Aangenaam was het mij ook Generaal de la Rey op den stoep der woning
te Brakdam te mogen vaarwel zeggen, eer hij met zijn adjudanten en
zijn secretaris (Advokaat Ferreira, die Advokaat De Wet was opgevolgd)
naar Colesberg snelde, om zijne krachten met die van French te meten:
twee van de knapste en beste Generaals, die er in den oorlog zijn
opgetreden—mannen, die elkander volkomen waardig zijn. Nooit vergeet
ik, hoe Generaal de la Rey, de man van ijzeren wil, de Spartaan onder
een volk van Spartanen, den dood van zijn oudsten zoon (Adriaan, een
mijner leerlingen—een jongen van pas 19 zomers) betreurde. Hij had den
jongeling lief, innig lief. Te Modderrivier, waar de »Twee Rivieren”
elkander ontmoeten, daar trof een bomscherf den dapperen zoon, die in
zijns vaders armen te Jacobsdal stierf. Zelf reed de Generaal met zijn
stervend kind van het bloedig slagveld in den nacht naar het dorp. Wat
beteekende hem al den krijgsroem, dien hij behaald had? Niets en minder
dan niets, in vergelijking met het verlies, dat hij daar moest lijden.
»Na alles, na al dien langen strijd,”—stortte hij zijn hart aan mij
uit (want wij kenden elkander reeds lang)—»moest ik nog mijn zoon ook
afgeven!”
Met zijn algemeen beminden Veldkornet, J. Coetzee van Lichtenburg, was
het nog veel meer tragisch afgeloopen. Zijn zoon (ook een Gymnasiast)
sneuvelde te Graspan (of Rooilaagte); de vader viel te Magersfontein.
Twee broeders, bijwoners op de plaats van den Veldkornet, bleven
ook te Magersfontein in den slag. Zoo ging er op een morgen een
Hottentot-dienstknecht met de paarden van de vier dapperen naar de
weenende huismoeder terug.
* * * * *
Van Brakdam reden wij naar het groot lager van Generaal Cronjé, dat
geen driehonderd treden van de rivierwallen gelegen was. 't Was een
reusachtig Boerenkamp, het grootste, dat er ooit in den oorlog bij de
vechtliniën betrokken werd. Het getal wagens kan ik niet opgeven. Zij
vormden een grooten driehoek, met eene opening of poort bij elken hoek.
Drie veldsmederijen hadden het dagelijks druk met paarden te beslaan.
Twee groote bakovens waren zeer kunstig uit de zachte aarde der
rivierwallen uitgehold en leverden heerlijk versch brood voor duizenden
monden. Van den morgen tot den avond zag men er tal van burgers in de
rivier zichzelven of hunne kleederen wasschen. Sommigen zwommen er
vroolijk in de verkoelende wateren rond. In het lager bevonden zich
vele honderden burgers, sommigen verbonden aan commissariaat-, post-
en telegraafwerkzaamheden, anderen om op de wagens te passen of zich
te komen verschoonen, na eene week in de vuile Magersfontein-posities
te hebben gezeten. Er bestond eene regeling, waarbij de burgers in de
slooten en gaten tegenover Methuen's leger elkander bij de lagers aan de
Modderrivier en omgeving met dat doel aflosten. Voor het eerst zag ik
ook een aantal Boerenvrouwen aan 't front. Zij leefden er in de wagens,
dikwijls met kinderen bij zich. De bejaarde, zachte, goedhartige vrouw
van den generaal woonde met haar gemaal in een ronde tent, in 't midden
des lagers gesteld. Haar nemen wij het evenmin kwalijk als Mevrouw Piet
Joubert, dat zij haar man vergezelde. Maar 't is erg jammer, dat men
ook andere burgervrouwen toeliet, om daar op het gevaarlijk terrein hun
mans te komen bezoeken en bij hen te blijven. Later vonden wij tot onze
verbazing uit, dat bijna al de Commandanten en Veldkornetten rondom
Kimberley hunne vrouwen bij zich hadden, en dat vele burgers hun
voorbeeld volgden. De lange rust na Magersfontein, het »beleg-spel” om
Kimberley, werkte zeer nadeelig op mensch en dier. Velen vergaten er,
dat er een oorlog met het machtige en het rijke Engeland gevoerd werd.
Zij aten en sliepen en dronken koffie—totdat French met zijn
vijfduizend ruiters plotseling op hun horizon verscheen.
