hebt gij een tomahawk."
Er waren twee strijdbijlen achtergebleven. De hoofdman, die natuurlijk
ook met zijn mes gewapend was, nam een van die bijlen, en overhandigde
die aan Old Shatterhand. Deze nam dat wapen aan, bekeek het even,
en smeet het toen in een hoogen, wijden boog ver weg buiten den kring.
"Wat doet gij?" vroeg de hoofdman verwonderd.
"Ik werp den tomahawk weg, omdat hij niet deugt. De uwe, zie ik, is
van beter maaksel; de andere zou bij den eersten slag aan splinters
gevlogen zijn."
"Denkt gij, dat ik hem aan u gegeven heb om u te bedriegen?"
"Ik denk, dat hij mij meer geschaad dan gebaat zou hebben, anders
niets."
Hij wist natuurlijk zeer goed, dat men hem met opzet zulk een slecht
wapen gegeven had. In weerwil van de dikke verflaag, die het aangezicht
van den hoofdman bedekte, zag men duidelijk, dat het zich in een
spottende plooi vertrok, toen hij antwoordde: "Het stond u vrij de
bijl weg te werpen; maar gij krijgt geen andere."
"Dat behoeft ook niet. Ik zal het wel af kunnen met mijn mes alleen,
waarvan ik weet, dat ik er op vertrouwen kan."
"Oef! Zijt gij van uw verstand beroofd! De eerste slag met mijn
tomahawk zal u dooden. En buitendien heb ik mijn mes, en gij zijt
niet zoo sterk als ik ben."
"Dan schijnt gij daarstraks mijn scherts als ernst opgenomen te hebben,
merk ik. Ik heb u niet bang willen maken. Maar nu wil ik uzelf laten
oordeelen wie de sterkste is, gij of ik."
Hij bukte naar een steen, die veel zwaarder was dan die, welken de
Groote Wolf opgetild had, tilde dien eerst op ter hoogte van zijn
gordel, stak hem toen in de hoogte, hield hem een paar minuten boven
zijn hoofd, en smeet hem toen weg, een pas of tien verder, waar hij
bleef liggen.
"Doe mij dat eens na!" riep hij den Roodhuid toe.
"Oef, oef, oef!" klonk het uit den kring der toeschouwers. De hoofdman
antwoordde niet dadelijk. Hij keek van den jager naar den steen, en van
den steen weer naar den jager; hij was meer dan verwonderd, en eerst
na een vrij lange pauze liet hij zijn stem hooren: "Verbeeldt gij u,
dat gij mij bang kunt maken? Denk dat maar niet! Ik zal u dooden en
uw scalp nemen, al moest de strijd tot van avond duren!"
"Zoo lang zal het niet duren; het zal wel in eenige minuten afloopen,"
antwoordde Old Shatterhand glimlachende. "Dus, gij zoudt graag mijn
scalp hebben?"
"Ja, want de schedelhuid van den overwonnene behoort aan den
overwinnaar ... Bindt ons maar vast!"
Dit bevel werd gericht tot twee gereedstaande Roodhuiden, die den
hoofdman en Old Shatterhand de lasso's om de heupen bonden, en toen
achteruittraden. Op die wijze aan den paal vastgemaakt, konden die
twee zich nu slechts in een cirkel bewegen, waarvan de middellijn
de lengte van het nog vrije lasso-gedeelte bedroeg. Zij stonden zoo,
dat de twee lasso's een rechte lijn, dus de middellijn, vormden, de
een met zijn gelaat naar den rug van den andere gekeerd. De Roodhuid
had den tomahawk in zijn linker-, het mes in zijn rechterhand; Old
Shatterhand hield zijn mes in de rechtervuist.
