Twee rivieren van Zuid-Afrika zijn door den vreeselijken oorlog met
onsterfelijkheid bekleed. Had men eenig mensch vóór den tijd gevraagd,
aan welke stroomen er vooral zwaar zou gevochten worden, hij had
gewis de Oranje en daarna de Vaal genoemd. Dat zijn immers de twee
grensrivieren der Republieken. »Waar zouden de Federalen meer bloed
kunnen vergieten, dan juist daar?”—zou elkeen gevraagd hebben. Ook deze
profetie, zooals bijna elke voorspelling in verband met den Anglo-Boeren
Oorlog, zou door de feiten worden gelogenstraft. Het zijn de _Tugela_ en
de _Modderrivier_, die door den krijg met roem beladen zijn.
Bijna drie maanden vochten Buller en Botha aan de schilderachtige
boorden der Tugela; bijna vier maanden streden Boer en Brit op de vlakke
velden langs de Modder. Eerstgemelde getuigt van _Colenso_, _Spionkop_,
_Pontdrift_ of _Vaalkrans_, en de _Pieter'shoogten_; laatstgemelde
herinnert aan de gevechten bij de _Twee Rivieren_, _Magersfontein_,
_Klipdrift_, _Paardenberg_, _Poplar Grove_ en _Abramskraal_. Gelijk de
Trojaansche Xanthos en de Romeinsche Tiber zullen die twee stroomen door
alle eeuwen heen in geschiedenis en lied en storie leven.
Laat ons eenige oogenblikken bij de oevers der Modderrivier, zoo als zij
in de maand Januari 1900, er uitzagen, vertoeven. Mijn vriend Oerder
heeft er eene reeks van interessante teekeningen van allerlei tooneelen
in zijne portefeuille, die veel sprekender en welsprekender dan mijne
»pen- en inktschetsen” zijn—hij bleef er een anderhalve maand lang
rondkijken, peinzen en teekenen, maar waar is mijn _Fidus Achates_ nu?
Hij is verre van mijne hulp verwijderd. Het heugt mij nog, hoe dikwijls
hij in die dagen mij toeriep: »Dit is een ideaal leven!” Ik zie hem nog
zitten op het voorste bankje van ons gezellig wagentje, starende en
steeds starende en altoos door starende en niets doende. Neen; ik vond
spoedig uit, dat hij wel degelijk iets, ja veel deed. Hij _zag_. Hij
trachtte _te zien_. Hij wilde de natuur in hare wonderlijkheid, hare
schoonheid, hare »God-grootheid” (zoo als Louis Couperus ergens zegt)
omhelzen. Hij wilde een of ander treffend tooneeltje, eer het voor
eeuwig voorbijvloog, verschalken, om het later op het sprekend doek
te vertolken. En dan: de lagers, tenten, paarden, muilen, zadels,
zadelzakken, opgebonden dekens, waterflesschen, kleederen en allerlei
oorlogstuig—hoe heeft hij die dingen, niet bekeken en doorkeken? En de
Mensch, hetzij Boer of Bokkie, vrouw of kind, werd door hem zwijgend
bestudeerd. Vooral »typische koppen”—zoo noemde hij ze—werden door hem
gezocht en ook gevonden en—in den zak gestopt (op papier).
Week na week wachtten wij daar aan de Modderrivier voor de ontknooping
van het geheimzinnig drama aan de westergrens en dikwijls redeneerden
en verschilden wij over het levensdoel, dat ons het verkiezelijkst
toescheen. 't Was erg warm in die dagen en half geeuwend en half
ernstig, sprak hij eens den wensch uit, om _gelijk een schaap_ te
mogen worden.
»Een schaap!”—riep ik lachend uit.
»Ja, een schaap!”—herhaalde hij dood kalm, zonder den minsten zweem van
een glimlach.
»Hoe zoo?”
