Majuba gewroken!
Het vreeselijk kanongebulder, dat wij op Zondag, 18 Februari, zoo
duidelijk zelf te Warrenton konden hooren, was op Cronjé gericht! Dat
bleek weldra uit de oorlogstelegrammen, die naar de verschillende
Generaals op alle punten van het vechtterrein vlogen. Uit die
telegrammen kon ik duidelijk uitmaken, dat onze veteraan Generaal
heel spoedig reeds na zijn vertrek van Magersfontein door den vijand
werd achterna gezet. Tegen middernacht begon zijn geweldig lager
eerst in beweging te komen. Het intrekken van zijn ver verwijderden
rechtervleugel vereischte veel tijds; het vergaderen der menigte ossen
en paarden en het gereedmaken der vele wagens verslonden ook nuttige
uren. Dan, de oude Leeuw van Potchefstroom had geen haast: hij vreesde
geen mensch, en vooral geen Brit. Op zijn gemak viel hij terug in de
richting van Koedoesrand, op den grooten weg naar de Vrijstaatsche
hoofdstad. Langzaam rolden de zware ossenwagens voort voorbij het
Engelsche leger, dat op Rondavelsdrift de kansen van den krijg
afwachtte. Daar stond Lord Kitchener klaar, om zijn prooi te bespringen,
als hij er mogelijk voorbij mocht komen, terwijl Lord Roberts te Ramdam
bezig was alle mogelijke krachten tegen den Vrijstaat te verzamelen.
Tot blijde verbazing van Kitchener trok Cronjé koelbloedig voorbij de
Rondavelsdrift. De stofwolken kon men van verre Vrijdagmorgen vroeg
zien. Honderden wagens; zegge een duizend ruiters, en vier duizend man
te voet, of op de wagens; en vele vrouwen en kinderen met hen—'t was
voorwaar een Groote Trek, die er onder gevaarlijke omstandigheden aan
den gang was. Het waren de afstammelingen van de oude Voortrekkers, die
daar voor de oogen van Kitchener den Vrijstaat binnentrokken. Ook zij
waren vast besloten hun doel te bereiken, maar hunne voorvaderen hadden
slechts met dieren en menschen te kampen—_zij_ zouden weldra door
35,000 Britsche troepen onder de beste Generaals, door 60 kanonnen
gesteund, aangevallen worden.
Langzaam en statig rammelen de logge bokwagens over den zwaren weg.
Snel worden zij door Kitcheners Lichte Rijdende Infanterie nagezet.
Van den vroegen morgen tot den laten avond wordt er gevochten en steeds
gevochten; maar de Boerenruiters houden de Engelschen zonder moeite op
een eerbiedigen afstand van de geduchte Mausers. Commandanten De Beer en
Froneman en Wolmarans schieten de achtervolgers gedurig terug, terwijl
het logge lager langzaam voortrolt. De Leeuw draait zich van tijd tot
tijd om, als de jachthonden hem tenakomen—en dan vliegen zij jankend
en hinkend terug, na een korte kennismaking met zijne voortanden.
De zon is afmattend warm; de ossen zijn vermoeid; de paarden mager;
langzaam, al te langzaam valt het groote lager terug. Er is geene haast
noodig, denkt de Generaal. De Engelsche soldaat gaat meestal te voet.
De weg vóór mij is nog open. Alles is nog wel. Slaapt gerust, burgers.
Morgenochtend, voor het schemert, trekken wij weer voort!
