Hobble-Frank mat den afstand met zijn oogen, en ook het geheele verder

zuidwaarts gelegen terrein, en zei toen in het Engelsch, welke taal

hij veel beter sprak dan Duitsch: "Maar ik hoop, dat alles eerlijk

zal gaan!"

"Wilt gij daarmee zeggen, dat gij onze eerlijkheid wantrouwt?" vroeg

de hoofdman schamper.

"Ja."

"Moet ik u neerslaan?"

"Probeer dat, als gij lust hebt. De kogel uit mijn revolver zou

iets gauwer wezen dan uw hand. Heeft de Groote Voet zich óók niet

omgedraaid, ofschoon dat verboden was. Noemt gij dat eerlijk te

werk gaan?"

"Dat was niet oneerlijk, maar listig."

"O! En zijn zulke listen geoorloofd?"

De hoofdman bedacht zich een oogenblik. Als hij "ja" zei, was daarmee

de handelwijze van den Grooten Voet gerechtvaardigd; en misschien

zou het Springende Hert óók wel zijn toevlucht tot list dienen te

nemen; want de blanken waren veel knapper, dan men van hen verwacht

had. Misschien was dat blanke kleine gedrocht óók een goed harddraver;

en daarom vond hij het raadzaam voor zijn rooden kampioen nog een

achterdeurtje open te houden. Daarom antwoordde hij: "List is geen

bedrog. Waarom zou die dan verboden zijn?"

"Kan list dan ook van het stipte nakomen van de voorwaarden ontslaan?"

"Neen, die moeten stiptelijk nagekomen worden."

"Dan heb ik er vrede mee, en ben ik bereid den wedloop te

beginnen. Waar is honk?"

"Ik zal een lans in den grond steken: Daar zal de wedloop beginnen

en ook eindigen."

Hij verwijderde zich voor een oogenblik, zoodat de blanken alleen

stonden.

"Gij zijt reeds op een idee gekomen, geloof ik," zei Old Shatterhand.

"Ja; kunt gij dat aan mij zien?"

"Natuurlijk, want gij lacht zoo vergenoegd in uw geest."

"Het is ook inderdaad wel om te lachen. De hoofdman heeft mij met

zijn list willen benadeelen, en heeft er mij daarentegen een zeer

grooten dienst mee gedaan."

"Hoe zoo?"

"Dat zal ik u aanstonds zeggen. Wat een soort van boom is dat toch,

waar wij driemaal omheen moeten dansen?"

"Een beukeboom."

"En kijk nu eens een goed eind verder links; daar staat ook nog een

boom, maar bijna tweemaal zoo ver. Wat is dat er voor een?"

"Een pijnboom."

"Mooi. Waar moeten wij dus naar toe loopen?"

"Naar den beuk."

"Maar ik zal regelrecht koers zetten op den pijnboom aan."

"Zijt gij dwaas!"

"Neen, nog niet. Met mijn hoofd loop ik ook naar den beuk, maar met

mijn beenen naar den pijnboom, ofschoon dat tweemaal zoo ver is."

"Maar wat beoogt gij daarmee?"

"Dat zult gij wel zien, en gij zult er schik in hebben. Ik geloof

niet, dat ik mij in mijn verwachtingen bedrogen zal zien. Als ik dat

domme bakkes van het Springende Hert aankijk, kan ik mij met geen

mogelijkheid vergissen."

"Wees voorzichtig, Frank! Bedenk dat uw leven er mee gemoeid is."

"Nu, als er niets anders dan mijn leven mee gemoeid was, dan zou ik mij

waarlijk niet veel moeite behoeven te geven. Al werd ik overwonnen,

zou ik toch wel blijven leven. De Groote Voet moet sterven, en den

hoofdman zult gij zelf wel in zijn huur helpen; tegen die twee zou ik

immers uitgeleverd kunnen worden. Voor mijn leven ben ik dus volstrekt

niet bang; maar het geldt hier mijn eer en reputatie. Ze moeten later

in de geschiedenis van het laatste kwartaal der negentiende eeuw niet

kunnen lezen, dat ik, Hobble-Frank uit Moritzburg, mij door zulk een

Indiaansch merino-gezicht heb laten overvleugelen. Die schande zullen

ze mij niet kunnen nageven."