»Wel, kijk eens”—vervolgde hij—»het dier eet en drinkt en slaapt
en—staart de natuur den ganschen dag lang aan. Waar is er een
gelukkiger bestaan te vinden? Ik heb niets zoo lief als de natuur en
wordt nooit moede van haar aantezien. De menschelijke hartstochten en
bepeinzingen, werkzaamheden en worstelingen om te bestaan trekken af van
de natuur, sluiten het oog voor hare schoonheid. Ik wil deel van de
lieve natuur worden gelijk een schaap.”
Mijn goede vriend had blijkbaar ook, gelijk zoo vele kinderen dezer
eeuw, kennisgemaakt met:
_»The heavy and the weary weight
Of all this unintelligible world.”_
Wat mij betreft: de Mensch was steeds mijn hoofdstudie, de mensch en den
oorlog—_arma virumque cano_.
De toevallige uitingen van Burgers en Burger-officieren, Depêche-rijders,
Adjudanten, Secretarissen, Geneesheeren, Hospitaal-nurses, en mannen
van 't Roode Kruis of het Informatie-Bureau waren mij vooral welkom. Ik
zocht tot de waarheid en de werkelijkheid der dingen door te dringen—een
moeilijke taak, ja eene hopelooze. De volle waarheid kan op geen punt
door menschenkinderen gevonden worden, en niet het minst in verband met
oorlogsfeiten. Het eigen _ik_ van spreker en hoorder speelt ongemerkt
een voornamen rol in de indrukken, die men meêdeelt en ontvangt. Dan,
hoeveel van een gevecht, bijvoorbeeld, kan door iemand, die zich in de
hitte er van bevindt, gezien en begrepen worden? Kruimkens, slechts
eenige weinige stukjes en brokjes, op zijn best genomen, kunnen zelfs
door Generaals of Commandanten worden meêgedeeld. In één woord: met
den besten wil der wereld kan geen mensch het koren uit de kafhoopen,
oorlogspraatjes, telegrammen en verslagen uitziften en oppikken. Niet
dat er met bewustheid en opzet onwaarheden worden opgedischt. Verre
daarvandaan. De zaak is eenvoudig deze: »alle menschen zijn leugenaars”
_nolens volens_. Wij kunnen het niet helpen. Het oog is te blameeren,
zoowel als brein en hart. 't Is ons zelfs geographisch onmogelijk om
den werkelijken gang van een grooten slag te bespieden. Voeg er dan nog
bij onze nationale vooroordeelen, onzen familietrots, onze politieke
sympathieën en antipathieën, onze geliefkoosde opinies en bekrompenheden,
ons gebrek aan oordeel en critisch talent en boven en vóór alle dingen:
de zelfzucht, die ons doet zien, wat wij zoo gaarne wenschen te zien
en het oog sluit voor wat ons onaangenaam en hinderlijk is,—en wie
durft beweren, dat hij een volkomen open en eerlijk oog voor de naakte
werkelijkheid bezit, en haar alleen door pen of penseel of woord
afschildert? Een ware geschiedenis van eenig volk of eenigen oorlog is
en blijft een onverwezenlijkt ideaal, een onvervulden droom—de wanhoop
aller eeuwen. Gelukkig de man, die met Darwin durft zeggen: »Nooit ben
ik, ter wille van den roem, een duimbreedte van de waarheid afgeweken.”
Hij zal zich onder allen tegenstand en tegenspoed met de woorden van
Carlyle kunnen troosten:
»Laat iemand met oprechten ernst zijne gedachte, zijne gevoelens,
den werkelijken toestand van het eigen hart uitspreken; en andere
menschen—zoo vreemd zijn wij allen door den band van sympathie aan
elkander samengestrengeld—moeten en zullen op hem acht geven.”
* * * * *
Van Olifantsfontein gingen wij naar _Brakdam_, eene boerenplaats, waar
de heeren Anderson en Williams (zwager van President Steyn) een soort
van Commissariaat-depôt voor de Vrijstaatsche lagers op kleine schaal
regelden. De plaats grensde aan de Modderrivier en lag ongeveer een uur
rijdens van 't groote lager van Generaal Cronjé. Het was ons spoedig
duidelijk geworden, dat de groote vraag in die gewesten voor ons zou
zijn: hoe onze twee groote, lijvige paarden in goede conditie te houden!
