Wij reden het reusachtige lager binnen en vroegen links en rechts,
waar het water voor de paarden was. Niemand kon ons echter op dit punt
licht geven. Er werd heen en weer geloopen: mannen, vrouwen en kinderen
krioelden er tusschen de wagens. De ossen bulkten van dorst. De
kinderen schreeuwden van angst. De vrouwen zaten in stomme verslagenheid
op de wagenkistjes voorop de wagens. Zij maakten geen rumoer. Zij
weenden niet. Zij zaten er meerendeels doodstil, als versteend.
Radeloosheid stond op bijna elk gelaat binnen in 't lager te lezen.
Ik liep naar eene plaats, waar er een groote hoop mannen bijeen waren,
en bevond, dat zij er allen op de komst van het water ongeduldig
wachtende waren.
»Maar waar moet het water dan vandaan komen?”—vroeg ik. »Onze ossen en
paarden vergaan van dorst.”
Het antwoord was: »Het water wordt er onder bij Riverton door twee
Engelsche machinisten, tegen betaling, voor ons dagelijks opgepompt. De
groote pijp naar Kimberley loopt hier bij ons voorbij en er is eene gat
in geslagen, waardoor wij geholpen worden.”
»Wanneer komt het water gewoonlijk?”
»Wel, gewoonlijk vóór negen uur, maar vanmorgen is hull' wat laat
daaronder bij Riverton bij die machines.”
Het was een oude regeling van Generaal de la Rey. Wij waren op de
plaats, waar hij zijne wagens trok, toen hij de Vrijstaters in het
belegeren van Kimberley kwam helpen. De onpleizierige gedachte schoot
mij tebinnen: »Wat wordt van ons, als die twee Engelschmans van alles
weten, en het hazenpad vanmorgen kiezen? Zij alleen kunnen met de
machines werken, naar het schijnt. En dier en mensch versmacht hier in
de zomerhitte van dorst.”
Tegen halftien uur borrelde het heerlijke vocht door de opening in de
pijp en _die_ vrees was in elk geval bijgelegd.
Spoedig zou er een nieuw gevaar opdoemen. Kekewich was te Kamfersdam
en het Halfweg-station te laat aangekomen, om het kanon aftenemen, en
onze lagers waren vandaar zoo snel naar achteren geweken, dat hij den
moed niet had om Generaal Kolbe, die het lager beschermde, aantevallen.
Hoofd-Commandant Ferreira was ook intijds teruggevallen, met al de
Vrijstaters aan de oostzijde der stad in de richting van Boshof.
Slechts ééne positie werd er door de onzen niet verlaten. De
Griqualand West-rebellen, onder commandant van Aswegen bleven bij
_Dronfield_-siding den storm afwachten. Pal en sterk stonden zij er
tusschen ons en de Engelschen. Volgens Conan Doyle werd Kolonel Kekewich
reeds Donderdagnacht door het lagertje aan den spoorweg gefnuikt.
Hij wilde gaarne Long Tom's beschermers achtervolgen, maar vreesde de
Dronfield-Boeren met hun gevaarlijk kanonnetje achter den rug te hebben!
Alzoo keerde hij zich, door twee derden van French's ruiterij gesteund,
den volgenden morgen vroeg tegen de hardnekkige Griqualanders. Den
ganschen morgen werd er door eene overmacht tegen dat dappere klompje
rebellen gevochten, maar zij bleven de positie standvastig verdedigen en
behouden. Later werden er ook kanonnen tegen hun uitgezonden, maar zij
waren er niet uit hun zandbult te krijgen!
Tegen tien uur zag ik een wonderlijk schouwspel—een tooneel van
verwarring en heldenmoed dooreengemengd, waarin een Homerus zich
zou verlustigd hebben. Daar op de met laag hout begroeide zandbult,
waarover de trein van Kimberley naar Warrenton gaat, ploften de bommen
onophoudelijk neêr. Dapper vlamde het kleine Krupp van Commandant van
Aswegen zijnen vijanden tegen. De Rebellen weken geen duim terug—neen,
zij _kunnen_ niet weldra terugvallen, want de Engelsche ruiters trekken
om den grooten, uitgestrekten zandheuvel. Zij worden omsingeld! Zij
worden omsingeld, die arme Kolonisten, die uit volksgevoel en sympathie
zich onder ons zegevierende, maar thans terugwijkende vaandelen
geschaard hebben! Voor ons worden zij daar opgeofferd. De schande
zou te groot zijn, als wij ze niet gingen helpen.
