[Noot 1: Een kleine stad in West-Vlaanderen.]
[Noot 2: De ridders droegen dit kleed over hun harnas. Het daalde
slechts tot bij de knieën en was zonder mouwen, van zijde of van gouden
laken gemaakt. De wapentekens en zinspreuken der ridder waren op hetzelve,
voor de borst, gewrocht.]
[Noot 3: Een ridder van die tijd had de volgende wapenrusting:--Een
ijzeren helm of stormhoed, met of zonder vederbos, een ijzeren harnas,
handschoenen van dassenleer, op het bovenste gedeelte met ijzeren schelpen
bedekt. IJzeren platen op benen en billen, een schild of beukelaar waarop
het wapen geschilderd was, een lange speer of lans en een groot slagzwaard
of een degen. Onder het harnas droeg hij een pantser, of wapenrok, zijnde
een hemd uit ijzeren ringen of maliën gevormd. Het paard was insgelijks met
brede platen op het lichaam gewapend.]
[Noot 4: Een korte dolk aan twee zijden scherp zijnde, en hebbende bij
het gevest een dwarse stang welke dezelve aan een kruis deed gelijken. De
lieden der goede steden of vrije burgers vermochten alleen dit wapen te
dragen.]
[Noot 5: Men bemerke dat ik de spelling der namen van Franse Heren
onveranderd heb gelaten. Dit is om de verwarring met de namen der Vlaamse
Edelen te vermijden.]
[Noot 6: De ridders droegen in die tijd slechts één spoor.]
[Noot 7: Zo heette men de landlieden die van een Heer afhanklijk waren.
De vrijlaten betaalden zekere tollen en hadden vrijheden en eigen
wethouders. Leenlaten, die een pachthoeve van de heer kregen, hem hiervoor
als onderdanen moesten gehoorzamen, en zich tot leenarbeid en tot het
opbrengen van zekere gelden moesten verplichten. Lijflaten, die met lijf en
have de heer toehoorden, en met de landerijen verkocht en verhandeld
werden. Men ziet dat deze de laagste stand des volks uitmaakten.]
[Noot 8: Charles, de tweede zoon van Philippe le Hardi, was Graaf van
Valois, van Alençon en van Perche. Hij ontving van zijn broeder, Philippe
le Bel, Koning van Frankrijk, het opperbevel over het Franse leger en
veroverde het land van Vlaanderen.]
[Noot 9: Breydel was Hoofddeken der beenhouwers in Brugge.]
[Noot 10: De stormegge was een tweede poort, welke in een groef of
schuif voor de eerste neerzakte. Zij was met lange ijzeren punten
voorzien.]
[Noot 11: Het slot Wijnendale is nu vervallen en ligt bij het dorp van
die naam, in de nabijheid van Torhout, West-Vlaanderen.]
2
[Noot 12: "Guy van Dampyere, die sone van den houden Willem van
Dampyere, die was die XXIIII Grave van Vlaenderen."
_Dits die excellente Cronike van Vlaenderen, f. °41._]
[Noot 13: "Eerst Robrecht van Nyvers (ook van Bethune) die welcke die
heleghe kercke vele profyts dede, in eenen wych in Apoelgen, daer hij doot
slouch den feilen viant van der helegher kercke Meinfroot."
_Die excellente Cronike._
Om de inborst dezer edele ridder te doen kennen is het nodig enige
aanhalingen te doen.
Charles d'Anjou, koning van Sicilië, willende ten oorloge trekken tegen
Manfried, die dit koninkrijk tegen de wil van de Paus bezat, vormde een
leger van bij de twintigduizend uitgelezen mannen, _en gaf het opperbevel
over dit heir aan Robrecht van Bethune,_ welke alsdan slechts achttien jaar
oud was. Enige tijd hierna verwon Charles d'Anjou de jonge Conradyn,
kleinzoon van de Duitse keizer Frederik. Charles willende zich van zulk een
doorluchtige vijand verlossen, besloot hem tot de dood te doen verwijzen.