Zoo gezegd, zoo gedaan: er wordt een lager eenige mijlen van den naasten
drift door de Modderrivier getrokken, en mensch en dier rust zich uit
voor een nieuwen dag van strijd. Hoe jammer, dat de Generaal niet wat
meer beangst is! Hoe jammer, dat hij voor geen twijfel vatbaar is! Zelfs
dezen nacht kan hij nog gemakkelijk _zonder zijn wagens_ door de rivier
komen. Er was niemand om hem dit te beletten. De Engelsche ruiterij trok
dien nacht _achter_ (niet vóór) hem om, ging de rivier door en reed
langs de zuidelijke oevers op naar de Klipkraaldrift. Het voetvolk
stapte van Rondavelsdrift en Jacobsdal nader, aan denzelfden kant der
rivier, maar Zaterdagnamiddag zouden zij eerst de driften ten westen
van Koedoesdrift bezetten. Lord Roberts was nog te Ramdam. French met
zijne ruiters bij Kimberley in het zand sukkelend. Er was ruim tijd
voor Cronjé om te paard en te voet, met al zijne manschappen—ja, ook de
vrouwen, indien noodig; maar dit was natuurlijk niet noodzakelijk—te
vluchten. Men zegt, dat Commandant De Beer onder anderen hem smeekte,
zijn lager achter te laten en haastig voort te rukken. Tevergeefs. De
stoutmoedige meende alles te moeten redden. De vrouwen wilden van geen
achterblijven hooren. Zijne eer was er mede gemoeid. Hij wilde zijn
lager niet voor zijn leger opofferen. En Lord Roberts? Die dacht er
gansch anders over. Een groot konvooi liet hij bij Blauwbanksdrift in
den slag—om zijn prooi des te zekerder te kunnen vangen. Hij gaf 180
volgeladen wagens aan Generaal De Wet prijs, in zijn gretige haast om
den geduchten Cronjé met zijne duizenden voor te keeren. Hij liet
Generaals du Toit en Kolbe ongehinderd van Riverton terugvallen, met al
hun wagens en kanonnen, omdat hij French bij Koedoesrand noodig had.
En _nog_ zou hij zijn zin niet gekregen hebben, was Cronjé niet de
overmoedige, hardnekkige man, die zijn vijand verachtte en op zijn
vriend toornde, als deze van gevaar sprak. Alzoo speelde hij precies
_die_ kaarten, welke Lord Roberts ten voordeele kwamen!
Zaterdagmorgen vroeg verzette Generaal Cronjé voor 't laatst zijn
lager. Met het grootste deel zijner wagens trok hij in de richting van
Koedoesdrift op. Den ganschen dag door werd hij weer nog heftiger dan
te voren aangevallen. Al vechtende bracht hij het voorbij Paardenberg.
Tegen den namiddag, echter, bleek het, dat de Koedoesrand posities en de
drift reeds door French bezet en de aftocht afgesneden was. Ongelukkig
was er zulk eene verwarring in de Vrijstaatsche commando's ten oosten
van Kimberley ontstaan, dat Generaal Ferreira eerst den volgenden dag
met de vervolgers van Cronjé slaags raakte. In plaats van French moest
Ferreira de heuvelen te Koedoesrand, alsmede de drift in bezit gekregen
hebben. Dan was Cronjé er nog mogelijk doorgekomen. Maar de ongelukkige
»zoon van Ares, Paniek geheeten” speelde een groote rol onder de
belegeraars van de diamantenstad in die akelige dagen. Vele burgers
gingen zonder verlof naar huis. Het was uiterst moeilijk voor een
Generaal of Commandant, om 500 man bijelkaar te krijgen.
Zaterdagnacht was de positie van Cronjé reeds hopeloos; maar waar
hij tegenwoordig is, kan er geene paniek ontstaan. Zijn krachtige
persoonlijkheid overwint zelfs dien onverschrokken zoon van den
oorlogsgod. Hij trekt zijn lager dicht bij de rivierwallen en de burgers
wedijveren met elkaar in het graven van de slooten en gaten, die de
bewondering van deskundigen later gaande gemaakt hebben. Gelukkig voor
hen, dat zij zulks gedaan hebben, want den volgenden morgen zou een van
de grootste en bloedigste slagen uit den oorlog aldaar plaats vinden.
Colonel Villebois, die in Cronjé's lager te Magersfontein was, toen
French naar Kimberley doordrong, en ook met den Generaal retireerde,
wist zich opweg met zijn adjudant naar veilige oorden te begeven.