"Maar zeg mij dan ten minste wat uw plan is. Misschien kan ik u nog

wel een goeden raad geven."

"Dank u vriendelijk. Een goeden raad heb ik mij zelf reeds gegeven;

en van mijn uitvindingen wil ik de eer voor mij alleen hebben. Zeg

mij liever eens, hoe heet pijnboom in de taal der Utahs?"

"Owomb."

"Owomb? Een gekke naam! En hoe zoudt gij zeggen: Naar gindschen

pijnboom?"

"Ientsj owomb? Dat is gemakkelijk genoeg te onthouden."

"Wat heeft dat ientsj owomb toch te maken met uw plan?"

"Het is de lichtende ster op mijn wedloopspad. Maar stil nu, daar

komt de hoofdman aan!"

De Groote Wolf keerde terug. Hij stak een lans in den weeken grasgrond,

en verklaarde, dat de wedloop om het leven beginnen zou.

"In welke kleeding?" vroeg Hobble-Frank.

"Naar ieders verkiezing."

Frank ontdeed zich van al zijn kleeren op de broek na; het Springende

Hert had nu niets anders dan een leeren schortje voor. Hij keek

op zijn tegenstander neer met een blik, die den superlatief van

minachting moest uitdrukken, maar die hem verhief tot een toonbeeld

van idiotismus in den hoogsten graad.

"Frank, pas op, hoor!" maande Jemmy hem aan. "Denk er om, dat Davy

en ik overwonnen hebben."

"Huilt maar niet," troostte de kleine. "Als gij nog niet weet of ik

goede beenen heb, zult gij ze nu eens zien protuberanseeren."

Daar klapte de hoofdman in zijn handen. Een schrille schreeuw

uitstootende, vloog het Springende Hert van honk af, en de kleine

Frank hem achterna. De bevolking van de gansche legerplaats was weer

op de been, om den wedloop aan te zien. Naar hun oordeel was het nu,

na verloop van drie of vier seconden, reeds een uitgemaakte zaak wie de

overwinnaar zou zijn. Het Hert was zijn tegenstander reeds ver vooruit,

en liet hem bij elke schrede nog verder achter zich. De Roodhuiden

jubelden. Men zou krankzinnig hebben moeten zijn, om te kunnen denken,

dat de blanke den Roodhuid nog zou kunnen inhalen en voorbijstreven.

Het was een lust te zien hoe de kleine met zijn beentjes

manoeuvreerde. Men zag ze bijna niet, zoo snel bewogen zij zich; en

toch had het althans voor den opmerkzamen toeschouwer, allen schijn,

alsof hij, indien hij wilde, nog harder zou hebben kunnen loopen.

De Indianen begonnen rumoerig te worden; zij lieten eenige uitroepen

van hoon, van bespotting hooren; zij lachten, en dachten werkelijk,

dat zij daartoe alle reden hadden. De oorzaak was het volgende:

De beukeboom, uit de legerplaats gezien, stond in een regelrechte

richting midden in de prairie, hoogstens op een afstand van drie

duizend voet. Links van daar, doch minst genomen nog twee duizend

voet verder, stond de reeds uitgeduide pijnboom; en nu, nu de twee

loopers zich reeds op een tamelijken afstand van honk bevonden, zag

men duidelijk dat de kleine koers zette niet naar den beuk, maar op

den pijnboom aan. In die richting draafde hij voort, zoo hard als

zijn beentjes maar wilden gaan. Dat was waarlijk zoo belachelijk,

dat de vroolijkheid der Indianen zeer verklaarbaar was.

"Uw kameraad schijnt mij verkeerd verstaan te hebben," riep de hoofdman

Old Shatterhand toe.

"Neen!"

"Maar hij loopt immers op den pijnboom aan!"

"Ja, juist."

"Nu zal het Springende Hert nog zooveel te gauwer overwinnaar zijn."

"Neen!"

"Niet?" vroeg de Groote Wolf verwonderd.

"Het is een list, en die hebt gij hem zelf vergund."

"Oef, oef! Ja." En oef, oef! riepen ook de andere Roodhuiden, toen

de hoofdman hun de woorden van Old Shatterhand vertolkte. Hun gelach

verstomde, en hun spanning verdubbelde, vertienvoudigde zich.

