VAN ROBRECHT VAN BETHUNE DRIEËNTWINTIGSTE GRAAF VAN VLAANDEREN

Van de zestigduizend man die, om Vlaanderen te verwoesten, door Philippe le

Bel gezonden waren, ontvluchtten er slechts omtrent de zevenduizend, die in

aller ijl langs verschillende wegen op de Franse bodem zochten te geraken.

Guy de St.-Pol had er bij Rijsel vijfduizend in een bende vergaderd en

meende met dezelve in Frankrijk te trekken, maar, een gedeelte des Vlaamsen

legers hem aanvallende, werd hij in een bloedig gevecht verslagen en meest

al zijn mannen vonden daar de dood, die hen op het slagveld te Kortrijk had

gespaard. _De excellente Cronike_ zegt ons hoeveel Fransen in hun Vaderland

terugkeerden:--"_Ende van alle diere ontquamen en ontvloden mochten syn

ontrent drie duijsent mannen van alle der groter menichte, die daer

versaemt waren omme Vlaenderen al gheheel te niete te doene; ende die

mochten die nieumare dragen van haerlieder aventuere, die sober was._"

De bijzonderste Edelen, de dapperste ridders bleven voor Kortrijk dood,

derzelver getal was zo groot dat er, volgens de geschiedenis, geen slot,

geen heerlijkheid in Frankrijk was, waar men de rouw niet aannam, overal

werden er tranen over de dood eens echtgenoots, eens vaders of eens

broeders gestort, en het ganse land werd met klachten vervuld. Door de zorg

der Vlaamse Veldheren werden de gesneuvelde koningen en de doorluchtigste

Landheren in de abdij van Groeninge begraven, als blijkt uit een oud

schilderij, welke in de St. Michielskerk te Kortrijk nog bestaat; zij

draagt het volgende opschrift, door de heer P. Van Duyse ter plaatse

letterlijk afgeschreven:--"_Den slag van Groeninghe gehouden op den XIen

julius 1302 en wiert gheslegen op den Groninck Coutere daer de Audenarsche

straete deurgaet neffens de stede van Curterik, dit syn de namen van den

edelen die in den stryt verslagen en in 't clooster te Groeninghe begraven

waren.

"Eerst, de Coninck van Majorke: de Coninck van Meliden: dhertoge van

Coranen: dhertoge van Brabant: de Bisschop van Beauvais: de Grave van

Archois: de Prise van Aspermont: Jacob van Simpel: de Grave van Clermont:

de Prince van Champaingen: de Grave van Melli: de Grave van Trappe: de

Grave van Lingui: de Grave van Bonnen: de Grave van Henegauwe: de Grave van

Frison: de Grave de la Marche: de Grave van Bar: item zyn dry broeders de

Heere van Bentersam: de Heere van Wenmele: de Castelein van Rysele: de

Heere van Flines: Clarion des Coninck van Melidens broeder: Mher Jan van

Creky: de Heere van Van Merle: de Grave van Lingui in Barrois: de Heere van

Marloos: de Heere van Albemarke: des Bisschop van Beauvais broeder: de

Heere van Versen: de Heere van Rochefort: Mher Gillis van Olingy: de Heere

van Montfort: Godefroid's Graven van Bonnen broeder, en meer dan seven

hondert vergulden sporen._

_Godt sy alle gheloofvege sielen ghenaedich._"

Er bestaat in de boekzaal van de heer Goethals-Vercruyssen, te Kortrijk,

nog een steen, welke op het graf van Koning Sigis gelegen heeft, en, met

zijn wapentekenen, het volgende opschrift draagt--"_In 't jaer os Here

MCCCII up sente Benedictus dach in Hoymaent was de stryt te Curtruke. Onder

deze es gegraven de conync Sigis. Bidt Gode voor alle zielen. Amen

MCCCII._"