Ziet! een lange rij ruiters snelt er henen. Zij gaan in de richting
van Mac-Farlane's siding, ten noorden van Dronfield. Zij zullen de
omtrekkende beweging in elk geval tegenhouden, zoo niet geheel en al
beletten. Generaal du Toit is ook reeds van den vroegen morgen in den
zadel. Hij en Commandant Vermaas doen hun uiterste, om de duizenden van
French van Riverton en de Vaalrivier terug te houden. Het kan echter
niet ontkend worden, dat zij zich soms met slechts twintig of dertig man
bij een of andere punt van gevaar dien dag bevinden. De schrik is in
velen gevaren. Er gebeuren vreemde dingen. Terwijl wij de lange streep
burgers, die naar Mac-Farlane rijden, gadeslaan, zien wij een tweede
lange streep naast de eerste in een tegenovergestelde richting afjagen!
Zooiets hebben wij in den oorlog nog nooit gezien. Eene afdeeling gaat
naar, de andere komt van den vijand; de eerste gaat vechten, de tweede
vlucht. En zij rijden elkander rakelings voorbij. 't Is een teeken des
tijds: een voorbode van donkere dingen. Wee ons!
Gelukkig strekt de groote zandheuvel, waarvan de rebellen slechts de
punt naast aan Kimberley in bezit hebben, zich ruim acht of tien mijl in
de richting van Warrenton uit, terwijl zijne breedte tegen zes mijl kan
geschat worden. Geen kleinigheid is het voor de vermoeide ruiters van
French, om door het zwaarste stuifzand denkbaar zulk eene zandbult om te
trekken! Het gelukt generaal du Toit en Commandant Vermaas dan ook, om
de voorpunten van de twee vleugels, die den heuvel wilden omsingelen,
terug te slaan. Mac-Farlane's siding valt echter in Engelsche handen, en
die is achter van Aswegen's positie.
Het grootste geluk voor ons, echter, was gelegen in het feit, dat wij
dien dag met de onhandige cavalerie te doen hadden. Niettegenstaande
de paniek, die ons bedreigde, de demoralisatie, die de meesten onzer
verlamde, de kleine commando's, die er te velde trokken, waagden de ruim
3000 ruiters van French—die volgens Doyle aan 't gevecht deelnamen—het
niet, om ons lager aan te vallen. Wat zeg ik?—zij konden, met behulp
der mannen van Kekewich, niet eens de 150 rebellen onder Commandant van
Aswegen verpletteren!
Indien zij met hun vele kanonnen het groote lager bij Riverton dien dag
met kracht bestormd hadden, dan weet ik niet of Generaal Kolbe genoeg
mannen bij hem zou gehouden hebben, om den aanval af te slaan. Ik zag
gedurig paardenruiters stilletjes een voor een, uit het lager sluipen.
Zij gingen naar de Vaalrivier, naar de Transvaal, naar huis! Ja, zelfs
wagens werden er dien morgen ingespannen, terwijl er te Dronfield en
elders gevochten werd en de kanonnen geen tien mijl van ons dreunden.
Niemand belet die menschen om heen te gaan. Overal op de wagens zie ik
vrouwen. Zij zitten er koud en strak, met de handen op den schoot voor
zich uit te staren. Meer dan een burger verlaat zijn wagen met het
geweer in de hand, achtervolgd door kleine kinderen, die de handen
wringen en uitgillen:
»Mijn pápa, mijn pápa!” De indruk van dat alles, na het gebeurde bij de
Rondavelsdrift en de nachtelijke vlucht, ontstemde ons geheel en al.
Wij gevoelden ons totaal machteloos en moedeloos. Geen schot konden wij
vuren—zoo gevoelden wij. Wij waren verlamd, ontzenuwd, verwijfd.
Vele vaders, door hunne huilende kinderen gevolgd, keeren terug naar de
wagens en gaan bij hunne doodsbleeke echtgenooten op den wagen zitten.