Dank zij gemelde heeren, hebben wij van tijd tot tijd er eenige zakken
kaf en mielies gekregen, een onschatbaar voorrecht boven vele duizenden.
Dat zaakje werd door mijn ouden vriend, den heer Williams, spoedig
beklonken. Den naam der plaats wordt echter om andere redenen genoemd.
Generaal French zou juist in de nabijheid van Brakdam door de rivier,
als een pijl uit een boog, in 't midden van Februari schieten. Ja, in
dezelfde »drift”, waar wij een heerlijk bad in die dagen genoten—te
voet van de plaats naar de rivier wandelend—drenkten zijne ruiters
hun dorstige paarden, toen zij Kimberley gingen verlossen. Zonder het
in de verste verte te droomen, wandelden wij een geheelen dag op dien
historischen bodem rond, en van een roodachtigen heuvel, tusschen de
hoeve en de wateren der Modder, zaten wij langen tijd het tooneel voor
ons intedrinken.
Er waren er niet minder dan drie Vrijstaatsche lagers voor ons ten toon
gespreid—één aan gene, twee aan deze zijde der rivier—schilderachtige
groepjes tenten en wagens, en sierlijke rookkolommen langzaam ten hemel
stijgend. Rondom de lagers heerschte de woestijn. Slechts bij en op
de rivierwallen was er iets groens te zien. Wij blikten overal rond,
en zoo ver als 't oog kon zien aan alle kanten was de aarde woest en
ledig. De »vaalboschjes” waren inderdaad vaal, ziekelijk, bleek-blauw,
stoffig, treurig om te aanschouwen. Geen sprinkhaan zou op dat armoedig
kreupelhout azen, laat staan een paard of muil. Gras was er geen: dat
wil zeggen, gras dat groen en eetbaar was. Hier en daar zag men eenige
lange, gele, uitgedroogde scheuten het hoofd amechtig ten hemel beurend,
of er mogelijk een droppel waters mocht nederdalen! Nooit heb ik zulk
een kale, God-verlatene landstreek gezien. Wij waren inderdaad op de
zoomen van de gevreesde Kalahari. Arme paarden! Arme burgers! Zij
konden noch vooruit, noch achteruit. Daar op de barre, meêdoogenlooze,
brandende aarde hielden zij de wacht op Methuen—die nooit zou opdagen.
Gelijk de koude den grooten Napoleon meer kwaad deed dan de Russen, zoo
putte de droogte de krachten van Cronjé meer uit dan de Engelschen.
»Zielloos wreed” was de Natuur al de lange maanden, die onze burgers
aan de boorden der Modder, aan den uitgebreiden Magersfontein-front
en rondom Kimberley moesten doorbrengen. Mensch en dier verzwakten,
demoraliseerden, verkwijnden. De Engelschen hadden volop geld en
onuitputtelijke bronnen. De troepen klemden zich vast aan den voedenden
spoorweg. De Boeren moesten met een paar handen vol mielies 's morgens
en 's avonds voor hunne onmisbare paarden tevreden zijn—er waren niet
half genoeg wagens, om de groote commando's van het noodige te voorzien,
en de weg tusschen Edenburg of Bloemfontein in de uitgeputte, behoeftige
lagers was lang en zwaar. De Engelsche tactiek aan de uiterste
westergrenzen van het vechtterrein was meesterlijk _na_ Magersfontein.
Zij lieten ons als 't ware aan ons lot over—aan droogte en aan den
Tijd, »den Meester van alle dingen”, zoo als Napoleon gewoon was te
zeggen.
_'t Land was stof, de velden smachtten,
't Gras werd hooi, de beek was droog,
Plant en boom verloor zijn' krachten,
Kwijnde, dorde voor ons oog,
Alles zonk voor 't zonnevuur,—
Goede vader der natuur._