Boven de gouden vaten, kostelijke stoffen en rijke wapenen, vond men op het

slagveld zevenhonderd vergulde sporen, welke de Edelen alleen dragen

mochten, men hing dezelve met de gewonnen Standaarden aan het gewelf der

Vrouwekerk te Kortrijk, en daarvan werd het gevecht de slag der gulden

sporen genaamd. Enige duizenden paarden vielen ook in de macht der

Vlamingen, die dezelve in de volgende oorlogen met groot voordeel

gebruikten. Buiten de Gentpoort, op weinig afstand van Kortrijk, heeft men

in 1831, te midden van het gewezen slagveld, een kapel ter ere van

Ons-Lieve-Vrouw van Groeninge gebouwd, op het altaar leest men de namen der

gesneuvelde Franse Veldheren, en een der echte vergulde sporen is te midden

van het gewelf opgehangen. In Kortrijk werd die heugelijke dag alle jaren

door een openbare plechtigheid en door volksvermaken gevierd, de

gedachtenis dier feest is er tot heden toe in een kermis, welke men

vergaderdagen noemt, overgebleven. Ieder jaar, in de maand juli, gaan de

arme lieden van huis tot huis de oude klederen vragen om dezelve te

verkopen, gelijk men in 1302 met de rijke buit gedaan heeft, door een

vioolspeler vergezeld, begeven zij zich naar de Pottelberg, de oude

legerplaats der Fransen, en vermaken zich daar tot het einde van de dag.

De tijding van het verlies des legers in Frankrijk komende bedreef men

grote rouw aan het Hof, Phihppe le Bel ontstak in woede tegen zijn gemalin

Johanna, wier boosheid de schuld dier onheilen was. Hij verweet haar dit

met bittere woorden, gelijk Lodewyk van Velthem, een dichter die in die

tijd leefde en alsdan zijn rijmkroniek (_Spiegel historiael_) schreef, met

de volgende woorden verhaalt:

Doe werp die coninc haer in den scoet

Ene letter van bloede roet.

Want be die die se screef

Ontfoer daer Artois doet bleef

Met groter smarten doorwont

En wat verder:

Hi seidte doe Coninginne Vrouwe!

Maniert u selven in uwen rouwe

Haddes u te voren bedacht;

Dit heb di al selve toebracht;

Gi ne dorvet niemand anders tien

Dan u selven wildy's lien!

Men vindt, in de meeste Franse geschiedboeken, Johanna van Navarra geheel

anders dan kwaadaardig afgeschetst. De Fransen met hun nationaal karakter,

dat ik zeer loffelijk acht, verschonen licht de ondeugden hunner Vorsten

(wanneer zij dood zijn) maar de waarheid is in onze kronieken te tastbaar

om aan de hatelijke inborst van Johanna te twijfelen.

De Wethouders van Gent allen Leliaards zijnde, en denkende dat Philippe le

Bel in allerhaast een nieuw leger naar Vlaanderen zou afzenden, wilden hun

poorten gesloten houden om de stad zolang aan de Fransen te bewaren, zij

werden welhaast door de Gentenaren over dit verraderlijk inzicht gestraft.

Het volk liep te wapen, Wethouders en Leliaards werden vermoord en de

voornaamste Burgers brachten de sleutels der stad aan de jonge Gwyde, wie

zij een eeuwige trouw toezwoeren.

Onderwijlen kwam Jan Graaf van Namen, broeder van Robrecht van Bethune,

naar Vlaanderen en nam het bewind des lands in handen, hij vormde met haast

een nieuw en machtiger leger om aan de Fransen te kunnen wederstaan, en

bracht de Besturen der steden in orde. Zonder zijn benden langer te laten

rusten trok hij voor Rijsel, hetwelk zich na enige stormlopingen overgaf,

van daar naar Douai trekkende won hij insgelijks die stad en nam de

bezetting krijgsgevangen, de stad Kassel gaf zich ook op zekere voorwaarden

over. Nog enige andere sterke plaatsen de Fransen ontnomen hebbende, en

ziende dat er geen nieuwe vijanden uit Frankrijk kwamen, zond Jan van Namen

het grootste gedeelte zijns legers naar huis en behield slechts enige

keurbenden van ervaren krijgsknechten.