De Groote Wolf had zich den strijd zoo voorgesteld, dat de een
den ander in den cirkel zou ronddrijven, en zoo dicht bij hem
zou trachten te komen, dat er mogelijkheid bestond om een wissen
bijlslag of messteek te geven. Hij had wel moeten inzien, dat hij
zijn tegenstander niet in kracht overtrof; maar de wapenen waren
ongelijk en hij had de stellige overtuiging, dat hij overwinnen zou;
te meer daar hij zag, dat de blanke het mes glad verkeerd in de hand
hield. Old Shatterhand hield het mes namelijk zoo, dat de punt niet
naar omlaag, maar naar omhoog gericht was, zoodat hij onmogelijk een
stoot van boven naar beneden er mee kon toebrengen. De Roodhuid lachte
in zijn geest daarover, en hield zijn tegenstander scherp in het oog,
zoodat de minste van zijn bewegingen hem niet ontgaan kon.
Ook de blanke hield zijn oogen onafgewend op zijn tegenstander
gericht. Hij was volstrekt niet van plan zich in den cirkel te
laten rondjagen; hij wilde niet aanvallen, maar eenvoudig den
aanval afwachten, en die eerste botsing moest ineens het pleit
beslechten. Het kwam er maar op aan, op welke wijze de Groote Wolf
zich van zijn tomahawk zou bedienen: wilde hij er met vaste hand
een slag mee toebrengen, dan was er hoegenaamd niets te vreezen;
doch wilde hij zijn bijl als werptuig gebruiken, wilde hij er zoo
zijn tegenstander mee verwonden, dan had deze al zijn opmerkzaamheid
en de grootst mogelijke voorzichtigheid noodig. De twee stonden zoo
dicht bij elkander, dat het uiterst moeilijk zou wezen zulk een worp
te ontwijken.
Gelukkig dacht de hoofdman er niet aan, met zijn strijdbijl te
werpen. Als hij dat deed en niet zijn tegenstander raakte, dan ware
de bijl uit zijn handen en kon hij die niet meer machtig worden.
Zoo stonden zij vijf minuten, tien minuten, en geen van beiden
verroerde zich. Reeds begonnen de Indiaansche toeschouwers ongeduldig
te worden, en uitroepen van aansporing, ja zelfs van afkeuring, te
laten hooren. De Roode Wolf daagde zijn tegenstander spottend uit om te
beginnen; hij riep hem beleedigingen toe. Old Shatterhand zei niets;
zijn antwoord bestond hierin, dat hij ging zitten, zoo doodbedaard
en op zijn gemak, alsof hij zich te midden van een vriendenkring
bevond. Maar zijn spieren en zenuwen waren gereed, om in een oogwenk
tot vlug en krachtig handelen over te gaan.
De hoofdman beschouwde dit gedrag als een bewijs van kleinachting,
dus als een beleediging, en feitelijk was het niets anders dan
een krijgslist, om hem tot de een of andere onvoorzichtigheid
te verleiden. En dat oogmerk werd volkomen bereikt. Hij dacht
het met een zittenden vijand nog gemakkelijker te kunnen klaren,
zoodat hij van deze gunstige gelegenheid gebruik wilde maken. Een
luide oorlogskreet aanheffende, sprong hij op Old Shatterhand toe,
den tomahawk omhooggeheven, om hem den genadeslag te geven. Reeds
dachten de Roodhuiden dien slag te zien vallen; reeds openden zich veel
lippen tot triomfgejubel, maar eensklaps sprong de blanke zijwaarts
overeind--het met opzet verkeerd gehouden mes deed zijn plicht;
de tomahawk sloeg mis, en de vuist die hem bestuurd had, greep naar
het bliksemsnel omhooggeheven mes, zoodat de strijdbijl op den grond
viel; een snelle slag van Old Shatterhand tegen den linkerarm van den
Roodhuid, en ook zijn mes vloog hem uit de hand; en nu gaf de blanke
zijn tegenstander, zoo snel dat niemand er iets van zag, met het harde
heft van zijn bowie-mes zulk een geweldigen stoot tegen de hartstreek,
dat de Roodhuid als een zoutzak neerstortte en bleef liggen. Old
Shatterhand hield zijn mes omhoog, en riep: "Wie is de overwinnaar?"
Niemand antwoordde. Zelfs zij, die het voor mogelijk hadden gehouden
dat hun hoofdman overwonnen werd, hadden niet gedacht, dat het
zoo spoedig en op die manier gebeuren kon. De menschen stonden er
verslagen van.