Er is eene paniek onder ons aan 't werken. Een onbeschrijfelijk gevoel
van zwakheid en vrees overmeestert zelfs de dapperen en de sterken.
»Ares gaat ten oorlog”, zegt de diepzinnige Homerus, »en met hem volgt
zijn lieve zoon, Paniek, sterk en onverschrokken—den stoutmoedigsten
krijgsman verschrikkend.” Zoo is het. Zoo en niet anders. Bij eigene
ondervinding heb ik de werken van dien lieven jongen, genaamd Paniek,
dien gevaarlijken zoon van den Oorlogsgod leeren kennen. Er is geen
vreeselijker ondervinding in den oorlog denkbaar: Maar ook _die_
ondervinding is van groote waarde. Hare harde lessen zijn onmisbaar
voor hem, die over oorlogszaken en krijgslieden een oordeel wil vellen.
Nooit zal ik eenig man verachten, die zijn hoofd geheel en al kwijt
raakt, wanneer hij voor de eerste maal met den dierbaren zoon van
Ares van nabij kennismaakt. 't Is geen kind, om mee te spelen, of om
uittelachen. 't Is een reus, die zelfs helden doet sidderen; een heks,
die de verstandigsten betoovert; een stroom, die allen en alles met zich
meêvoert.
Er zijn er, die zelfs tegen de machtige Paniek bestand zijn. Geef ze
dubbele eer en prijs. Zij zijn de geboren Generaals, de aangewezen
Leidsmannen in den Krijg, de ware zonen van Ares.
Zulk eene was Commandant van Aswegen, de held van dien dag. Donderdag
was French de groote man; heden steekt van Aswegen als Saul boven zijn
medemenschen uit—»van de schouders opwaarts.” Van drie uur in den
morgen tot tegen den avond hield hij tegen French en Kekewich stand.
Het kanon moest spoedig zwijgen, maar de Martini's en Lee Metfords en
Mausers—zij hadden er van alle soorten geweren—knalden steeds voort.
Hoe zij hun paarden wisten te verbergen is mij een raadsel. Hoe zij zulk
eene overmacht tegenhielden is mij onbegrijpelijk. Eén ding is, echter,
zeker: zij hadden hun behoud niet slechts aan hun heldenmoed, maar aan
een andere omstandigheid te danken. Het waren geen Infanteristen, maar
wel Cavaleristen, met wie zij vooral te doen hadden! Deze omstandigheid
redde ze daar in hunne zandvesting. Mogelijk waren de beste mannen
van Kekewich ook niet op de been dien dag, na de vroolijkheid en
feestvreugde van den vorigen nacht. Zulke dingen kunnen licht
gebeuren—»onder beschaafde officieren en soldaten.” Hoe het ook zij:
die honderd vijftig veeboeren hielden de groote overmacht geducht tegen,
zoo geducht, dat French het niet raadzaam achtte, om eenige andere
operatie om Kimberley met kracht doortezetten. Wij hadden het aan de
taaiheid dier rebellen vooral te danken, dat wij dien morgen zoo veilig
om Kimberley kwamen, dat ons groot lager bij Riverton niet aangetast
werd, en dat de driften over de Vaal voor ons open bleven. Zonder het te
weten, hielden zij _onze_ Thermopyle, gelijk de Spartanen van Leonidas.
Een grappige episode vond er in den loop van den morgen met »mijn
Warrentonsche Keurbende” plaats. Zij stormden in vollen galop door een
hek over den spoorweg bij Mac-Farlane's siding, om hun mede-rebellen te
gaan helpen. Weinig wisten zij, dat Mac-Farlane's gebouwen reeds door
den vijand bezet waren. Nauwelijks door de poort gekomen, werden zij
door een hagelbui van kogels begroet. 't Is hun eerste ondervinding van
dien aard, hun eerste »sarsie”—zooals de Boer het woord »charge” in 't
Afrikaansch omzet,—en de vijandelijke kogels kwamen geheel onverwachts
op hen af. Waren zij wat verder links gereden en afgestegen, om van daar
langzaam de voelhorens in de richting van de gebouwen van Mac-Farlane's
uit te steken, was er mogelijk een tweede heldendaad op hunne rekening
gekomen. Die eere is hun echter niet tebeurtgevallen. Zij vlogen
holderdenbolder door het hek terug. Het hek nu was nauw en de lieve zoon
van Ares pakte ze goed bij de haren. Men stormde tegelijk op de eene
opening af. Het gevolg was, dat de een zonder hoed, een tweede zonder
geweer, een derde zonder paard er door kwam. En toch werd er geen enkele
door den vijand gewond of gedood. 't Was een nauwe, een wonderlijke
ontkoming—en wie zal het ze kwalijk nemen, dat zij zich dien dag niet
aan verdere heldendaden waagden?