Het land was gerust en de koophandel begon opnieuw te bloeien, met betere

hoop op een goede oogst werden de verwoeste landen weder bezaaid, en het

scheen dat Vlaanderen een nieuw leven, een nieuwe kracht verkregen had men

dacht met enige reden dat Frankrijk nu genoeg geleerd was, gelijk Van

Velthem zingt

Wacht u vort van selken spele,

Ghi Fransoyse syt heir onteert,

Ghi syt anderwerven geleert

Philippe le Bel had inderdaad niet veel lust om de oorlog weer aan te

vangen, maar de roep om wraak, welke uit al de delen van Frankrijk zich

deed horen, de klachten der ridders wier broeders voor Kortrijk gesneuveld

waren, en bovenal de aanhitsing der wraakzuchtige Koningin Johanna, deden

hem eindelijk tot de krijg overhellen. Hij vergaderde dan een leger van

80.000 man, in hetwelk zich bij de 20.000 ruiters bevonden, echter was

hetzelve op verre na zo aanzienlijk niet als het eerste dat hij verloren

had, vermits het nu meest gehuurde of gedwongen soldaten waren. Het

Opperbevel werd aan Louis Koning van Navarra gegeven, deze moest, eer hij

slag leveren zou, Douai en de andere Franse grenssteden uit de handen der

Vlamingen zoeken te verlossen. Dit leger naar Vlaanderen komende sloeg zijn

tenten op twee uur van Douai, bij Vitry, in het veld neer.

Zodra men in Vlaanderen vernomen had dat er een Frans leger gevormd werd,

liep de schreeuw "Te wapen! te wapen!" door het ganse land, nooit zag men

zulke geestdrift, uit alle steden, uit de minste dorpen kwamen grote hopen

volks met allerlei wapens toegelopen, men ging al zingend en vol vreugde

naar de vijand, in dier voege dat Jan van Namen, vrezende dat de

levensmiddelen zouden ontbreken, er een groot getal terugzenden moest. Die

welke als Leliaards bekend waren, willende hun vorig gedrag doen vergeten,

smeekten dringend om hun bloed voor het Vaderland ten bewijze hunner

bekering te vergieten, hetgeen hun dan ook met blijdschap werd toegestaan.

Onder Jan van Namen, de Veldheer, bevonden zich meest al de ridderen die

zich in de slag te Kortrijk hadden doen kennen: de jonge Gwyde, Willem van

Gulik, Jan van Renesse, Jan Borluut, Pieter Deconinck, Jan Breydel en meer

anderen. Adolf van Nieuwland, nog niet van zijn ziekte hersteld zijnde, kon

die tocht niet bijwonen.

Die macht in verscheidene benden verdeeld zijnde, trokken de Vlamingen tot

op twee mijlen van de vijand en namen daar hun standplaats, weinig tijds

daar gelegen hebbende togen zij voort tot tegen de rivier de Scarpe, bij

Flines, zij gingen dagelijks de Fransen tot de strijd beroepen, doch mits

de Veldheren, zowel de Vlaamse als de Franse, de strijd schenen te

ontwijken werd er niets uitgericht. De oorzaak van de stilstand was dat Jan

van Namen, de verlossing zijns vaders en zijns broeders willende bemerken,

boden naar Frankrijk gestuurd had om te zien of men de vrede met Philippe

le Bel niet zou kunnen treffen. Het schijnt dat men bij het Franse Hof over

de voorwaarden het niet eens worden kon, want de boden bleven weg, en men

kreeg slechts ongunstige antwoorden.

Het Vlaams leger begon te morren en wilde, ondanks het verbod van de

Veldheer, tegen de Fransen strijd leveren, dit duurde zo lang en de wil der

benden deed zich zo ernstig gevoelen, dat Jan van Namen gedwongen werd over

de Scarpe te trekken om de vijand aan te vallen. Er werd een brug op vijf

schuiten over de rivier gelegd en het Vlaams leger, verheugd omdat men ging

strijden, toog zingend en vol blijdschap erover, maar er kwam een

twijfelachtig nieuws van Franknjk, hetwelk hen nog enige dagen wederhield.