»Hij vertrouwde den vrede niet”—hij had niet het kinderlijk geloof in
Cronjé, hetwelk den gewonen burger kenmerkte. Hij nam »French leave” van
de boel! Commandant Tollie De Beer en eenige honderden ruiters met hem
raakten ook op de een of andere wijze van Cronjé los, en kwamen veilig
bij onze commando's op de Vaal aan. Generaal Froneman en een klompje
Vrijstaters werden van het lager afgesneden in den strijd—en vochten
hun weg naar Generaal De Wet's commando door. Ja, ruim een duizend
Vrijstaters, te voet zoo wel als te paard verlieten in die dagen het
gedoemde lager—zonder verlof natuurlijk, evenals de ratten een zinkend
schip vaarwelzeggen. En wie zal het hun kwalijk nemen! Zij deden
eenvoudig, wat allen als één man moesten gedaan hebben. Zij deden
wat Generaal Olivier en vele andere Vrijstaatsche Commandanten in de
omgeving van Fouriesburg later deden, toen Generaal Prinsloo zich zoo
lafhartig overgaf.
_Blinde_ gehoorzaamheid aan zijn Hoofdofficieren is in den Boer—wiens
kracht in den strijd juist in zijn individualiteit en eigene initiatief
gelegen is—geene deugd. Dat talent laat hij aan den professioneelen
soldaat over, met het goede, zoo wel als kwade erin begrepen.
Cronjé bleef echter, doodbedaard bij de rivier, te midden van een cirkel
van ijzer en vuur »op tijding van De Wet en Ferreira wachten.” Zoo liet
hij per heliograaf uit zijn leger naar een kopje over de rivier, waarop
er van onze menschen waren, spiegelen.
Nog een is er, die doodkalm de toekomst blijft afwachten: President
Kruger, te Pretoria. Hij seint aan zijn collega te Bloemfontein dien
donkeren Zaterdag: »De Heer is getrouw. Hij zal zijn werk voleinden,
waarmede Hij begonnen is, om ons vrij te maken. Lees Psalm 83; 1 Petri
5: 7 en 8; Psalm 118: 10.”
Den volgenden morgen liet Kitchener het Boerenlager van alle kanten
bestormen. Het was op een Zondag. Overal in de kerken en lagers der
Republieken werd er voor Cronjé gebeden. De innig vrome Generaal was ook
stellig van plan om dien dag als een Sabbatdag met zijne manschappen
te vieren; maar de voortvarende en eerzuchtige Brit wilde het anders
hebben. Gedachtig aan de gemakkelijke zegepralen, die hij in het Noorden
van Afrika op de fanatieke volgelingen van den Madhi had behaald,
meende hij ook in het verre zuiden van ons werelddeel zich dien dag met
roem te mogen beladen. Van alle zijden donderden zijne kanonnen op het
Boerenkamp, terwijl het voetvolk vol moed en geestdrift aanstormde.
Smith-Dorrien kwam van het zuiden, Knox van het noorden aanrukken,
elk met eene Brigade. Van het oosten en het westen kwamen er andere
regimenten op de »eenvoudige veeboeren” toestroomen. De Schotten werden
met het geroep »Gedenk aan Magersfontein” opgezweept. French, die een
tweeden brillianten rit ten nadeele van Cronjé met buitengewoon succes
had uitgevoerd, nam ook aan den grooten aanval deel. Ditmaal echter,
was het geen Zariba, maar een Boerenlager, dat de Held van Khartoum
aantastte, en het ging hem gansch anders aan de Modder, dan aan den
Nijl. Eenige wagens werden aan brand geschoten en mogelijk een 50 of
60 Boeren gedood en gewond—maar de trotsche Brit moest 1500 dooden
en gewonden op het veld laten en onverrichterzake terugvallen. Twee
Kolonels werden door de wreede Mausers neergeveld en Generaals Knox
en Hector Macdonald werden beiden gewond. De ongelukkige Schotsche
regimenten moesten ruim 300 man bij de lange lijst van 11 December
voegen. Het waren Hollandsche Afrikaanders—niet dweepzieke
Arabieren—waarmede Lord Kitchener te doen had. De harde les van dien
Zondag schijnt hij nooit vergeten te zijn. Een »Boerenjacht” is alles
behalve een »Boar-hunt”—niet waar, mijnheer?