Vermoeid, maar niet moedeloos; bijna van alle kanten ingesloten, maar
niet vervaard; in het uiterste gevaar, maar niet wanhopig, vechten de
Griqualanders voor het dierbare leven. Ze zijn tegen den namiddag in
een waarlijk hachelijke positie. Generaal French en zijn staf werden,
niet verre van Zoutpan—tusschen Riverton en de groote Zandbult, ruim
vier mijl voorbij Mac-Farlane's,—door een onzer geneesheeren gezien en
gesproken. Als op een eiland in de diepten der zee, ver van de veilige
kust, ver van alle hulp, omringd van gevaren en vijanden, gaan de
rebellen een wissen dood tegemoet. Het zal hun als de Skandinaviërs
te Magersfontein gaan! Neen, toch niet. Zij hebben met de onhandige
cavalerie te doen, die goed rijden kunnen, maar verder niet veel in de
zandbulten en vaalboschjes kunnen uitrichten. Het Engelsche voetvolk zou
ze als mieren overrompeld hebben: de ruiters blijven gewoonlijk op een
veiligen afstand rondrijden. Alzoo gebeurde het, dat onze rebellen, tot
verbazing van vriend en vijand, het tot aan den avond van dien dag
uithielden, en niet, gelijk de Skandinaviërs, in de pan gehakt zijn.
Zij waren dapper, maar zij waren niet van plan, om zich, gelijk de
Spartanen, te laten verpletteren, indien er de minste kans was om dat
lot te ontkomen. Zoo maakten zij van een vreemd middel gebruik, om het
leven te redden.
Tegen halfvijf kwam er een hevige stofstorm op. Kimberley is voor
zoodanige stormen zelfs boven Johannesburg vermaard. Het zijn
onbeschrijfelijke orkanen—niets dan roode stofwolken ziet gij om en
boven u. Geen twintig treden voor u kunt ge iets onderscheiden. De hemel
en de aarde zijn opgelost in een mengsel van rood zand. Gij ademt zand
en loopt gevaar in uw huis te verstikken, want de dikke, zichtbare lucht
dringt door gesloten deuren en vensters binnen. Van zoodanigen storm
nu bediende de waakzame Boeren-Commandant zich, om zijn weg door de
Engelsche linie te banen. Als op de vleugelen des winds gedragen, kwamen
al de rebellen, behalve de dooden en gewonden, er veilig door. Wie heeft
ooit van zulk een krijgslist—van zulk een _ruse de guerre_, door de
Voorzienigheid verschaft en door den mensch met beide handen in den
hoogsten nood aangegrepen—gehoord?
Het kanon bleef natuurlijk achter en ook eenige wagens en tenten. Het
verlies aan dooden en gewonden echter was veel minder, dan wij gevreesd
hadden—maar niemand kon mij het juiste getal opnoemen. Den ganschen dag
werd er op menige punt ten noorden van Kimberley gevochten, maar ik
geloof niet, dat wij meer dan vijftien of twintig dooden en gewonden
altezamen hadden. De dichte vaalboschjes kwamen den vechtenden goed te
pas, naar het schijnt.
Dienzelfden avond nog werd French naar Koedoesrand geroepen, om Cronjé
voortekeeren, en Generaals du Toit en Kolbe brachten hun lagers en
legers in veiligheid over de Vaal en naar eene plaats dichtbij Boshof
respectievelijk.