Er waren ook edele vrouwen en jonge dochters bij het groote lager,
die wij niet ongenoemd kunnen voorbijgaan: Mevrouwen Neethling, van
Klerksdorp, en Ameshof, van Pretoria, met haar flinke helpsters. Mevrouw
Neethling was de gade van den Landdrost van Klerksdorp en stond aan
't hoofd van een Transvaalsch Veldhospitaal, waarvoor zij de noodige
fondsen gecollecteerd had. Van het begin des oorlogs tot kort voor den
val van Pretoria bleef zij werkzaam in 't veld. Mevrouw Ameshof was een
Nederlandsche dame, de bekende echtgenoote van den _ex_-Rechter, die,
ter wille van het geweten, zijn hooge en eervolle betrekking neerlegde.
In wind en weêr, regenstormen en zomerdroogte deelden zij het lot der
burgers. Of zij zware toeren hebben doorgestaan! Vroolijk, gastvrij
en dienstvaardig deden zij, wat zij konden, om kranken en hongerigen,
neerslachtigen en stervenden te helpen. Zij zullen haar loon gewis
ontvangen—niet in geld en goed, maar in de liefde en de liederen van
het Hollandsch sprekend volk van Zuid-Afrika.
Het grootste figuur aan de oevers der Modder in die dagen was Generaal
Piet Cronjé. Zijne reputatie was toen ten toppunt gestegen. In den
Vrijheidsoorlog had hij zich een naam te Potchefstroom verworven; de
Jameson-inval verhoogde zijn roem; Magersfontein zette er de kroon op.
Assistent-Commandant Christiaan De Wet werd eerst ná dien slag naar
Magersfontein gezonden, om Cronjé, als Vecht-Generaal, bijtestaan.
Niemand wist toen, wat er in dien stillen, kalmen, eenvoudigen man stak.
Generaal de la Rey had toen nog geene kans gehad, om zijn buitengewone
krijgstalenten te openbaren. De ster van Generaal Botha was toen pas
te Colenso boven den gezichteinder verschenen en de Boeren aan de
westergrenzen kenden hem niet. Voor hen dus, was Cronjé de groote man,
de beste Generaal, die wij hadden, de held bij uitnemendheid. Wat
President Kruger op politiek gebied was, dat was Generaal Cronjé op
krijgskundig terrein in het oog der burgers in 't algemeen. Hij was de
Achilles van het leger. Zijn bloote naam wrocht wonderen op het gemoed
en den geest der burgers. Zijne tegenwoordigheid bezielde de wankelende
harten met verschen moed. Zijn geloof, zijn zelfvertrouwen, zijne
persoonlijke dapperheid was zóó groot, dat hij anderen onwillekeurig
met zich meesleepte. Alzoo kwam het, dat hij den brillianten slag van
Magersfontein won. De geschiedenis toont op vele bladzijden, hoe dat
het geloof, het vertrouwen, de verbeeldingskracht des menschen de
grootste wonderwerkers in de wereld zijn. De komst van Cronjé naar de
Modderrivier tegen het einde van November mag een keerpunt in den oorlog
heeten. _Hij redde den Vrijstaat_—voor eenige maanden althans. Hij
hield Lord Methuen bij de Modderrivier, en Kimberley bleef omsingeld.
Dit alles was het gevolg van zijn grooten naam en zijn aanstekelijken
moed. Geen wonder dat zijn gevangenneming te Paardenberg ook een crisis
in den oorlog mag genoemd worden. Mannen als de fiere, krachtige,
godsdienstige Cronjé openen en sluiten epochen in de geschiedenis van
oorlogen. Te Modderrivier begon ons schitterendst hoofdstuk in den
strijd tegen Engeland, te Paardenberg werd het geëindigd.
Niemand denke echter, dat hij zijne commando's als door een tooverroede
regeerde en tot gehoorzaamheid bracht. Hij droeg een korte »karrewats”
bij zich, die hij wel degelijk op een of ander tragen schouder in den
slag van Modderrivier heeft toegepast. Een veldkornet klaagde bij mij,
dat hij er onschuldigen zoowel als schuldigen meê »inspireerde”! Zijn
gewone geaardheid te Pretoria was zacht en vriendelijk; maar op commando
was hij enkel officier. Hij wilde gehoorzaamd worden. Hij wilde orde en
regel en tucht hebben. Alles moest naar _zijn_ zin geschieden. Wee den
man, die hem in de wielen reed. Kinderlijk en ootmoedig moest men hem
volgen, tegenstand en critiek waren hem een gruwel en een steen des
aanstoots.
Eens hoorde ik hem iemand, die van hem verschilde, en al redeneerend het
woordje »maar” gedurig gebruikte, toeroepen:
»Ik hou niet van het woord »maar”. Ik wil geen »maar” hebben. Jij moet
tegen mij niet »maar” zeggen”!