Simonde de Sismondi, _Histoire des républiques italiennes,_ zegt: "Een
enkel rechter dorst het doodvonnis uitspreken, en de jonge Conradyn werd op
een schavot gebracht om het hoofd afgehouwen te worden.
De rechter die Conradyn tot de dood veroordeeld had, las het vonnis tegen
hem, als verrader der Kroon en vijand der Kerk. Hij eindigde juist en sprak
het doodvonnis uit, wanneer Robrecht van Vlaanderen, de eigen zwager van
Charles d'Anjou, zich op die valse rechter wierp en hem met zijn degen door
de borst stotende, riep: Het behoort u niet, ellendeling, zulke edele en
schone heer ter dood te verwijzen! De rechter viel dood in de
tegenwoordigheid des konings, en deze dorst zijn begunstigde niet wreken."
Meer andere feiten van Robrecht bewijzen dat hij met een verwonderlijke
moed bezield was, en dat men van hem zeggen mocht: hij had een leeuwenhart
in een ijzeren lichaam.]
[Noot 14: De geschiedkundige en heraldische bijzonderheden over die
jonge ridder zijn mij door mijn geleerde kunstvriend, de Heer Octave
Delepierre van Brugge, medegedeeld.]
[Noot 15: Het is schoon voor het Vaderland te sterven.]
[Noot 16: Een hakkenij is een klein paard dat zachtjes rent en
uitsluitelijk voor vrouwen bestemd was. Zo waren de dravers ook lichte
paarden, maar snel in de vlucht (Palefroi). De slagpaarden die men in de
oorlog gebruikte (destrier), waren groot en zwaar, gelijk de
brouwerspaarden in België nog zijn.]
[Noot 17: "Daeromme, die Grave Guy meenende den coninc te gelievene,
ten bevele van den coninc van Vranckerycke, sandt Phelippa zyne dochter
eerlicke te Parys waert met XXX camerieren, en Robrecht huer houdste
broeder voer mede met XXX oude rudders en joncheers, en Robrecht huer
broeder bi avontuere bleef buten Parys. Doen syn sustre Phelippa quam te
Parys, omme te gane tot den coninc voorseyt, ende si ten pallaeyse comende,
die coninghinne deedtse vanghen met alle huere cameryeren. en sciltcnapen;
ende Phelippa bleef in des conincs ghevanghenesse."
_Die excellente Cronike._]
[Noot 18: Enguerrand de Marigny, een Edelman uit Normandië, werd onder
Philippe le Bel kapitein van het paleis het Louvre, Minister der financiën
en gebouwen. Hij gebruikte zijn macht tot slechte daden, verkwistte 's
Rijks gelden, vervalste de munten en verarmde het volk door willekeurige
lasten.]
[Noot 19: Johanna, enige dochter van Henri I, koning van Navarra,
beërfde dit koninkrijk van haar vader en werd een der rijkste vorstinnen
hares tijds. Zij trouwde Philippe le Bel en verenigde door dit huwelijk
twee kronen op haar hoofd.]
[Noot 20: Om een ridder tot de strijd te dagen wierp men hem een
handschoen toe: indien hij dezelve opnam aanvaardde hij het gevecht, anders
hechtte men de handschoen op de deur zijner woning of aan een paal; opdat
ieder mochte zien dat hij uit lafheid het gevecht geweigerd had.]
[Noot 21: "Die slag werd des vrydags 26 february, 1266 geleverd;
Manfried verloor er de kroon en het leven."
_Simonde de Sismondi_]
[Noot 22: Een koninklijk paleis te Parijs dat zeer sterk was en ook tot
bewaarplaats der staatsgevangenen diende.]
[Noot 23: Een leen was het heerlijk goed dat een Edelman in bezit
hield, vandaar Leenheer, Leenman, leengoed, enz.]
[Noot 24: "ende die coninc sandt sinen broedere Kaerle van Valloys omme
Vlaenderen met vulder macht te regierene, ende comende te Brugge hy seyde
hy soude wel eenen soeten paeys maken, tusschen den coninc sine broeder
ende den lande van Vlaenderen. Kaerle de Valloys hy beloefde bi sinen
rudderschepe, den Grave Guy paeys te vererygene, up condicien dat hi wilde
gaen tot den coninc met vyftich van sinen edelen en Guy beloefdet te doen
en hi deit."