"Hij zelf heeft gezegd, dat de schedelhuid van den overwonnene aan den
overwinnaar toebehoort," vervolgde Old Shatterhand. "Zijn scalp is dus
mijn eigendom, maar ik wil dien niet hebben. Ik ben een Christen en
een vriend van de roode mannen, en ik schenk hem het leven. Misschien
heb ik hem een rib kapot geslagen, maar dood is hij niet. Mijn roode
broeders kunnen hem tot bewustzijn zien te brengen; maar ik ga naar
mijn tent."
Hij bond zich los en ging. Niemand dacht er aan hem dat te beletten,
en niemand verhinderde Davy en Jemmy hem te volgen. Ieder wilde zich
eerst vergewissen hoe het met den Grooten Wolf gesteld was, en zij
verdrongen elkander om hem heen. Dientengevolge bereikten de jagers
hun tent, zonder dat iemand op hen lette. Daarachter lagen hun wapenen,
en daar stond ook Hobble-Frank met de paarden.
"Vlug te paard en voort!" gebood Old Shatterhand. "Praten kunnen
wij naderhand."
In een ommezien zaten zij alle vier te paard, en reden weg, eerst
langzaam en achter de tenten en hutten heen. Maar toen werden zij
door de wachtposten opgemerkt, die ook overdag buiten de legerplaats
waren betrokken. Dezen hieven het krijgsgehuil aan en schoten op
hen. Daarom gaven de blanken de sporen aan hun paarden en brachten
die in galop. Even omkijkende, zagen zij, dat het roepen en alarm
maken van de wachtposten de aandacht van al de anderen had getrokken,
die nu in geheele zwermen tusschen de tenten uit te voorschijn kwamen
en aan de ontkomenen een helsch gehuil achternazonden, dat door de
echo der bergen veelvoudig werd teruggekaatst.
De jagers galoppeerden over de vlakte, regelrecht koers zettende
naar het punt, waar het bergwater zich in het meer ontlastte. Old
Shatterhand kende de landstreek genoeg om te weten, dat het dal van
die beek de beste weg was om spoedig uit de voeten te komen. Hij was
overtuigd, dat de Utah's dadelijk zouden opbreken om hen achterna
te zetten, en hij moest dus maken dat hij in een streek kwam, waar
het voor de Roodhuiden zoo moeilijk mogelijk zou wezen om hun spoor
te volgen.
DERTIENDE HOOFDSTUK.
GROOTMOEDIGHEID VAN OLD SHATTERHAND.
Dienzelfden morgen bewoog zich een troep ruiters bergopwaarts langs
de beek, waarlangs den avond te voren de Utahs met hun gevangenen
getrokken waren. Aan het hoofd van dien troep reed Old Firehand met
Tante Droll. Achter hen reden Humply-Bill en de Gunstick-Uncle met
den Engelschen lord; om kort te gaan het waren al de blanken, die het
reeds verhaalde avontuur aan den Eagle-tail als handelende personen
hadden bijgewoond, en die toen naar de bergen waren opgebroken,
om zich naar het Zilvermeer te begeven. In Denver had Butler de
ingenieur met zijn dochtertje Ellen zich bij hen aangesloten. Van de
boerderij van zijn broer was hij regelrecht daarheen gereisd, dewijl
het natuurlijk niet in hem had kunnen opkomen, zijn kind bloot te
stellen aan de gevaren en een nieuwe ontmoeting met de tramps. Het
meisje, dat in geen geval van haar vader had willen scheiden, en dat,
uit kinderlijke gehechtheid aan hem, mee de wildernis inging, zat in
een soort van draagstoel, die tusschen twee kleine, maar tegen veel
vermoeienis geharde Indiaansche hitten hing.
Winnetou was thans niet te zien, doordien hij als verspieder, waartoe
hij beter dan iemand geschikt was, vooruitreed. Toevallig liep de weg,
die door hem en Old Firehand was voorgeschreven, naar het bosch en
over de open vlakte, waar Old Shatterhand en zijn metgezellen hun
ontmoeting met de Utahs gehad hadden. De twee aanvoerders waren
bedreven en scherpzinnig genoeg, om de sporen te kunnen lezen; zij
hadden daaruit gezien, dat blanken door de Indianen gevangengenomen
waren, en hadden terstond besloten om dat spoor te volgen, ten einde
misschien nog hulp te kunnen brengen.