De episode was nog al klassiek.—Zegt Shakespeare niet ergens in een van
zijn Drama's: »but me no buts”?
Op eene andere gelegenheid zag ik een burger van middelbaren leeftijd
in zijne tent komen, met een »verlofbriefje” (zooals hij het noemde),
om naar huis te gaan. Het briefje was van een Commandant en moest
natuurlijk eerst door den Generaal bekrachtigd worden, eer de man naar
zijne woning kon gaan.
»Waar is jou verlofbriefje?”—sprak de Generaal op zijn zachte wijze.
»Hier, Generaal!”—antwoordde de smeeker eerbiedig, hem een stukje
papier toereikend, en een hoopvolle blik toewerpend.
Hij nam het tusschen de vingeren, en, zonder het in te zien, scheurde
hij het aan stuk; de stukjes op den grond werpend.
»Daar is jou verlofbriefje!”—voegde hij den verbaasden man met
vonkelende oogen toe.
De man verstomde. Men kon eene speld in de tent hooren vallen, zoo stil
was het. Niemand sprak er een woord.
»Dag Generaal!”—zei onze teleurgestelde vriend heel eerbiedig, terwijl
hij opstond, zijn hoed nam en de tent verliet.
Zulke tooneelen waren een noodzakelijke reactie tegen de losbandigheid
en tuchteloosheid in de verlofpest, die onze gelederen decimeerden en
demoraliseerden. Vrees is een noodzakelijke factor in de opvoeding van
»groote,” zoowel als »kleine kinderen”. Generaal De la Rey, en later ook
Generaal De Wet, hadden ook veel moeite in menig kritiek oogenblik met
wederspannige burgers en ontrouwe officieren. Ook zij werden gevreesd,
zoowel als bemind. Geen Boeren-Generaal echter was zóó gevreesd als
Cronjé. Dat wist en gevoelde elkeen, die in het lager kwam, heel
spoedig. Hij heerschte zonder vrees of gunst. Hij ontzag geen mensch.
Hij alleen was de Baas. Vandaar de bijnaam, Napoleon, die hem werd
toegevoegd.
Hij geleek echter veel meer op een Jozua, dan op een Napoleon. Veel van
zijn invloed en macht was aan zijn innige godsvrucht, zijn kinderlijke
vroomheid te danken. 's Avonds ging hij den vergaderden krijgers
geregeld in den gebede voor. In de schemering kwamen de honderden,
die er in de lagers waren, voor zijne tent bijeen. Ds. Winter, of Ds.
Strasheim, of een andere leeraar las een deel uit Gods Woord, deed
een gebed en sprak een kort woord, waarop de Generaal zijn krachtige,
heldere, doordringende stem tot den troon der genade verhief. Als
er geen predikant in het lager was, trad hijzelve, gelijk een Charl
Cilliers of een Paul Kruger vóór hem zoo dikwijls gedaan hadden, voor de
schare op. In elk geval kon men 's avonds zijne stem als een zilveren
bazuin langs de oevers der Modderrivier hooren klinken, terwijl hij
den Allerhoogste om vergiffenis en bijstand smeekte. Uit volle borst
zong het volk dan een onzer fraaie Psalmen of Gezangen, terwijl het
kinderlijk geloof een stralenkrans om het breedgewelfde voorhoofd van
den onverwinnelijken Generaal vlochten.
Men heeft spottend gesproken en geschreven over den vreemden,
eigenaardigen, »Oud-Testamentischen godsdienst” der Boeren en over
hun »ouderwetsch geloof” zich vroolijk gemaakt. Noem hun godsdienst
»Oud-Testamentisch” en hun geloof »ouderwetsch”, als gij wilt, en
vraag uzelven dan af: Ligt die Oud-Testamentische godsdienst niet
misschien aan den wortel van den heldenmoed en de taaie volharding,
door de kern der Boeren ten toon gespreid? Is hun onuitblusschelijke
hope op verlossing niet mogelijk in hun ouderwetsch, voorvaderlijk
geloof gegrond? Vanwaar komt de onwankelbare standvastigheid van de
Boerenvrouwen? De Boeren zijn inderdaad een vreemd, eigenaardig volk,
vooral voor de kinderen dezer materialistische en naar geld en genot
dorstende eeuw. Zij hebben de gansche wereld door hunne daden verbaasd.
Kan zulk een volk geheel en al uitgeroeid of verbasterd worden? Of zal
het blijven voortbestaan, tot een Teeken en eene Getuigenis tegen een
bedorven en verblind geslacht.