Eindelijk wilden de benden zich in gener wijze stilhouden en gaven ernstige

blijken van oproer. Alles werd dan tot de aanval bereid gemaakt en de

Vlamingen trokken op tegen de Fransen, dezen de slag niet durvende wagen,

braken hun leger haastig op en togen in wanorde af. De Vlamingen vielen de

vluchtende Fransen op het lijf en versloegen er een aanzienlijk getal,

voortgaande namen zij het kasteel van Harne, waar de koning van Navarra de

legerstapel gesteld had. De voorraad, de tenten, en alles wat het Franse

leger met zich gebracht had, verviel in de handen der Vlamingen. Daarna

hadden nog enige geringe gevechten plaats, welkers gevolg was dat de

Fransen, met schande overladen, tot diep in Frankrijk verjaagd werden, zo

zingt onze vaderlandse Dichter Van Duyse met recht ter dier gelegenheid.

Triumf, myn Vaderland! roem roem der vaedren daden,

Onsterflyk groenen uwe aloude lauwerbladen,

De Faem vermeldt uw' roem aen 't gansch vieroordig rond

Blyft zoo verheerlykt tot der wereld avondstond!

De Vlaamse Veldheren, ziende dat men de vijand in het open veld niet meer

te bestrijden had, dankten het leger ten dele af en bewaarden slechts

genoeg mannen, om aan de bezettingen der Franse grenssteden het roven en

branden te beletten.

Uit het stedeken Lessines, op de palen van Henegouwen, vielen dagelijks

hopen soldeniers op de Vlaamse bodem en deden veel kwaad aan de inwoners

ten platten lande. Jan van Namen dit vernemende trekt met enige benden

derwaarts, bestormt, verovert en verbrandt Lessines, hetwelk de Graaf van

Henegouwen behoorde.

Ondertussen trekt Willem van Gulik met de ambachten van Brugge en van

Kortrijk naar St.-Omer om die stad de Fransman te ontnemen. Daar gekomen

zijnde wordt hij door de Franse ruiterij, die veel sterker in getal was,

met onstuimigheid aangetast; geen uitkomst ziende schikt hij zijn mannen in

een kring en verweert zich totdat de duisternis hem toelaat achteruit te

wijken, en dus een gewisse nederlaag te ontgaan. Enige dagen later kwam Jan

van Namen van Lessines terug bij Willem, hetgeen hun te saam gevoegde macht

tot 30.000 man sterk maakte. Het Franse leger aanvallende sloegen zij

hetzelve op de vlucht en hakten de vijandige benden aan stukken.

Men begon St.-Omer te bestormen, alle dagen werd de stad met een ongewone

moed langs verschillende zijden aangevallen, doch, de bezetting zeer sterk

zijnde, werden de belegeraars dikwijls met verlies van veel volks

afgedreven; dit belette hun echter niet een menigte zware stenen over de

wallen te werpen en de huizen grotelijks te beschadigen: er werden ook veel

inwoners van St.-Omer in de straten onder de stenen verplet. De Fransen

voor de behoudenis der stad vrezende, en willende een krachtige poging

doen, brachten al de Burgers te wapen en bekwamen bij dit middel een

aanzienlijke krijgsmacht, welke zij in twee lichamen verdeelden. Des

nachts, wanneer een ondoordringbare duisternis de velden overdekte, gingen

zij bedektelijk uit de stad en legden de helft van hun macht in een dicht

bos, dat ter zijde der Vlaamse legerplaats stond; het andere gedeelte toog

tot bij het kasteel van Arcques, hetwelk insgelijks door de Vlamingen

belegerd was. Bij het rijzen der zon begon de aanval bij Arcques, met

zoveel geweld dat de Vlamingen zich dus verrast ziende, meenden te

vluchten, doch de stem hunner Veldheren gaf hun de moed weder; zij dreven

de Fransen achteruit en de zege scheen naar hun zijde te hellen, totdat een

grote bende ruiterij, hun langs achter op het lijf vallende, bij de eerste

schok verscheidene gelederen overhoop wierp, en de Vlamingen na een

hardnekkige strijd uiteen en op de vlucht gedreven werden.