Toch bleef de toestand van Cronjé hopeloos. Het kordon werd al sterker
en hechter om hem getrokken; de kring van ijzer en staal al nauwer
toegehaald—naarmate de vreeze der Mausers zulks toeliet. Generaal
Ferreira komt bijna bijtijds om zijn collega in den bitteren nood te
helpen. Ja, dienzelfden Zondag is hij in aanraking met de Engelschen bij
de Vendutiedrift en den Koedoesrand geweest, maar in den nacht kwam hij
plotseling aan het einde van zijn nuttig leven. Met een geweer wekte hij
een slapenden burger en—op eene of andere wijze ging het schot af, hem
doodelijk treffend. De reeds verflauwende moed zijner burgers daalt
daarna steeds meer naar _zero_, en van de noordzijde is er geen heil
voor Cronjé te wachten. De heuvelen en randen aan dien kant zijn weldra
allen in de handen des vijands—prachtige posities, die feitelijk
onneembaar zijn.
Aan de zuidzijde, overkant der rivier, schijnt er voor eenigen dagen
eene ster van hope te flikkeren. Eenige mijlen ten zuidoosten der
Engelsche posten was er een belangrijk kopje in het open veld gelegen.
Met verlangen tuurde Generaal Cronjé gedurig in die richting. Daar
ginds, ver achter dat kopje, is Bloemfontein gelegen. Vandaar moeten de
hulptroepen opdagen. Vandaar, of wij zijn verloren. Ah! er blinkt iets!
't Is een heliograaf. Wat zou het zijn? Zijn het Engelschen of Boeren,
die er signalen maken?—De helio uit Cronjé's kamp zal het raadsel wel
spoedig oplossen..... Goddank! 't is De Wet! Er is hoop. Er is licht in
de duisternis.
Generaal De Wet is pas zijn wonderlijke loopbaan in den oorlog
ingetreden. Vroeger stond hij onder anderen; van het midden van Februari
is hij feitelijk zijn eigen baas geworden. Zijne moedigheid werd door
de vangst van het konvooi bij de Rietrivier op 15 Februari ingewijd en
gerechtvaardigd. De ééne, enkele lichtstraal op dien donkeren Donderdag
kwam van De Wet. Later zou deze merkwaardige man nog menig sterloozen
nacht met een schitterend wapenfeit verlichten. Eer de Engelschen van
zijne tegenwoordigheid wisten, was dat ééne »kopje van hoop” in zijn
bezit. Een patrouille van »Kitchener's Verkenners” werd er heel netjes
op Zondag, gedurende het gevecht, verrast en gevangengenomen. Het eerste
station op Cronjé's weg naar Bloemfontein is dus in onze handen—een
meesterstuk, dat het krijgstalent van Generaal De Wet helder voor den
dag brengt. Verder kon hij het echter niet brengen—zelfs de geduchte De
Wet moest het hoofd voor een sterkere buigen. De _moed_ der burgers was
voor een tijd van hen geweken! De oude kracht was niet meer in Simson!
Er is een booze geest van neerslachtigheid en moedeloosheid in de
lucht, als het ware, en wie kan »die geestelijke boosheid in de lucht”
bekampen? De Wet's legertje is klein, zeer klein—een vijf of zeshonderd
man. En het groeit zoo langzaam aan. Wat kan hij met dat luttel volks
ondernemen? Er wordt geseind en teruggeseind. Van Natal en Colesberg
worden er commando's geoefende en beproefde burgers geroepen. Maar de
tijd is te kort, om op _die_ mannen te wachten, en de duizenden in den
Vrijstaat zijn voor het oogenblik tot honderden versmolten. Overal treft
men in die dagen vluchtende burgers aan. De vrouwen op de plaatsen
weigeren je in vele gevallen voedsel en huisvesting te geven, maar de
stroom wordt daardoor niet gestuit. Scheldwoorden en schimptaal helpen
ook niet: de zoon van Ares, Paniek wel te weten, is kapelmeester van het
orkest deze week. Wie kan het tegen hem opnemen?