Zeer spoedig had het Hert den beukeboom bereikt. Hij moest daar

driemaal omheen. Reeds bij de eerste ronde werd hij zijn tegenstander

gewaar, die in een geheel andere richting, ofschoon slechts een

driehonderdtal schreden zijwaarts af, voortdraafde. Hij bleef

verschrikt stilstaan, en staarde met verbazing den Moritzburger aan.

Nu zag men uit de legerplaats duidelijk, dat de kleine met zijn hand

naar den nog zoo ver verwijderden pijnboom wees; maar men kon niet

hooren wat hij daarbij zeide.

"Ientsj owomb, ientsj owomb (= naar gindschen pijnboom, naar gindschen

pijnboom)!" riep hij namelijk den Roodhuid toe.

Deze bedacht zich, of hij het wel goed verstaan had. Zijn gedachten

hielpen hem niet verder, dan tot de verklaring, dat hij den hoofdman

verkeerd verstaan moest hebben, en dat niet de beukeboom, maar de

pijnboom, de helft van den af te leggen wedloop was. De kleine was

intusschen reeds verder, veel verder gekomen; het was dus geen zaak

zich nog lang te bedenken of lang te aarzelen, want.... het leven

was er immers mee gemoeid!

De Roodhuid liet den beukeboom den beukeboom en stormde verder op den

pijnboom aan. Binnen weinige oogenblikken stoof hij den kleine voorbij,

en vloog zonder verder om te kijken op zijn tweede doelwit aan.

Dit veroorzaakte een geweldig rumoer onder de Roodhuiden. Zij huilden

en lamenteerden alsof het leven van allen op het spel stond. Des te

grooter was de blijdschap der blanken, en vooral van den dikken Jemmy,

toen zij de krijgslist van hun kameraad zoo goed zagen gelukken.

Deze maakte rechtsomkeert, zoodra het Springende Hert hem voorbij was

gestevend, en snelde op den beukeboom aan. Daar aangekomen, liep hij

er drie-, vier-, vijf maal omheen, en nam toen zoo hard als hij maar

loopen kon den terugtocht aan. Vier vijfde gedeelten van den afstand

legde hij af in gestrekten draf; toen bleef hij even stilstaan, om eens

naar den pijnboom te kijken. Daar stond het Springende Hert als aan

den grond genageld. Men kon natuurlijk evenmin zijn handen en armen

als zijn gezicht onderscheiden; maar zooveel was duidelijk te zien,

dat hij daar stond bewegingloos als een zoutpilaar. Hij; wist niet

hoe hij het had, en zijn verstand was niet genoeg ontwikkeld om te

kunnen raden, hoe glorierijk men hem bij den neus had genomen.

Hobble-Frank voelde zich in de hoogste mate tevreden, en legde het

nog overige gedeelte van den weg op zijn gemakje af, als deed hij een

wandelingetje. De Indianen ontvingen hem met sombere gezichten, maar

daar bekommerde hij zich niet om; hij trad regelrecht op den hoofdman

aan, klopte hem op den schouder, en vroeg: "Wel, oude kameraad! wie

heeft overwonnen?"

"Hij die de voorwaarden vervuld heeft," antwoordde de Roodhuid barsch.

"Dat ben ik."

"Gij?"

"Ja, ik ben immers aan den beukeboom geweest?"

"Dat heb ik gezien."

"En ik ben immers het eerst weder hier?"

"Dat zie ik."

"Heb ik niet, in plaats van driemaal, vijfmaal de ronde om den boom

heen gedaan?"

"Waarom twee keeren meer?"

"Louter uit genegenheid voor het Springende Hert. Toen hij er eens

omheen was geweest, is hij weggeloopen; daarom heb ik het de twee

keeren gedaan, die hij in den steek had gelaten, opdat de beuk niet

over hem te klagen zou hebben."

"Waarom is hij van den beuk weggeloopen om naar den pijnboom te gaan?"

"Dat heb ik hem willen vragen; maar hij stoof mij zoo gejaagd voorbij,

dat ik er den tijd niet toe had. Als hij komt, zal hij het u misschien

zelf wel zeggen."

"Waarom hebt gij eerst koers gezet op den pijnboom aan?"

"Omdat ik het voor een denneboom hield. Old Shatterhand had het een

pijnboom genoemd, en ik wilde weten wie gelijk had, hij of ik."