* * * * *
Nog eenige episoden uit die dagen van verwarring en moed dooreengemengd
komen mij voor den geest. 't Is Zondagmorgen (18 Febr.) vroeg; zoo wat 3
uur. Wij zijn op weg naar Windsorton. Bij de poort, waardoor de trein
van Kimberley naar gemeld station stoomt, zie ik eenige Ambulancewagens.
Een vuurtje brandt er met een aanlokkelijk keteltje erop. Ach! wat een
honger en dorst heb ik! Halt! laat ons wat nader gaan. 't Is een onzer
commando-dokters, een vriendelijke Engelschman. Het meisje bij het vuur
is een van de »nurses”—een Iersche nogal. Zij presenteert ons koffie
en beschuit aan. Wij dronken er elk drie kopjes, met wie weet hoeveel
beschuit erin gedoopt. Geen _table d'hôte_, geen feestdiner kan bij zulk
een maal vergeleken worden—want de leegte in de maag was groot.
Een tweede »nurse” kwam naar ons gezellig vuurtje aangestapt. »Er is
eene gewonde, die u zien wil,”—zeide zij tegen mij. »Hij noemt u bij
name. Hij heeft uwe stem gehoord. Kom! spreek hem wat moed in. 't Is
Léon!”
Op een matras lag de tengere, energieke, zwaar gewonde Franschman langs
een Ambulancewagen. Een doek bedekte zijn gelaat. Hij sprak zacht en
dof, als een die geen levenslust of hoop meer heeft.
»Ik ga sterven!”—fluisterde hij mij toe, terwijl hij mijne hand
vastklemde. Ik sprak hem natuurlijk tegen, zeggende, dat de dokter alle
hoop voor hem had.
»Neen, ik weet het; ik zal doodgaan”—hield hij vol.
Lang hield hij mijn hand vast. Hij had behoefte aan een vriend. Hij
gevoelde zich een vreemdeling in een vreemd land. Hij vreesde, ver van
zijn dierbaar vaderland, den adem te moeten uitblazen. Veel pijn had
hij en slapen kon hij weinig. De eerste operatie was echter reeds goed
afgeloopen, eenige maanden later zag ik hem op de straten van Pretoria
opgeruimd wandelen—_minus_ een oog, maar in goede gezondheid. Van den
oorlog had hij echter genoeg en kort daarop ging hij door Delagoa-Baai
naar zijn land terug.
* * * * *
Tegen negen uur dien Zondagmorgen bevonden wij ons bij eene plaats, geen
tien mijl van Warrenton. De eigenaar, zoo als bijna al de Boeren langs
den spoorweg, had zijn huis verlaten. De schrik was natuurlijk ook daar
doorgedrongen. Wij spanden uit en—luisterden lang naar het vreeselijk
kanongebulder, dat ons uit het verre zuidoosten tegenklonk. Vroeg in den
morgen hadden wij van tijd tot tijd eenige harde schoten gehoord, maar
later werd het vuren al meer aanhoudend en geweldig. Wij luisterden,
en peinsden over Cronjé en zijne duizenden. Wat gebeurde daar in de
verte? Wat zou de uitslag van dat gevecht zijn? Later eerst vernamen
wij, dat er een bloedige slag—mogelijk de bloedigste van den ganschen
oorlog—dien morgen was plaats gevonden. Lord Kitchener wilde Generaal
Cronjé dien morgen in één slag verpletteren, maar werd met een verlies
van 1100 dooden en gewonden door de onverschrokken Boeren
teruggeslingerd.
Te Warrenton trof ik mijn lieve, oude vrienden natuurlijk zeer
verslagen en bedrukt aan. Ja, er was ook verbittering op menig gelaat
te lezen. Zij waren boos op de vluchtende en terugtrekkende Transvalers
en Vrijstaters. Wat wordt er van hen, als wij over de Vaal terugvallen?
Hoe zal het met hunne huizen en akkers gaan? En wat staat er voor de
vechtenden, de rebellen te doen?—Geen wonder, dat een oude inwoner mij
toebeet:
»Wat?—_U_ ook gevlucht?” Er stond een kring van mans om ons en hij
dacht mij in de verlegenheid te brengen.
»Wel stellig,”—antwoordde ik, doodbedaard. Hij schudde het hoofd als
verontwaardigd en verstomd.
»Dat heb ik waarlijk niet van u gedacht,”—vervolgde hij.