Generaal Philip Botha—een Vrijstaatsch Volksraadslid, en broeder
van den Held van Colenso—doet zijn best een commando op de been te
brengen ten noorden der Modder, maar klaagt bitterlijk over de vele
vluchtelingen en de weinige getrouwen. »Allen verlaten mij”—seint De
Wet, in een oogenblik van bitterheid, nadat de Engelschen hem, op
Woensdag, 20 Februari, uit zijn prachtige positie verdreven hadden.
Wonderlijk en vreeselijk is de menschelijke geest gemaakt: ons geloof en
onze moed worden oneindig versterkt, _of verzwakt_, door wat wij in onze
medemenschen aantreffen. Die gedurig met helden omgaat, wordt ook een
held; die overal op zijn weg lafaards tegenkomt—zooals het in die
treurige week ging—gaat weldra ook op de vlucht.
Arme Cronjé! De eenige wachttoren over de rivier is door zijne vrienden
verlaten. Te Poplar Grove, ruim twaalf mijl hooger op langs de rivier,
werd er door het reddingsleger stelling genomen en tegen het einde der
week had De Wet er 2500 man onder zijne vaandelen. Terwijl er een stroom
van Transvalers naar Edenburg en Bloemfontein en Brandfort gaat, om de
treinen naar het noorden, in plaats van den vijand te bestormen, en
een menigte kleine beekjes Vrijstaters naar huis vloeien—snelt er een
tegenstroom naar Poplar Grove. Er is dus een kern van standvastigen
ook in die akelige week. Zoo zal het ook later, onder nog hachelijker
omstandigheden, met de Federalen gaan.
Intusschen zijn de belegerden bij Paardenberg er maar ellendig aan toe.
Een hunner zal later wel een realistische beschrijving van het een en
ander geven. Negen dagen lang hielden zij het vol! Negen lange dagen van
angst en ontbering en ellende, die den moed en de volharding van een
Cronjé zelfs zwaar beproefd hebben. Dag en nacht moesten zij zich in de
slooten en gaten verbergen. Dag en nacht snorden de bommen over hunne
hoofden. Gedurig vloog er een wagen aan brand. Telkenmale werd er een
hunner gewond of gedood. Er was geen geneesheer voor de gewonden; geen
behoorlijke verzorging voor de stervenden en er kon nauwelijks een
vuurtje aangestoken worden, om wat eten klaar te maken. Hongersnood was
er juist niet, maar men zegt, dat velen rauw meel bij handen vol aten.
Later ging er ook een ballon op aan de westzijde en het vijandig vuur
werd al scherper en gevaarlijker. Welk een leven voor de ongelukkige
vrouwen, die zich bij Cronjé bevonden! Zij wilden ook naar het front, om
wat van den oorlog te zien. Thans zien en hooren zij, wat zij nimmer
vergeten zullen. Zij zijn in een maalstroom van vuur en lyddiet en
ellende gedompeld. Zij hebben een voorsmaak van het vagevuur, zou een
Roomsch-Katholiek zeggen. Waren zij toch liever tehuis gebleven! 't Is
zeer waarschijnlijk, dat zij in meer dan een opzicht eene hindernis
en geene hulpe in den terugtocht van Cronjé waren. Over het algemeen
zijn de vrouwen meer standvastig en onbuigbaar in den oorlog geweest,
dan de mans; maar de smeltkroes van het Paardenberg-lager was voor
vrouwenzenuwen gewis te vurig, om van de kleine kinderen niet eens te
spreken.