"Waarom zijt gij dan omgekeerd, in plaats van er naar toe te gaan?"

"Omdat het Springende Hert er naar toe ging. Van hem kon ik later

evengoed te weten komen wie zich vergist heeft, ik of Old Shatterhand."

Hij zei dat alles zoo bedaard en zoo natuurlijk, dat het bloed van

den hoofdman er bij kookte van woede. Zijn woorden kwamen bijna

sissend over zijn lippen, toen hij vroeg: "Hebt gij het Springende

Hert misschien bedrogen?"

"Bedrogen? Moet ik u neerslaan?" voer de kleine schijnbaar in drift

uit, terwijl hij zich van dezelfde woorden bediende, die de hoofdman

vroeger zelf gebezigd had.

"Of hebt gij een list gebruikt?"

"Een list? Waartoe zou die hebben kunnen dienen?"

"Om het Hert naar den pijnboom te laten loopen."

"Dat zou een onnoozele list geweest zijn, waarover ik mij zou moeten

schamen. Iemand, die om zijn leven wedloopt, laat zich als hij den

eindpaal bereikt heeft, niet nog een eind weegs verder zenden. Als

hij dat deed, zou het hem in zijn bol mankeeren; en zij, tot wie hij

behoort, zouden zich moeten schamen dat zij hem niet beter gedresseerd

hadden. Alleen een gek zou zoo iemand met een blanke laten wedloopen

om het leven. Ik kan u en uw vermoedens niet begrijpen, want gij

blameert er u mee."

De hand van den hoofdman greep in zijn gordel en omklemde het

heft van zijn mes. Dolgraag had hij den even moedigen als sluwen

en voorzichtigen kleine oogenblikkelijk overhoop gestoken; maar op

zijn woorden had hij niet genoegzaam vat, om zulk een daad te kunnen

rechtvaardigen, en hij moest dus zijn gramschap verduwen.

Hobble-Frank ging naar zijn vrienden, waar hij met stille, maar des

te hartelijker vreugde verwelkomd werd.

"'k Heb óók overwonnen; zijt gij over mij tevreden?" vroeg hij aan

Jemmy, in antwoord op zijn goedgemeende aanmaning toen de wedloop

begon.

"Natuurlijk! Gij hebt het slim overlegd. Het is in waarheid een

meesterstuk."

"Zoo? Houd dan deze pagina goed in uw gedachten, en sla die altijd

op, zoodra de alimentatie bij u opkomt, om mijn meerder doorzicht

in twijfel te trekken! Ha, daar komt het Springende Hert aan, niet

springende, maar alsof hij lood in zijn hielen heeft. Hij schijnt

geen goed geweten te hebben, en hij draait op zij, alsof hij bang is

dat hij klappen zal krijgen. Kijkt me zijn gezicht eens! En met dien

Confusius heb ik mij moeten meten. Ja, ja, de beenen doen het 'm niet,

zelfs bij het wedloopen niet; op het hoofd komt het 't meest aan!"

Het Springende Hert scheen ongemerkt weg te willen sluipen; maar

de hoofdman riep hem tot zich, en vroeg hem op barschen toon: "Wie

heeft overwonnen?"

"Het bleekgezicht," luidde bedeesd het antwoord.

"Waarom zijt gij naar den pijnboom geloopen?"

"Het bleekgezicht loog tegen mij. Hij zei, dat de pijnboom de

eindpaal was."

Old Shatterhand vertolkte aan Hobble-Frank, dat hij voor een leugenaar

uitgemaakt was. Daarom wendde de sluwe kleine zich terstond tot den

hoofdman: "Ik moet gelogen hebben, hoor ik. Ik moet aan het Hert gezegd

hebben, dat zijn eindpunt de pijnboom was. Maar dat is onwaar. Ik zag

hem aan den beuk staan; hij keek mij verbouwereerd aan, en scheen vol

bezorgdheid en angst, wat ik eigenlijk in mijn schild voerde. Toen

kreeg ik medelijden met den armen drommel, en riep hem toe: Ientsj

owomb! Ik zei hem dus, dat ik naar den pijnboom wilde. Waarom hij er

toen in mijn plaats naar toe geloopen is, is mij op dit oogenblik nog

een raadsel; misschien weet hij het zelf niet. Ik heb gezegd, Howgh!"