Het andere gedeelte des Vlaamsen legers onvoorziens door de in het bos

verborgen soldaten aangevallen zijnde, schikte zich met haast in slagorde

en toog zonder wanorde achteruit; wellicht zouden zij zonder groot verlies

ontkomen zijn, maar een beklagelijk ongeluk moest de oorzaak van hun

nederlaag worden. Bij de rivier de Aa gekomen zijnde begaven zij zich, in

zo groot getal en zo dicht ineengesloten, op de brug, dat dezelve, het

gewicht van zoveel mensen niet kunnende dragen met ijslijk gekraak in de

rivier stortte. Het geschreeuw, het gehuil dergenen die gepletterd in het

water vielen, bracht de verslagenheid onder de Vlaamse benden, die nog vóór

de rivier stonden; zonder op de stem der Oversten te luisteren begaven zij

zich op de vlucht en liepen verward van het slagveld. Die nederlaag kostte

de Vlamingen bij de vierduizend man.

Jan van Namen en Willem van Gulik ziende dat de vijand, om hun verlaten

legerplaats te gaan plunderen, opgehouden had hen te vervolgen, vergaderden

de vluchtelingen zo zij best konden, en hun de schande dier nederlaag onder

het oog gelegd hebbende, spraken zij hun de begeerte tot een spoedige

weerwraak in het hart. Dan tot de vijand wederkerende verrasten zij hem,

bezig zijnde met de legerplaats te roven, en vielen hem met een groot

geschreeuw onvoorziens op het lijf; de meeste plunderaars werden verslagen

en de anderen in de stad gedreven, alzo behielden de Vlamingen hun

goederen, met de zege van die dag.

Terwijl men tegen Frankrijk een langdurige en weinig beduidende oorlog

voerde was Zeeland, door afsterven, zonder heer geworden. Willem van

Henegouwen wilde dit land in bezit nemen, voorgevende dat het hem door

erfrecht toebehoorde; de zonen van de Graaf van Vlaanderen maakten

insgelijks aanspraak op die eigendom. Jan van Namen rustte met haast een

vloot uit en landde met een Vlaams leger op het eiland Cadzand; na een

gering gevecht vervolgde hij zijn tocht naar Walcheren, bij ter Vere, dat

zich overgaf. Willem van Henegouwen had insgelijks een leger te been

gebracht en kwam met hetzelve in Zeeland, alwaar hij de slag aan Jan van

Namen kwam bieden. De Vlamingen verwonnen hem in een vreselijk gevecht en

sloegen hem op de vlucht tot bij Arnemuiden. Willem van Henegouwen, daar

enige verse hulpbenden vindende, vergaderde zijn verstrooid leger en trok

opnieuw tegen de Vlamingen; maar ditmaal was zijn nederlaag nog

schriklijker, want hij werd genoodzaakt op het eiland Schouwen te vluchten.

Korts hierop veroverden de Vlamingen de stad Middelburg met nog vele andere

steden. Dit bracht Willem van Henegouwen tot een tijdelijk bestand, bij

hetwelk het grootste gedeelte van Zeeland aan de Vlamingen werd afgestaan.

Philippe le Bel vergaderde onderwijl een machtig leger om zich over de slag

van Kortrijk te wreken; hij gaf het opperbevel deszelfs aan Jacques de

Chatillon, hem bevelende, bij zijn aankomst in Vlaanderen, al de

bezettingen uit de grenssteden te lichten, waardoor zijn leger boven de

100.000 man sterk moest worden.

Philippus, een der zonen van de oude Graaf van Vlaanderen, die in Italië de

graafschappen van Tyetta en van Lorette beërfd had, de vorming van het

Frans leger vernemende, kwam met enige hulpbenden naar Vlaanderen, waar hij

door zijn broeders tot Opperveldheer werd verkozen. Bij het leger dat in

Zeeland geoorlogd had nog meer mannen voegende, bracht hij zijn macht tot

50.000 man, toog tot bij St.-Omer om de Fransen af te wachten en

overrompelde het kasteel van Arcques.

De twee legers kwamen weldra voor elkander. De twee eerste dagen hadden er

enige afzonderlijke gevechten plaats, in dewelke Pierre de Courtrenel, een

der Franse Veldheren, met zijn zonen het leven liet en de Fransen veel volk

verloren. Walter de Chatillon met vrees bevangen dorst de algemene slag

niet wagen; hij trok dan des nachts met zijn leger naar Atrecht, en dit zo

bedektelijk dat de Vlamingen, niets van die aftocht gemerkt hebbende, des

morgens verwonderd en verbaasd waren daar zij geen enkele Fransman meer

ontwaarden. Philippus, de ontwijking des vijands ten nutte makende,

bestormde en nam de steden Terwanen, Lens, Lillers en Bassée. Uit weerwraak

van hetgeen de Fransen vóór de slag van Kortrijk in Vlaanderen gepleegd

hadden, werd het gans land daar omtrent door de Vlamingen verwoest en

verdorven, totdat zij, met rijke buit beladen, weder terug in Vlaanderen

kwamen.