Er werd een aanbod door Lord Kitchener aan Cronjé gedaan, om de vrouwen
en kinderen uit het lager te zenden, maar ongelukkig werd er geen gevolg
aan gegeven. Het kan zijn, dat de vrouwen zelve er niet van hooren
wilden, of misschien was Cronjé boos op Kitchener, omdat deze hem geen
wapenstilstand op den Maandag na den grooten slag wilde toestaan, om
zijne dooden ter aarde te bestellen. Dit billijk verzoek werd beslist
door Lord Kitchener geweigerd! Gansch anders behandelde Generaal Joubert
zijn edelen tegenstander, Sir George White, te Ladysmith—hij gaf hem
twee dagen wapenstilstand na den Modderspruitslag. Zoo ook Cronjé
na Magersfontein, en Botha na Colenso. Mogelijk kon Kitchener den
Paardenbergslag niet verkroppen. Had hij niet stellig verwacht, Cronjé
en zijne dapperen gevangen te nemen, vóór Lord Roberts op het tooneel
verscheen? En ziet, toen deze Maandagnamiddag naar Paardenberg met een
nieuwe divisie en veel grof geschut aanrukte, vond hij er een groot
veldhospitaal en een teleurgestelden Generaal. Alzoo werd Lord Roberts
en niet hij de Held van Paardenberg!
Op Vrijdag 23 Februari werd er een tweede poging aangewend, om Cronjé
van buitenaf te redden. Deze liep treurig af. Drie afdeelingen weken
terug, toen zij met het vijandelijk vuur maar eventjes hadden
kennisgemaakt. Een aantal Winburgers drongen zoo diep binnen de
Engelsche liniën, dat zij in den slag bleven, of gevangengenomen
werden. Ook Commandant Spruyt, de wakkere Heidelberger, werd
gevangengenomen, om later weer als een doode uit het graf te voorschijn
te treden. Hij sprong uit den trein ergens in de Kaapkolonie en
wist zijn weg naar Bloemfontein en vandaar naar het front terug te
vinden. De Boeren-Generaals moesten eindelijk erkennen, dat er aan
den eendrachtigen en flinken aanval op het kordon om Cronjé niet te
denken viel. De Britsche overmacht was te geweldig: 35,000 man met
60 kanonnen! De heuvelen en kopjes bij de rivier waren borstelig—als
stekelvarkens—vanwege de veelheid der kanonnen en Lee Metfords. Aan
alle kanten was er een dubbele kring van staal en ijzer om het lager.
Van kanonnen-bestorming wilden de burgers in die dagen niet hooren. De
bloote gedachte vonden zij ongerijmd. Later zou de nood ze ook _dat_
leeren doen. Later, maar niet in deze _sombere periode_ welke wij thans
behandelen.
Wat gedaan? Een boodschap werd aan Cronjé geseind, dat men in twee
groote afdeelingen ergens op een aangewezene punt in den nacht zou
verschijnen—zoo wat vijf mijl van het lager—in de hoop, dat hij dan
uit het kamp in die richting zou doorstormen. Allen meenden dat Cronjé,
door middel van wagenplanken en touwen wel zijne manschappen over
de rivier zou weten te krijgen, en een gezamenlijke aanval op één
punt in het kordon hem wel een weg ter ontkoming zou banen. Twee
achtereenvolgende nachten werd er echter tevergeefs op het geruisch van
voetstappen uit het lager geluisterd. Er kwam niets van dien kant
opdagen.
Tot overmaat van ramp begon het zwaar te regenen. De rivier werd spoedig
vol, en de eenige weg ter verlossing—indien er van verlossing sprake
kon zijn—werd door de wreede, meedoogenlooze natuur afgesloten.
_Streams will not curb their pride
The just man not to entomb,
Nor lightnings go aside
To give his virtues room._
(M. ARNOLD)
Toen kwam de onverschrokkene, zoo niet roekelooze »Danie Theron”, van
Krugersdorp, met een voorstel voor den dag. Hij zou tot Cronjé's lager
in eigen persoon doordringen! Hij alleen—want geen andere zou hem in
deze willen vergezellen. Hij, de schrale, tengere, kleine man zou zijn
leven er aan wagen, om aan Cronjé persoonlijk te vragen: »wat er voor
hem kon gedaan worden?—wat hij van plan was te doen?” Een tweede,
zoo als de onvergelijkelijke Danie, zou men tevergeefs in de twee
Republieken zoeken. Hij is eenig in zijn soort—eene verkenner, zoo
als de gansche oorlog geen andere heeft te voorschijn gebracht—een
genie op dat gevaarlijk, maar uiterst noodzakelijk gebied. Gevaar was
zijn element, een waagstuk zijn vermaak; kogelgefluit zijne muziek.