Old Shatterhand moest lachen, dat de kleine ironieke sprinkhaan zich

van de Indiaansche spreekwijze bediende. Maar de hoofdman werd daardoor

nog toorniger, en hij riep: "Ja, gij hebt gesproken en zijt klaar;

maar ik ben nog niet klaar en zal met u spreken, zoodra later mijn

tijd gekomen is. Maar mijn woord houden moet ik. Het leven, de scalp

en hetgeen aan het Springende Hert toebehoort, behoort thans aan u."

"Neen, neen!" zei de kleine afwerend. "Ik wil er niets van hebben. Houd

hem hier maar bij u, gij kunt hem best gebruiken, vooral wanneer er

weer eens een wedloop om het leven met een blanke moet plaats hebben."

Onder de Roodhuiden ging een zacht, toornig gemompel op, en de

hoofdman grauwde hem toe: "Gij kunt nu nog uw gal uitbraken; maar

later zult gij jammerend om genade smeeken, zoo luid, dat de hemel uw

gekerm terugkaatst. Ieder afzonderlijk gedeelte van uw lichaam zal

een afzonderlijken dood sterven, en uw ziel zal slechts aan stukken

en brokken van uw lichaam scheiden, al moest uw sterven maandenlang

duren."

"Wat kunt gij mij doen? Ik heb overwonnen en ben vrij."

"Er is er nog een, die nog niet overwonnen heeft, Old

Shatterhand. Wacht eenige oogenblikken, dan zal die voor mij in het

stof liggen, en om zijn leven smeeken. Dat zal ik hem schenken in

ruil voor het uwe, en dan zijt gij mijn eigendom."

"Maak maar geen misrekening," waarschuwde Old Shatterhand ernstig. "Ik

lig nog niet voor u. En zoo u gelukte, wat nog nooit aan iemand gelukt

is, namelijk mij te overwinnen, dan zou ik mijn leven toch niet voor

dat van een ander willen inruilen."

"Wacht tot later! Op dit oogenblik zijt gij nog ongedeerd; maar onder

de pijnen, die u wachten, zal uw trots gefnuikt worden en uw idee wel

veranderen, zoodat gij mij duizend levens voor het uwe zoudt bieden,

als gij die ter uwer beschikking hadt! Volgt mij allen! De laatste,

grootste en alles beslissende strijd zal nu beginnen."

De Roodhuiden volgden den hoofdman en de blanken kwamen achteraan.

"Heb ik misschien iets te veel gezegd?" vroeg Hobble-Frank op een

toon van bezorgdheid.

"Volstrekt niet," antwoordde Old Shatterhand. "Het is heel goed,

dat hun krijgsmanstrots eens buigen moet, zelfs voor zulk een klein

kereltje als gij zijt. Er valt niet aan te twijfelen, als het den

hoofdman gelukte mij te dooden, waart gij alle drie ook verloren;

want zij zouden zich dadelijk als tijgers op u werpen. Maar zelfs in

het hoogst waarschijnlijke geval, dat ik overwinnaar blijf, zelfs dan

zijn zij niet te vertrouwen. Zonder er bepaald reden toe te hebben,

houd ik mij overtuigd, dat de Roodhuiden ons in geen geval vreedzaam

zullen laten vertrekken. Zij hebben tot den wedstrijd man tegen man

besloten, denkende, dat wij alle vier zouden vallen. Nu hun dat uit hun

schreef is gegaan, zullen zij op iets anders peinzen. De hoofdzaak is,

dat wij hen imponeeren. Dat heeft hen tot nu toe in toom gehouden,

en zal ons ook verder van nut zijn. En daarom doet het mij genoegen,

dat gij zoo onbeschroomd tegen den Grooten Wolf gesproken hebt, gij,

Klein Duimpje tegen een Goliath. Dat heeft hem wel boos gemaakt;

maar hij heeft nu ondervonden, dat zelfs de kleinste der onzen hem

aandurft. Het zal er nu op aankomen, hem zelfs in de oogen der zijnen

klein te maken. Daartoe zal _ik_ mijn best doen, nu ik mij met hem

ga meten. Ik heb zoo het idee, dat zij ons als gijzelaars zullen

willen houden, en daartoe dienen wij hun den pas af te snijden,

want dan waren wij ons leven geen oogenblik zeker."