Zij wisten niet, en vermoedden ook niet, dat de Utahs hun strijdbijlen
opgegraven hadden. Zoowel Winnetou als Old Firehand, beiden wisten
niet beter, of zij leefden met dien stam in vollen vrede; en beiden
hielden zich overtuigd, dat zij er vriendelijk ontvangen zouden worden,
en dat zij voor de blanke gevangenen een goed woord zouden kunnen doen.
Waar de Roodhuiden hun bivak opgeslagen hadden wisten zij niet met
zekerheid; maar zij kenden het meer; en daar de omtrek van dat meer een
mooie gelegenheid aanbood om er zich op te legeren, vermoedden zij,
dat zij de Utahs daar zouden vinden. In weerwil van de onderstelde
vriendschappelijke gezindheid, zou het toch geheel en al in strijd
geweest zijn met het in het Westen vaste gebruik, zich aan hen te
vertoonen, zonder hen eerst gadegeslagen te hebben. Daarom was Winnetou
vooruitgereden, om op verkenning uit te gaan. Juist toen de troep de
plaats bereikte, waar de oevers van de beek uiteenliepen om de vlakte
te vormen, keerde de Apache terug. Hij kwam in galop aanrijden, en
wenkte reeds van verre, dat men halt moest houden. Dat was geen goed
teeken, en daarom vroeg Old Firehand, zoodra Winnetou dicht genoeg
bij was: "Mijn broeder wil ons waarschuwen. Heeft hij de Utahs gezien?"
"Ja, hen en hun legerplaats."
"En heeft Winnetou zich niet aan hen durven vertoonen?"
"Neen, want ze hebben hun strijdbijlen opgegraven."
"Waaraan hebt gij dat ontdekt?"
"Aan de verf, waarmee zij hun gelaat besmeerd hebben, en ook hieraan,
dat er zoo verbazend velen bij elkander waren. De roode krijgslieden
vereenigen zich tot zulk een grooten zwerm, nooit anders dan in tijd
van oorlog of in den tijd der groote jachten. Daar wij ons niet in
het jaargetijde der buffeljachten bevinden, kan het niet anders wezen
dan de oorlogsbijl, om welke zich zulk een menigte heeft geschaard."
"Hoe groot is hun aantal wel?"
"Dat heeft Winnetou niet goed kunnen opnemen. Er stonden er op zijn
minst een honderd of drie aan het meer, en in de tenten zullen er
ook nog wel geweest zijn."
"Aan het meer? Zoo velen? Wat was daar dan aan de hand? Werd de visch
misschien opgejaagd naar één kant?"
"Neen, dat kan het niet zijn. Bij het opjagen van de visch zijn de
menschen in dezelfde richting in beweging; maar nu stonden zij stil,
en keken allen in het water."
"Drommels! zou dat een terechtstelling beduiden? Zou men blanken in
het water geworpen hebben, om hen te doen verdrinken?"
Dit vermoeden van Old Firehand was niet zoo geheel en al mis; want de
Apache had de Utahs bespied op het oogenblik, toen pas de zwemwedstrijd
begonnen was. Winnetou antwoordde op zulk een stelligen toon, alsof
hij er bij gestaan en alles gezien had: "Neen, zij willen hen niet
verdrinken; maar het is een zwemwedstrijd om het leven."
"Hebt gij reden om dat te vermoeden?"
"Ja, Winnetou kent de gebruiken zijner roode broeders, en Old Firehand
is ook genoeg daarmee bekend, om mijn onderstelling te deelen. De Utahs
dragen de oorlogskleuren, en beschouwen dus de bij hen zijnde blanken
als vijanden. Die moeten gedood worden. Maar de Roodhuid laat zijn
vijand niet spoedig sterven, hij martelt hem langzaam dood; hij werpt
hem niet in het water om hem spoedig te verdrinken, maar hij geeft hem
een tegenstander, die hem in het zwemmen de baas is, en tegen wien hij
zwemmen moet om zijn leven. Daar de tegenstander altijd beter zwemt
dan de blanke, is het bleekgezicht bepaald verloren. Men laat hem
zwemmen, louter om zijn sterven, zijn doodsangst langer te doen duren."