Tevergeefs werden er bezwaren tegen zijn vermetel voorstel geopperd. Hij
bleef bij zijn voornemen—en drong werkelijk tot bij Generaal Cronjé
door!
Och! dat hij ons met zijn eigene lippen kon vertellen, hoe hij dat
stoute stuk uitvoerde! Twee of driemaal hoorde een Engelsche wacht een
geritsel in het holle van den stormachtigen nacht—»Halt! Who goes
there?” weerklonk er boven de koude winden. De ongenoode gast wierp
zich laag op den grond. De soldaat luisterde met gespannen aandacht. De
verkenner hield zijn revolver gereed en de scherpe oogen op den vijand
gericht. Levend zou niemand _hem_ vangen! De kritieke pauze eindigt
gunstig voor den jongen Transvaalschen burger. De wacht stapt weer op
en af naar gewoonte, en de listige, athletische Danie glijdt als een
slang op den buik door de dubbele keten om Cronjé getrokken. Geen
Amerikaansche Roodhuid kan hem in deze overtreffen. Eens kon hij zich
slechts redden door koelbloedig »Friend” en »Allright” te zeggen, toen
hij op een klompje Engelschen afkwam en toegesproken werd. Toen kwam
hij bij den drassigen rivierwal aan. Hoe hij er uitzag, nadat hij door
water en modderig slijk zijn weg tot Cronjé gewroet had, laat zich wel
voorstellen. Daar zat hij dan eindelijk in een of andere holte bij den
stoeren Boer van den ouden stempel, die, zelf dapper, in den jongen
man een nog grootere dapperheid moest erkennen. Koud, nat, bibberend,
ellendig naar het uiterlijke, was de schrale Daniël Theron op dat
oogenblik de grootste en edelste burger in den lande. Zijn ijzeren
wil werd slechts door zijn offervaardigheid overtroffen, of, beter
gezegd, het offer dat hij dien nacht voor zijn land en volk op 't
altaar legde, was hem dierbaar als Isaäk aan Abraham vanouds, en de
wilskracht van den »vader der geloovigen” werd daartoe vereischt. Zijn
nobele taak verheft hem boven het lichamelijke en het uiterlijke.
Hij is de vertegenwoordiger zijns volks, de drager van de eer der
Republikeinsche Regeeringen en Generaals, die _in zijn persoon_ den
grijzen, zwaar-beproefden held en diens duizende getrouwe volgelingen
de hand van liefde en sympathie toereiken.
»Wij willen u zoo gaarne tegemoetkomen, als er een weg voor te vinden
is. Maar zeg ons: Hoe gaat het met uwe mannen? Wat kunt gij nog wagen?
Is er nog moeds genoeg voor een stoute onderneming—na al het lijden der
laatste week? Na de slapelooze nachten en de akelige tooneelen rondom
u? Het gekerm der gewonden, het bleeke gelaat der vrouwen, het snikken
der kleine kinderen, de verpestende stanken, waarin gij verplicht zijt
te leven?” Danie Theron belichaamt die woorden en nog veel meer dien
gedenkwaardigen nacht uit zijn kort en vurig leven. Cronjé is er sterk
voor, zijn weg met geweld door het kordon heen te slaan; maar hij
moet eerst zijn onderofficieren raadplegen, en er heerscht groote
verdeeldheid onder hen. Hij zal, echter, zien wat hij in deze doen kan.
Onverrichterzake moest de jonge patriot zijn gevaarlijken terugtocht
weer ondernemen. Hij kon geen vast besluit aan zijn Generaal mededeelen.
Er was geen licht in de duistere nacht opgegaan. Bijna naakt en
verkleumd kwam hij bij zijne beangste vrienden weer aan, en weken lang
moest hij in een hospitaal voor zijne heldendaad boeten. Wie is er die
zijn werk als noodeloos en nutteloos bestempelt? Hij kent nog niet
den gloed, die er van zulk eene daad door alle eeuwen henenstraalt.