Onder deze verklaringen waren zij aan den kring gekomen, gevormd door

de daaromheen staande tenten en hutten. Midden in die ruimte waren

zij bezig met de toebereidselen tot den hoog belangwekkenden tweekamp.

Daar was in den grond een dikke paal geslagen, waaraan twee lasso's

bevestigd werden. En rondom het plein stond de gansche bevolking der

legerplaats, om getuige te wezen van het zeldzame schouwspel. Het

trof Old Shatterhand's opmerkzaamheid, dat de roode krijgslieden

allen volledig gewapend waren, een bijzonderheid, die hem niet

geruststelde. Hij besloot, daartegen op te komen, en stapte midden in

den kring, waar de hoofdman reeds stond in de houding van iemand, die

zich zeker waande van de overwinning. Naar de twee lasso's wijzende,

vroeg deze: "Ziet gij die riemen? Weet gij waartoe die dienen moeten?"

"Neen, maar dat kan ik wel begrijpen," antwoordde de jager. "Wij

moeten, zoolang de kampstrijd duurt, vastgebonden zijn."

"Juist. Het eene eind van de lasso zit aan den paal, het andere zal

om ons lijf gebonden worden."

"Waarom dat?"

"Opdat wij ons niet anders dan in dien engen kring zouden kunnen

bewegen, en dat wij elkander niet kunnen ontvluchten."

"Wat mij betreft, is die maatregel noodeloos, want het zal niet in

mij opkomen voor u op den loop te gaan. Ik begrip de ware reden. Gij

verbeeldt u, dat ik vlugger en behendiger ben, dan gij zelf zijt, maar

minder sterk; en nu wilt gij mij met die riemen den pas afsnijden,

om met mijn goede eigenschappen mijn voordeel te doen. Enfin, het is

mij tamelijk onverschillig! Met welke wapenen zullen wij strijden?"

"Ieder krijgt een mes in de rechter- en een tomahawk in de

linkerhand. Daarmee wordt gevochten, totdat een van ons beiden

dood is."

Het was duidelijk, dat de hoofdman deze manier van vechten gekozen

had, omdat hij dacht, daarin den blanke de baas te zijn. Maar Old

Shatterhand antwoordde doodbedaard: "Ik zal er genoegen mee nemen."

"Er genoegen mee nemen? Met uw dood? Want gij wordt stellig

overwonnen."

"Dat zullen we afwachten."

"Probeer eerst uw kracht eens, en doe mij dit eens na als gij kunt."

Dit zeggende nam hij een grooten zwaren steen, en tilde dien op. Hij

bezat groote spierkracht, en stellig zou niet een zijner Roodhuiden

in staat zijn geweest het hem na te doen. Old Shatterhand bukte,

om denzelfden steen op te tillen, maar bracht dien, naar het scheen

met de grootste inspanning, niet hooger dan een duim of drie. Er ging

een "oef!" van zelfvoldoening in den kring der Indianen op. Maar de

kleine Saks, zei tegen den dikken Jemmy: "Hij houdt zich maar zoo,

om den hoofdman nog opgeblazener te maken. Ik ben bepaald zeker,

dat hij dien steen best boven zijn hoofd kan tillen en hem dan een

voet of tien ver van zich afsmijten. Wij moeten het maar afwachten,

totdat het tot de perplexie komt. Dan zal de Roodhuid wel gewaarworden

waar Abram den mosterd haalt."

De hoofdman dacht er echter anders over. Hij had met zijn proefje

van krachtvertoon den blanke bang willen maken, en hij hield zich

overtuigd, dat hem dit gelukt was. Daarom zei hij op een toon van

gemoedelijkheid: "Gij ziet wat gij te wachten hebt. De bleekgezichten

zijn gewoon te bidden, als zij een wissen dood voor oogen hebben. Ik

vergun u, u tot uw Manitou te wenden eer de strijd begint."

"Dank u, dat is niet noodig," antwoordde Old Shatterhand kalm. "Ik zal

mij tot Hem wenden, zoodra mijn ziel tot Hem gaat. Gij zijt een sterke

man, en ik hoop, dat gij u in dezen strijd alleen op u zelf verlaat!"

"Dat zal ik. Wie zou mij helpen?"