"Zoo is het," zei Old Firehand; "ik ben volkomen van uw gevoelen. Wij
hebben de sporen van eerst vier en toen twee blanken geteld. Dat
zijn er dus zes. Maar men zal die stellig niet allen laten zwemmen;
ieder zal op een andere manier om zijn leven moeten wedstrijden. Wij
moeten ons haasten, om hen te redden."
"Als mijn blanke broeder dat doet, zal hij zich slechts haasten om
zelf te sterven."
"Nu, dat moet gewaagd worden. Ik verlaat mij er op, dat ik mij nooit
als een vijand van de Utahs heb doen kennen."
"Daarop moogt gij u volstrekt niet verlaten. Hebben zij eenmaal de
strijdbijlen tegen de blanken opgegraven, den behandelen zij hun
besten vriend als vijand, wanneer hij een bleekgezicht is; zij zouden
ook u niet sparen."
"Maar de hoofdmannen zouden mij beschermen!"
"Neen. De Utah is niet trouw en oprecht; en niet één hoofdman van
dat volk heeft op zijn krijgslieden zooveel overwicht, dat hij u zou
kunnen redden. Wij mogen ons niet laten zien."
"Maar gij, gij kunt dan toch naar hen toe gaan?"
"Neen, ook niet; want ik weet niet, of zij de strijdbijl niet wellicht
ook tegen andere roode natiën gescherpt hebben.
"Maar dan zijn die zes blanken tòch reddeloos verloren."
"Dat kan mijn broeder niet zeggen. Ik heb twee redenen, die mij het
tegendeel doen denken."
"En die redenen zijn?"
"Eerstens heb ik reeds gezegd, dat de gevangenen der Roodhuiden
niet anders dan langzaam mogen sterven; maar het is nog vroeg in
den ochtend, en wij hebben dus nog tijd om op verkenning uit te
gaan. Misschien komen wij iets meer te weten, dan wij op dit oogenblik
weten; en dan zullen wij gemakkelijker een besluit kunnen nemen."
"En ten tweede?"
De Apache zette een alleroolijkst gezicht, toen hij antwoordde:
"Onder de bleekgezichten bevindt zich iemand die zich zelf en de
zijnen niet zoo gemakkelijk laat doodmaken."
"Wie is dat?"
"Old Shatterhand."
"Wat!" riep de jager, van verwondering opspringende. "Old Shatterhand,
dien gij boven, aan het Zilvermeer, hoopt te ontmoeten? Zou die
werkelijk reeds hier zijn?"
"Old Shatterhand is zoo prompt op zijn tijd als de zon of een ster
aan den hemel."
"Hebt gij hem gezien?"
"Neen."
"Hoe kunt gij dan zeggen, dat hij zich hier bevindt?"
"Ik wist dat gisteren reeds."
"Zonder het mij te zeggen?"
"Zwijgen is dikwijls veel beter dan spreken. Als ik gisteren gezegd
had wiens geweer op de vlakte gesproken heeft, zoudt gij niet bedaard
gebleven zijn, maar veel sneller vooruit gewild hebben."
"Zijn geweer, heeft dat gesproken? Hoe weet gij dat?"
"Toen wij den zoom van het bosch en het gras der open vlakte afzochten,
vond ik een boompje met een aantal gaatjes er in, gemaakt door kogels
uit Old Shatterhand's wondergeweer, dat weet ik bepaald zeker. Hij
heeft stellig den rooden mannen vrees willen inboezemen, en zij zullen
dan ook nu voor zijn geweer wel ontzag hebben."
"Het spijt mij, dat gij mij dat boompje niet gewezen hebt! Hum! Als
Old Shatterhand zich onder die blanken bevindt, dan behoeven wij ons
niet erg ongerust te maken. Ik ken hem; ik weet, wat hij in staat is
te doen, en hoeveel ontzag de Indianen voor hem hebben. Wat zullen
wij doen? Wat stelt gij ons voor?"