De Koning van Frankrijk door zo talrijke nederlagen overtuigd zijnde, dat

het hem onmogelijk was Vlaanderen door de wapenen nog te winnen, zond

Amedeus van Savoye, als vredegezant naar de Vlaamse Veldheer Philippus. De

kinderen van de gevangen Graaf niets meer verlangende dan de verlossing

huns vaders Gwyde en huns broeders Robrecht van Bethune te kunnen

verkrijgen, wensten innig om de vrede met Frankrijk, en stapten gaarne over

enige moeilijkheden; er werd dan een stilstand van wapenen getroffen,

totdat de voorwaarden van wederzijde zouden aangenomen zijn.

Ondertussen werd er aan het Franse Hof een vredesverdrag opgesteld, hetwelk

verschillende voor Vlaanderen schadelijke punten inhield; echter hoopte

Philippe le Bel dezelve door list te doen aannemen. Hij liet de

tachtigjarige Graaf van Vlaanderen uit zijn gevangenis van Compiègne naar

Vlaanderen gaan, hem zijn erewoord afeisende dat, indien hij de aanneming

van het verdrag, zoals het bij het Franse Hof was opgesteld, niet kon

verkrijgen, hij in de maand mei van het volgende jaar in zijn kerker zou

terugkomen. De oude Graaf werd door zijn onderdanen met pracht ingehaald en

ging op het slot Wijnendale wonen. De voorwaarden der vrede met Frankrijk

voorgesteld hebbende, werden dezelve in het algemeen door de steden

afgekeurd, doch de oude Graaf, nog tijd voor zich hebbende, hoopte dat hij

derzelver goedkeuring met meer moeite zou kunnen verkrijgen.

De wapenstilstand met Willem van Henegouwen geëindigd zijnde, vernam de

Graaf dat er een Hollands leger te been gebracht werd, om Zeeland in te

nemen; met allerhaast werden Jan van Renesse en Florens van Borsele

derwaarts gezonden om die nieuwe vijanden het hoofd te bieden.--De

Vlamingen verwonnen de Hollandse vloot in een Zeeslag, waarin de Hollanders

en Henegouwers meer dan 3.000 man en meest al hun schepen verloren; men nam

de Bisschop van Utrecht, Veldheer der Utrechtse benden, gevangen en men

bracht hem naar Wijnendale, waar hij bewaard werd. In dezelfde slag

sneuvelden Willem van Horn, Diederik van Haarlem, Diederik van Zulen en

Suederus van Beverenweerdt. De Vlamingen, zegepralend door geheel het

Noord-Holland trekkende, veroverden meest al de steden, behalve Haarlem,

dat zich hardnekkig bleef verweren; de voornaamste inwoners van

Noord-Holland werden als gijzelaars gevangen en naar Gent overgebracht.

Terwijl de Graaf van Henegouwen, het veld verlatende, Holland aan de

Vlamingen overleverde, stond in Dordrecht een dapper man op, met name

Nicolaus van den Putte; deze zijn Vaderland willende verlossen vergaderde

enige krijgsbenden en, met dezelve op een afdeling Vlamingen vallende,

versloeg hij er bij de 2.000 in een langdurig gevecht: langs een andere

kant bracht Witte van Haamstede, ook een dapper man, insgelijks veel

krijgers bijeen en kort daarna een legergedeelte der Vlamingen te Hillegom

ontmoetende, versloeg hij hetzelve tot de laatste man. Die afzonderlijke

gevechten veranderden weinig aan de stand van zaken in Zeeland, en beletten

niet dat men steeds in het beleg van Zierikzee voortging.