"Uw krijgslieden. Naar het schijnt houden zij het toch voor mogelijk

dat gij door mij overwonnen wordt. Waarom hebben zij zich gewapend,

alsof zij moeten gaan vechten?"

"Zijn uw metgezellen dan ongewapend?"

"Neen. Maar wij zullen al onze wapenen naar onze tent brengen. Dat

is bij de bleekgezichten zoo het gebruik. De trots van een dapperen

blanken krijgsman gedoogt niet, dat door de een of andere omstandigheid

de schijn van argwaan op hem geladen kan worden. Moet ik gelooven,

dat ook gij een dapper man zijt?"

"Wilt gij mij beleedigen?" riep de Roodhuid driftig. "Ik heb geen

hulp van anderen noodig. Mijn krijgslieden zullen al hun wapenen in

de tenten brengen, als de uwen dat ook doen."

"Goed. Gij zult zien, dat wij het terstond doen. Ik zal enkel mijn

mes behouden."

Hij gaf zijn overige wapentuig aan Hobble-Frank. Jemmy en Davy

deden insgelijks. Daarbij zei hij tegen den kleine in het Duitsch:

"Gij brengt dit alles in de tent; maar als gij niet bespied wordt,

schuift gij het aan de achterzijde weer naar buiten. Gij komt niet hier

terug. Men zal uw uitblijven niet eens opmerken, daar aller aandacht

gevestigd zal wezen op den kampstrijd hier. Gij kruipt achter uit de

tent, en maakt onze paarden, die zich daar bevinden, reisvaardig."

"Wat hebt gij met dien man te praten?" grauwde de hoofdman hem toe. "En

waarom spreekt gij een taal met hem, die wij niet verstaan?"

"Omdat dit de eenige taal is, die hij goed verstaat."

"Wat hebt gij tegen hem gezegd?"

"Dat hij die voorwerpen in onze tent moet brengen, en daar blijven

om ze te bewaken."

"Waarom bewaken? Denkt gij dat wij u bestelen zullen?"

"Neen; maar ik kan mijn toovergeweer niet alleen laten. Ik zou niet

gaarne willen, dat er een ongeluk mee gebeurde. Gij weet dat het

afgaat en de roode mannen kwetst, zoodra een ander het aanraakt."

"Ja, dat heb ik gezien. Gij kunt het dus nu nog laten bewaken. Maar

zoodra ik u gedood heb, zal ik het voorzichtig laten begraven of in

het meer laten werpen, om het onschadelijk te maken."

Op het bevel van den hoofdman legden de Indianen hun wapenen af,

en gaven die aan de vrouwen, om ze in de tenten te brengen. Ook

Hobble-Frank verwijderde zich. De hoofdman ontdeed zich van zijn

bovenkleederen, om er niet in zijn bewegingen door belemmerd te

worden. Old Shatterhand volgde dat voorbeeld niet. Ingeval hij overwon,

zou het weer-aankleeden een tijdverlies hebben veroorzaakt, dat zeer

licht noodlottig had kunnen worden. De vrouwen keerden spoedig terug,

om toch niets van het schouwspel te verliezen. Aller oogen waren op

het middelpunt van den kring gevestigd, en niemand dacht meer om den

kleinen Saks.

"Nu hebt gij uw zin gehad," zei de Groote Wolf. "Willen we nu

beginnen?"

"Eerst nog een vraag. Wat zal er met mijn kameraden gebeuren als gij

mij doodt?"

"Die zullen onze gevangenen zijn."

"Maar die hebben zich toch vrijgevochten, en kunnen immers gaan waar

zij willen."

"Dat zullen zij ook. Maar voorloopig houden wij hen vast als

gijzelaars."

"Dat is in strijd met de afspraak; maar ik beschouw het als onnoodig,

daarover een woord te verspillen. En wat gebeurt er verder, ingeval

dat ik u dood?"

"Dat zal het geval niet worden," antwoordde de Roodhuid hooghartig.

"Wij moeten dat geval toch onder de mogelijkheden rangschikken."

"Nu goed. Als gij mij overwint, zijt gij vrij!"

"En zal niemand ons tegenhouden?"

"Geen mensch!"

"Dan ben ik tevreden, en wij kunnen beginnen."

De schat in het Zilvermeer · 第 36 / 51 段