_Die excellente Cronike._]
[Noot 25: De bijzonderheden over de valkerij welke hier voorkomen, zijn
uit desaangaande werken getrokken.]
3
[Noot 26: Zo noemde men de oude zwervende dichters. De Abt Mussieu,
_Histoire de la poésie française_ zegt: "De eerste dichters hadden een
zwervend leven; wanneer zij een huisgezin hadden, namen zij hun vrouwen en
kinderen met zich; dewelke zich ook somtijds met het dichten bemoeiden;
want dikwijls rijmde het ganse huis, goed of slecht. Zij hadden in hun
gevolg lieden met goede stemmen en met speeltuigen om hun opstellen te
zingen. Dier wijze aanhoord, waren zij welkom in kastelen en paleizen,
vervrolijkten de maaltijden en vereerden de gezelschappen; maar bovenal
konden zij loftuitingen uitgalmen."]
[Noot 27: Eer het buskruit uitgevonden was, bestormde men de steden met
reuzenstaltige werktuigen. Men beukte tegen de muren met een bok of ram.
Dit was een allergrootste eiken balk welkers einde met een ijzeren
ramshoofd beslagen was; men hing die balk in evenwicht aan ketens of
touwen, en dezelve achteruit gehaald hebbende, liet men hem tegen de muur
aanstoten; en zo verdelgde men allengskens de vestingswerken der steden.
Ook had men hoge torens op wielen en met valbruggen voorzien; deze voerde
men tot tegen de muren en liet de brug van boven op de wal vallen om over
dezelve in de stad te lopen. Springalen waren werptuigen met dewelke men
somtijds vijftig lange pijlen ineens, op een verwonderlijke verte werpen
kon (_balistes_). Ook wierp men met een bijkans dergelijk werktuig zware
stenen in de steden (_catapulta_).]
[Noot 28: "Die Grave Guy was met S^{te} Lodewyc, coninc van
Vranckerycke, in Barbarye yegen die sarasynen, als Thunes, Cartagen,
Bourghe, te Massoire, daer hi hem vromelic hadde in fayten van wapenen."
_Die excellente Cronike._]
[Noot 29: Een stad in Frankrijk, op 18 mijl ten noorden Parijs en waar
de koningen hun Hof hielden. Zij bezat een sterk en prachtig kasteel, en
was bij een overgroot woud gelegen. De maagd van Orléans werd aldaar door
de Engelsen in 1430 gevangen.]
[Noot 30: "Dyt zyn die namen van den edelen mannen, tot vyftich toe,
dye met den Grave Guy naer Vrankerycke toghen: eerst
Guy Grave van Vlaenderen.
Robrecht Grave van Nyvers.
Willem Here van Nevel.
Joffroit Here van Croysieres.
Wouter Here van Maldeghem.
Boudin Here van Knesselare.
Dye Here van Steenhuyse.
Dye Here van Mortaengnen.
Here Willem Everbaert.
Heer Zegher van Cortrycke.
Dye Here van Nyeneve.
Heer Wouter van Houdenaerde.
Heer Jan van Heyne.
Here Wouter van Nevele.
Heer Jan van Heyle.
Here Roegaert van Ghistele.
Heer Phelips van Acxpoele.
Here Ryckaert Standaert.
Heer Boudin die jonge
Here van Huytkercke.
Heer Diederick dye Vos.
Dye Here van Ryveel.
Heer Boudin van Passchendale.
Here van Roubais.
Here Rase Mulaert.
Here van Bernaerdge.
Die Heere van Baudonnes.
Heer Guy van den Poele.
Here Jan van Thourout.
Heer Willem van Huusen.
Here Jan van Valenchyenes.
Heer Jan van Vlamerbeke.
Heer Wouter van Lovendeghem en
sine twee broeders.
Heere Gheraert die Moor.
Heere van Lanbois.
Here van Morteloy.
Heeere Jan Thoudebois.
Heere van Belle.
Heere van Beukemare.
Jan van Ghendt.
Twee poorters van Brugghe.