"Mijn vrienden moeten mij nu volgen; zij moeten allen achter
elkander rijden, om te zorgen dat de Utahs, als zij ons spoor mochten
aantreffen, niet kunnen tellen met hoe velen wij zijn. Howgh!"
Hij liet zijn paard rechts zwenken en reed verder, zonder te vragen
of Old Firehand er genoegen meenam, en zonder om te kijken of men
hem volgde.
De oevers van de beek waren, zooals reeds gezegd is, van elkander
geweken, om aanvankelijk als een lage, en vervolgens als aanhoudend
klimmende bergen-rij de vlakte van het meer te omzoomen. De vlakte
was geheel zonder boomgroei, maar de hoogten waren dicht bedekt
met bosch, tot onder aan den voet der heuvelen, waar het een zoom
van kreupelbosch vormde. Achter dit kreupelhout en onder de boomen
beschutting en dekking zoekende, volgde Winnetou de hoogten rechts,
die de noordzijde der vlakte begrensden, en vervolgens in het westen
op den berg stieten, die zijn water ontlastte in het meer.
Op die wijze reden de blanken om de vlakte heen, van het oostelijkste
punt, tot aan het westelijkste, waar zij aan de beek kwamen, en zich
eenige honderden passen van het meer af onder boomen bevonden, van
waar zij, tusschen de boomen door, de legerplaats der Utahs overzien
konden. Toen stegen zij van hun paarden af. Maar zij bonden de dieren
niet vast, ieder hield het zijne bij den toom, en Winnetou verdween
om den omtrek af te zoeken. Maar hij keerde zeer spoedig terug, en
meldde, dat hij niets verdachts had gevonden. Er was vandaag geen Utah
daar geweest. Nu eerst bond men de paarden vast, en men ging in het
zachte mos op zijn gemak zitten. De plaats, waar zij zich bevonden,
was als opzettelijk er voor gemaakt, om ongezien het gansche bivak
der Utahs te kunnen begluren.
Men zag hen als op elkander gedrongen aan de zuidzijde van de
legerplaats staan. Toen zag men de twee personen, die zich van den
grooten hoop afzonderden, en als bezetenen zuidwaarts renden. Old
Firehand bracht zijn verrekijker voor zijn oogen, en riep dadelijk:
"Een wedloop tusschen een Roodhuid en een blanke! De roode is reeds
ver vooruit, en zal stellig overwinnen. De blanke is een zeer klein
kereltje."
Hij gaf zijn kijker aan den Apache. Nauwelijks had deze den kleinen
blanke voor het glas getrokken, of hij riep uit: "Oef! dat is
Hobble-Frank! Die kleine held moet om zijn leven harddraven, en hij
kan den Roodhuid onmogelijk inhalen."
"Hobble-Frank, van wien gij ons verteld hebt?" vroeg Old Firehand. "Dan
mogen wij niet met onze handen in den schoot blijven zitten; wij
moeten een besluit nemen!"
"Nu nog niet!" zei de Apache. "Er is nu nog geen gevaar. Old
Shatterhand is immers bij hen?"
De boomen stonden zoo, dat men niet het geheele terrein van den
wedloop overzien kon. De beide harddravers waren rechts verdwenen;
men verwachtte hun terugkomst, en hield zich natuurlijk overtuigd,
dat de Roodhuid de eerste zou zijn, die weer te voorschijn kwam. Doch
hoe groot was aller verbazing, toen zij het eerst den kleine zagen,
dood op zijn gemak loopende, alsof hij een wandelingetje deed.
"Frank het eerst!" riep Old Firehand. "Hoe is dat mogelijk!"
"Door list," antwoordde Winnetou. "Hij heeft overwonnen, en hoe hij dat
aangeleid heeft, zullen wij wel vernemen. Hoort de Utahs eens verwoed
schreeuwen! Zij verwijderen zich, zij keeren naar de legerplaats
terug. En ziet, daar staan vier bleekgezichten, die ik alle vier ken."
"Ik ook," riep Droll. "Old Shatterhand, lange Davy, dikke Jemmy en
die kleine Hobble-Frank."