Onderwijl naderde het einde van het bestand met Frankrijk en alles

voorspelde een nieuwe oorlog, mits men de vrede niet had kunnen treffen, de

voorwaarden derzelve niet aannemelijk voor de Vlamingen zijnde. Vóór de

laatste dag der maand april keerde de oude Gwyde met ziekte en ongemak

beladen, als een andere _Regulus_ terug naar Frankrijk in zijn

gevangenis.--Philippe le Bel had gedurende het bestand alle mogelijke

middelen gebruikt om een ontzaglijk leger bijeen te krijgen; in alle landen

had men voor zijn rekening hulpbenden aangeworven en verscheidene nieuwe

schattingen waren op het volk gebracht om in de kosten van de oorlog te

kunnen voorzien. De Koning zelf kwam op het einde van juni in persoon met

zijn leger op de Vlaamse grenzen: alhoewel hij onder zich de grootste

krijgsmacht die Frankrijk immer bezeten had, voerde, kwam er nog een

ontzaglijke vloot, onder Reinier Grimaldi van Genua, op de Vlaamse zeekust,

om de jonge Gwyde en Jan van Renesse, die in Zeeland waren, te bestrijden.

Philippus van Vlaanderen had intussen ook een roep in het land gedaan en

veel krijgsbenden onder zijn bevel vergaderd; met dezelve toog hij vóór het

Franse leger om Philippe le Bel de slag aan te bieden: de twee legers waren

zo dicht bij elkander dat men uit dezelve de beide vaandels kon zien

waaien. De eerste dag gebeurde er een gevecht, in hetwelke de Franse

Aanleider Genuilla, met al zijn mannen, verslagen werd. De Vlamingen,

ongedurig zijnde, en om de strijd roepende, stelden zich des anderendaags

in slagorde en bereidden zich tot een geweldige aanval; maar de Fransen dit

bemerkende trokken in allerhaast naar Atrecht af, en lieten hun legerplaats

ten roof der Vlamingen, die een grote buit maakten en al de werken, welke

de Fransen gebouwd hadden, afbraken en vernietigden. De stad Bassée werd

voor de tweede maal door hen veroverd en de voorgeborchten der stad Lens

afgebrand.

Philippe le Bel, willende Vlaanderen langs de Henegouwse grenzen aanvallen,

toog met zijn leger naar Doornik; maar reeds de eerste dag zijner aankomst

waren de Vlamingen bij hem; hij was niet gezind de slag aan te nemen,

vooraleer hij weten zou wat zijn vloot in Zeeland zou hebben verricht; om

niet handgemeen te worden brak hij bijna alle nachten het leger op en

zweefde, steeds door de Vlamingen gevolgd, van de ene kant naar de andere.

De 10e augustus 1304 had de zeeslag tussen de twee vloten plaats; het

gevecht duurde twee dagen, van de morgen tot de avond: de eerste dag was

het voordeel aan de zijde der Vlamingen en wellicht zouden zij de zege ten

volle behaald hebben, maar hun schepen des nachts op een zandplaat

vastgeraakt zijnde, werden zij des anderendaags door de Fransen, onder de

befaamde zeeoverste Reinier Grimaldi, geslagen; hun schepen werden verbrand

en de jonge Gwyde verviel met vele anderen in de handen van de vijand. Jan

van Renesse, de moedige Zeelander, die met weinig volk Utrecht bewaarde,

willende die stad verlaten, begaf zich in een schuit om de Lek over te

varen; maar het schip te zeer geladen zijnde, zonk te midden van de vloed,

en de edele ridder Jan vond er een beklagelijk einde, hij verdronk. De

Vlamingen dit door vluchtelingen verstaande, betreurden hem met droeve

klachten en zwoeren dat zij hem niet ongewroken zouden laten.

Wanneer het nieuws van de uitval des zeeslags in het Frans leger kwam,

bevond hetzelve zich bij Rijsel op de Peuvelberg. Philippe le Bel trok een

weinig terzijde af en verliet die gunstige plaats, dewelke dan ook

onmiddellijk door de Vlamingen werd ingenomen. Dezen wilden de slag niet

langer uitstellen, het was de Veldheren onmogelijk hen langer nog te

weerhouden; zij stelden zich dan in slagorde om de vijand aan te tasten.