»Weet u vanwaar ik vlucht?” vroeg ik hem.
»Van Kimberley, natuurlijk!”
»Neen vriend. Van Magersfontein.”
»En Cronjé?”—vroeg hij mij verbaasd.
»Cronjé is ook vandaar weg,” zeide ik bedroefd. »God alleen weet, wat er
van hem geworden is.”
De man zweeg. De omstanders verstomden. Zij hadden geen idee van de
groote ramp, die ons op 15 Februari getroffen had. Toen hij weer den
mond open deed, was de toon zijner stem geheel en al anders. Hij keek
mij verbaasd aan, en vriendelijk groette hij mij bij mijn heengaan,
zijne oogen waren geopend. Er was een geweldige storm op ons losgebroken
en de individuën waren als niets in de schaal der algemeene ellende—zij
waren als dun stof voor God's winden henen gedreven.
Intusschen rolden de zware ossenwagens langzaam voort naar de pont
te Veertienstroomen. Zondag te middernacht begon de overtocht;
Maandag duurde hij voort en ook den geheelen nacht; ja ook Dinsdag en
Dinsdagnacht en Woensdag werd er gezwoegd en gezweten om al de wagens en
ossen over de Vaal te krijgen. Dat was een werk!—zwaar en treurig, nog
meer bitter dan het moeilijk viel. Waar is de geestdrift van de maand
October verdwenen? Waar zijn de groote voornemens en plannen? Wat is er
van de schitterende droomen geworden? Terug—_terug_—TERUG! En dat na
al de heerlijke overwinningen? En dat zonder een slag, zoo te zeggen? O!
het was bitter, bitter als gal zonder edik. Wij schaamden ons voor het
aangezicht der rebellen vooral. Wat zou van dezen? Wij sleepten ze met
ons mede naar 't front; moeten zij nu huis en vrouw en kind, alles om
onzentwille verlaten en ons over de Vaal volgen? Opmerkelijk was het
in die dagen, hoe min de vroegere grootpraters zich gelden lieten, de
bombastische profeten, »die al de Engelschen in de zee gingen jagen”.
Zij waren niet veel in aantal, maar hun geruisch was groot—zooals
dat van ledige trommels. Thans waren zij doodstil, zoo niet geheel en
al van het tooneel verdwenen. Velen waren spoorloos zoekgeraakt en
moesten weken daarna door waarnemende veldkornetten bij hunne plaatsen
opgespoord en opnieuw gecommandeerd worden. Is het wonder, dat zelfs
onze beste mannen door een geest van moedeloosheid bevangen werden?
»De burgers willen niet meer zooals vroeger vechten”—zeiden zij diep
teleurgesteld, »wij kunnen den strijd niet volhouden. Waar zijn onze
groote commando's vandaag? Als was voor de zon versmolten. Wat is er van
den droom der overwinning geworden? Als een schitterende, veelkleurige
zeepbel is hij in het niet verzonken.”
Hier zijn de wagens weer bij dezelfde pont van den heer Japie Fouché,
waarover zij zes maanden geleden met vliegende vaandelen stroomden—naar
Kimberley, naar de Modderrivier, naar Magersfontein. »Terug, _terug_,
TERUG,” is het order van den dag. Naar het verre Prieska is er een
boodschap gezonden: »Komt terug naar de Vaal”. Te Rensburg-siding en
Stormberg zal men ook weldra terugtrekken. Later ook in Natal. Ja, zelfs
Bloemfontein zal binnenkort in de handen des vijands vallen, »Terug,
steeds terug, terug”—zal nog langen tijd de eenige tactiek tegen de
overmacht blijven.
En dat alles begon, toen French door Cronjé's zwakken linkervleugel
gereden was, gelijk een ruiter het hangende spinrag tusschen twee bosjes
in het veld doorklieft!
Ach! hoe dikwijls brengt een morgen,
Lieflijk als een kinderlach,
Onverwacht een stroom van zorgen
En van tranen voor den dag.
Wrang is vaak de levensbeker,
Elken dag omhelst een nacht;
Niets op aarde is zóó zeker
Als—hetgeen men niet verwacht.
(HOFMEYER, _Kijkjes in onze Geschiedenis_.)