Tevergeefs?—Neen, duizendwerf neen! De herinnering aan dat edele
waagstuk zal duizenden jonge harten met ridderlijke idealen bezielen.
Zijn heerlijke zelfopoffering is een van de beste erfenissen, die één
geslacht aan een volgende kan nalaten. Zulke mannen vormen volkeren. Zij
beheerschen ons uit het graf.... helaas! ook »de Held van dien Nacht” is
in dezen oorlog gevallen—maar »hij leeft, nadat hij gestorven is”. Dat
is gewis.
Zondag, 25 Februari, was er een openbare Bededag in de twee Republieken.
Ernstig wordt er om de bevrijding van Cronjé gebeden. Maar er kwam geene
verlossing. De tijd der wonderen—zoo als die in de dagen van Israël
beschreven zijn—bestaat thans niet. Zonder een groot bloedbad was er
geene uitredding voor Cronjé. Het kwam hier op een stoute handeling aan.
Jammer, dat Cronjé zich dien Maandag niet overgaf. Hij en zijne mannen
hadden genoeg gedaan, om gelijk een Hektor te kunnen zeggen: dat zij
zich »niet zonder strijd en eere” hebben overgegeven, »maar na een groot
wapenfeit, waarvan de nog ongeboren geslachten hooren zullen.” Mogelijk
hoopte hij nog tot het laatste toe, zijne burgers tot een algemeenen
uitval omtehalen. De »storie” van die dagen moet nog geschreven worden.
Wij tasten hier in het blinde rond. Wat Majoor Albrecht betreft. Van hem
wordt gezegd, dat hij Cronjé gesmeekt heeft, om hem toe te laten met
zijne kanonnen door den vijand heen te jagen. Een wanhopig voorstel,
maar bepaald kenmerkend van den moedigen Duitscher, die als Elektra,
de dochter van Agamemnon, »zich edel zou gered hebben of edel zou
gesneuveld zijn”.
ή γαρ άν καλῶς
έσωσ΄ έμαυτην ή καλῶσ άπωλομην.
(SOPHOCLES)
Lord Roberts werd ongeduldig. Het bombardement werd al geweldiger. De
kanonnen overstemden het gedreun des donders. Vier groote Howitzers, die
niets dan lyddiet braakten, namen dien Maandag aan de helsche symphonie
deel. Doch de hardnekkige Boer wilde zich niet onder het harde juk des
noodlots krommen. In den nacht werd er eene poging gedaan, om van de
zuidzijde wat nader naar zijne grachten te kruipen. Er werd echter
weinig uitgericht. Slechts eenige afdeelingen Canadezen hadden het
geluk, wat veld te winnen. Dit heeft echter met de overgave van den
volgenden morgen niets te doen, als ik mij niet vergis.
De burgers waren erg verdeeld—wordt verteld—en de verdeeldheid nam met
den dag toe. Cronjé en de minderheid wilden een uitval wagen: de groote
meerderheid wilde zich overgeven. Dinsdagmorgen, heel vroeg zag men er
een menigte witte doeken en vlaggen waaien—de individuën hadden de wet
in hun eigene handen genomen! Zij waren moede en moedeloos; zij waren
ziek van de stanken en van het gebrek, dat er geleden werd. Zonder
er aan te denken, dat de zon dien dag op een groot republikeinschen
Feestdag zou opgaan—zonder Cronjé's toestemming te verwerven—heschen
zij de kleine, maar veelbeduidende vlagjes.
Cronjé moest voor het onvermijdelijke zwichten. Hij gaf zich vroeg op
den morgen van 27 Februari aan Lord Roberts over.
Treurigste aller treurigste dagen uit den oorlog, en dat wel een
Majubadag! O, de bitterheid van dien beker,—bitterheid niet af te
meten, niet uit te spreken! Te recht zeide President Kruger in een
toespraak kort daarop te Brandfort:
_»De Engelschen hebben Majubadag van ons weggenomen”!_
Zoo werd mij althans verteld. Maar al heeft hij het niet gezegd, dan zeg
ik het. 't Is de eerlijke, ronde waarheid, al is het ook hoe pijnlijk,
om het te erkennen.