Philippe le Bel dit ziende zond een bode om de vrede voor te stellen, maar

de Vlamingen wilden geenszins ernaar luisteren en sloegen de bode dood.

Korte tijd daarna vielen zij met ijslijk geschreeuw, met donderend gehuil

op het Franse leger, dat verbaasd en verschrikt dooreenliep. Bij de eerste

schok werden de voorste benden overhoop geworpen en verpletterd; er was

onder het Vlaamse leger nog meer razernij dan in de slag te Kortrijk; ook

konden de Fransen hun slechts een zwakke tegenstand bieden, alhoewel zij

met evenveel moed vochten.--Philippus van Vlaanderen en Willem van Gulik

drongen door al de vijandlijke benden tot bij de Koning Philippe le Bel,

die daardoor in groot gevaar geraakte. Men hakte zijn lijfwachten rondom

hem ter neder, en hij ware voorzeker gevangen of dood geweest, indien men

hem zijn mantel en andere kentekenen niet had ontnomen; alzo onkenlijk

gemaakt zijnde vluchtte hij van die plaats weg en ontving een lichte wonde

van een ijzeren schicht.--Dit lang gevecht had voor gevolgen dat het Franse

leger in volle vlucht geslagen werd en de Vlamingen de zege behaalden.

De Franse Kroonvaan (Oriflamme) werd aan stukken gescheurd, gelijk het _de

Cronyke van Vlaenderen,_ aan dewelke wij dit verhaal ontlenen, met de

volgende woorden getuigt: _Hier wierdt de fransche Oriflamme, op dewelke sy

soo seer gewoon waeren te roemen, gescheurt en den standaert-draeger

Cherosius gedood._ In die slag verloor Willem van Gulik, de Priester, het

leven. De Vlamingen hielden zich tot de avond bezig met 's Konings tent en

al de andere kostelijke goederen tot buit te maken. Zij keerden dan om wat

te spijzen naar de Peuvelberg terug, doch niets daar vindende trokken zij

op naar Rijsel. Des anderdaags ging elk naar zijn huis.--Die slag

geschiedde de 15 augustus 1304.

Vijftien dagen daarna kwam Philippe le Bel weder met een leger naar

Vlaanderen om Rijsel te belegeren. De Vlaamse Burgerij sloot haar winkels

en nam in menigte de wapens op; Philippus van Vlaanderen, hen te Kortrijk

vergaderd hebbende, toog enige dagen daarna naar Rijsel in het gezicht der

Fransen. Hun groot getal ziende riep Philippe le Bel met verwondering uit:

"Mij dunkt dat Vlaanderen soldaten spuwt of regent!"

Geen nederlaag meer durvende wagen stelde hij, na enige schermutselingen,

de vrede voor en men trad in onderhandeling, terwijl er een wapenschorsing

gesloten was. Het duurde vrij lang eer men de voorwaarden van wederzijde

aannam.

Gedurende die tijd stierf de oude Graaf Gwyde te Compiègne, in zijn

gevangenis; Johanna van Navarra overleed insgelijks.

Eindelijk werd de vrede tussen Philippus van Vlaanderen en Philippe le Bel

gesloten en getekend.

Robrecht van Bethune, met zijn twee broeders Willem en Gwyde en met al de

andere gevangen ridders, werd losgelaten en naar het Vaderland

teruggezonden.--Het volk was over de voorwaarden van het verdrag niet

tevreden, en noemde hetzelve het verbond van ongerechtigheid; dit

ongenoegen had echter voor alsdan geen gevolgen.

Robrecht van Bethune, in Vlaanderen gekomen, werd met buitengewone plecht

als Graaf ingehuld.--Hij leefde nog zeventien jaar, hield de eer en de roem

van Vlaanderen staande en ontsliep in de Heer de 18 september 1322.

Gij Vlaming, die dit boek gelezen hebt, overweeg, bij de roemrijke daden

welke hetzelve bevat, wat Vlaanderen eertijds was--wat het nu is--en nog

meer wat het worden zal indien gij de heilige voorbeelden uwer Vaderen

vergeet!

De Leeuw van Vlaanderen Of de Slag der Gulden Sporen · 第 36 / 86 题