Aan De Heer Ridder
Gustaf Wappers
's Konings Schilder
Weledele heer,
_Nu de gunst mijner landgenoten, mijnen arbeid bekronende, mij een plaats
tussen onze vaderlandse schrijvers gegeven heeft, nu ik enigszins met
vrijere stappen in de letterbaan mag voortgaan, behaag ik mij in het
herdenken aan wie ik dit verschuldigd ben;--wie mij, nog ongekend,
aanmoedigde en mij een deel zijns vernufts indrukte, onder wiens blik,
onder wiens stem ik mijn ziel in kunstdorst en in vaderlandsliefde voelde
ontsteken, wie voor mijn welzijn als voor dit eens broeders zich bekommerde
en mij, in het verdriet, in de stonden van bittere onttovering, een vriend
en een weldoener was.--Die naam zo heilig voor mij, die naam is de uwe, o
Gustaf!_
_Ik kon U voor zoveel goedheid niets dan dankbaarheid en liefde terugkeren,
niets dan bewondering voor uw edel hart.--Ook, wie zal zeggen wat ik
geleden heb, wat verontwaardiging mij getroffen heeft wanneer ik U, mijn
weldoener, aan de schichten des nijds en der lasteraars zag blootgesteld,
wanneer ik zag dat zij, uw kunst niet durvende raken, dit hart en die
inborst wilden te na spreken.--Uw vijanden hebben zichzelf een vlek, een
kenmerk van lasteraar op het voorhoofd gedrukt, en de schande nogmaals
ontvluchtende zijn zij weder in het duister gedoken.--Vergeef hun, Gustaf,
zij kennen U niet. Gedenk, met medelijden voor hen, dat indien gij geboren
waart om groot onder uw tijdgenoten, en Kunsttolk te zijn, zij tot
kunstadders geschapen waren; en daarbij,--is het niet in de vergelijking
uwer schitterende gewrochten met de hunne, zo gering, dat zij hun
nietigheid zien?--En moeten zij U dan niet haten omdat uw vernuft zo zwaar
op hen weegt?
Ho ja, dit is de gang der wereld:--de slangen wonen in aanzienlijker getal
aan de voet der reuzeneiken_.--
_Laat ze begaan, Gustaf, uw naam zal ondanks dit gif met die van Rubens en
van Van Dijck leven; en indien er één blad van mijn boek tot de
nakomelingen moet overgaan zal het gewis dit zijn waarop uw naam geprent
staat_.
_Antwerpen, de 18 December 1838_