kronos" werd ondersteld gevangen te

zijn gehouden met de hem vergezellende godheden, terwijl Briareus de

wacht over hem hield in zijn slaap, "want slaap was de boei voor hem

gesmeed." Ongetwijfeld hebben we hier een lezing, gehelleniseerd zooals

de gewoonte was van klassieke schrijvers met barbaarsche mythen, van

een Britsch verhaal van het afdalen van den Zonnegod in de westelijke

zee en zijn gevangenneming daar door de machten der duisternis, met

de bezittingen en toovermachten behoorende aan Licht en Leven [224].

Nynniaw en Peibaw.

De twee personages, Nynniaw en Peibaw geheeten, die in de genealogische

tabel voorkomen, spelen een zeer kleine rol in de Kimbrische

mythologie, maar een verhaal waarin zij optreden, is op zich zelf

belangwekkend en heeft een uitmuntende moraal. Zij worden voorgesteld

[225] als twee broeders, Koningen van Brittannië, die op een helderen

sterrenacht samen wandelen. "Zie welk een mooi uitgestrekt veld ik

heb," zeide Nynniaw. "Waar is het?" vroeg Peibaw. "Daar omhoog en zoo

ver als je kunt zien," zeide Nynniaw, naar den hemel wijzend. "Maar zie

eens naar al mijn vee, dat op jou veld graast," zeide Peibaw. "Waar

is dat?" vroeg Nynniaw. "Al de gouden sterren," zeide Peibaw, "met

de maan als schaapherder." "Zij zullen niet grazen op mijn veld,"

riep Nynniaw. "En ik zeg dat zij dat wèl zullen doen," antwoordde

Peibaw. "Ik zeg neen." "En ik zeg ja." En zoo ging het door; eerst

twistten zij met elkander, toen voerden zij oorlog en legers werden

vernield en landen verwoest, totdat ten slotte de broeders in ossen

werden veranderd als straf voor hun domheid en twistzucht.

Keltische Mythen en Legenden · 第 23 / 29 题