Die namen verwekten algemeen opzien. Eenigen kenden een of meer der
genoemden persoonlijk; de anderen hadden genoeg van hen gehoord,
om insgelijks in hooge mate belang in hen te stellen. Het werd een
kruisvuur van opmerkingen, totdat Winnetou tegen Old Firehand zei:
"Ziet mijn broeder nu, dat ik gelijk had? Onze vrienden hebben hun
wapenen nog; het gevaar voor hen kan dus niet heel groot zijn."
"Vooreerst ja; maar hoe spoedig kan dat verkeeren! Ik stel voor,
om er ruiterlijk naar toe te rijden."
"Wil mijn broeder er naar toe, hij ga zijn gang! maar ik blijf
hier," antwoordde de Apache zeer beslist. "Old Shatterhand kent de
omstandigheden, en hij weet wat hij doet; maar wij, wij weten van al
de bijzonderheden niets; en onze ontijdige tusschenkomst zou wellicht
zijn geheele plan van handelen in duigen werpen. Blijf hier! Ik zal
zoover doenlijk vooruitdringen, om te weten te komen wat er gebeurt."
Hij hield den verrekijker in zijn hand, en verdween tusschen de
boomen. Er verliep een groot halfuur eer hij terugkeerde met de
mededeeling: "Er is midden in de legerplaats een tweegevecht aan
den gang. De Utahs staan er zoo opeengepakt rondom, dat ik de twee
kampioenen niet heb kunnen zien; maar ik heb Hobble-Frank gezien. Die
bracht de paarden heimelijk en omzichtig achter een tent, en gaf hun
de dekken. De blanken willen dus maken, dat zij wegkomen."
"En heimelijk? Dus vluchten?" vroeg Old Firehand. "Dan vatten wij
post hier aan den weg, of, wij gaan hen te gemoet."
"Noch het een, noch het ander," hernam de Apache hoofdschuddende.
"Mijn zienswijzen schijnen vandaag bij mijn rooden broeder telkens
op tegenspraak te stuiten!"
"Old Firehand moet niet boos worden maar nadenken. Wat zullen de
Roodhuiden doen, als de blanken vluchten?"
"Dan zullen zij hen achternazetten."
"Als men vier of zes vluchtenden achternazet, hoeveel krijgslieden
heeft men daartoe noodig?"
"Wel twintig--zeg dertig."
"Goed! Die zullen wij gemakkelijk overwinnen. Maar als wij ons
ontijdig aan de Utahs vertoonen, zullen wij met den geheelen stam te
doen krijgen, en dan zal er ontzaglijk veel bloed stroomen."
"Gij hebt gelijk, Winnetou! Maar wij kunnen de Roodhuiden toch niet
blind maken. Zij zullen uit ons spoor zeer gauw ontdekken met ons
hoe velen wij zijn."
"Zij zullen het spoor opnemen, dat vóór hen ligt, maar niet het spoor,
dat zich achter hen bevindt."
"O, bedoelt gij, dat wij hen volgen?"
"Juist."
"Zonder dat wij ons aan Old Shatterhand vertoonen?"
"Wij zullen met hem spreken, maar enkel wij beiden, gij en
ik. Luister! Wat is dat?"
Uit de legerplaats ging een allerontzettends gehuil op, en dadelijk
daarop zag men vier ruiters in galop er uit komen. Het waren
blanken. Zij sloegen de richting in naar het boveneinde van het
meer; hun oogmerk was dus klaarblijkelijk om de beek te bereiken,
en daarlangs berg-op te rijden.
"Daar komen zij aan," zei Winnetou. "Old Firehand kan mij volgen. Maar
mijn andere blanke broeders moeten gauw met de paarden dieper het
bosch in, en daar wachten tot wij terugkomen. Zij kunnen onze paarden
meenemen."
Hij nam Old Firehand bij de hand en trok hem met zich voort, steeds
den hoogen oever van de beek langs, onder de boomen door, tot aan
een plaats, van waar men de legerplaats der Utahs kon overzien,
zonder door hen gezien te worden. Daar bleven zij staan.