Na het overlijden van Generaal Joubert, legde ik gemeld dokumentje
Generaal Louis Botha voor, die er onder het door den President
geschrevene met zijne pen bijvoegde:
_Gezien en goedgekeurd_,
LOUIS BOTHA,
Wnd. C.-G.
15.5.00.
Een heel klein en onaanzienlijk dokumentje, uiterlijk beschouwd; maar
voor den bezitter van groote waarde.
Het wagentje—geriefelijk en licht: een »delivery van” van een bekende
Handelsfirma, met een heele geschiedenis omtrent »Schoenen en Laarzen”
en »Kleeren” en »Kruidenierswaren”, in 't Engelsch in groote zwarte
hoofdletters op de kap-klappen geschreven—en twee groote, sterke
paarden daagden tot onze blijdschap te Bloemfontein op, en vroeg in de
eerste week van 't nieuwe jaar reden wij vroolijk en welgemoed naar
Kimberley. Wij hadden heel wat scheepsbeschuit, »Quaker Oats”—een
weeldeartikel van groot belang in die dagen—en blikjes vleesch en
visch met het wagentje meêgekregen—er was ruimte genoeg voor onze
portmanteaux en een klein matras, te Bloemfontein gekocht—en wij hadden
een eerste klas kleurling-koetsier, die op den klassieken naam »Bokkie”
boogde, in handen gekregen. Dezen laatsten zegen—geene kleinigheid,
hoor!—hadden wij aan de bemoeiingen van een goeden vriend uit vorige
jaren, den heer W. Poultney, van Bloemfontein—die in verband met het
Vrijstaatsche Commissariaat zoowat dezelfde rol als de heer Japie
Cilliers vervulde—te danken.
Goede, degelijke, ouderwetsche, oude Bokkie! Hij was klein van postuur,
maar meester van zijn vak. Zijn hart zat op de rechte plek, hoewel zijn
gezicht als een rozijn geplooid was, of zoo—als de jolige Justus van
Maurik het heeft:—»rimpelig als een overjarige appel” er uit zag. Wat
was er van onze paarden zonder Bokkie geworden! Hoe veel zorg en moeite
en tijd heeft hij niet aan die onmisbare dieren—onmisbaar, vooral toen
wij een ganschen nacht door moesten vluchten!—besteed. Voeder was
bitter schaars, gras was er hoegenaamd niet bij de Modderrivier en om
Kimberley; de twee dieren, die wij »Ladysmith” en »Kimberley” doopten,
kregen een hevige verkoudheid (de zoogenaamde »nieuwe ziekte”) en werden
mager als Farao's gulzige koeien.... maar Bokkie wist altoos raad, en
redde ons van gedwongene vacantie op het ruwe St. Helena.
Wij namen den weg ten zuiden van de Modderrivier tot aan Koedoesrand
drift, waar wij naar de overzijde doorgingen en een nacht onder het
gastvrije dak van den oude heer Hendrik Groenewald doorbrachten. Wat
waren wij in ons schik met ons rijtuig, en paarden, en koetsier! Welk
een contrast tusschen deze reis en onze laatste in Natal. Wij lachten
lekker bij de herinnering aan die lamlendige bicycles en al ons sukkelen
en zwoegen en zweeten daar bij het verre Ladysmith. »Het oude was
voorbij gegaan: alles was nieuw geworden.” Er was ook overvloed van melk
op weg. Overal bij de boerenwoningen kregen wij er een bottel versche
melk, enkel voor het vragen, van de vrouw of de dochter des huizes.
Zelden was er een blanke manspersoon te zien op de boerenhoeven: de
vrouwen moesten met behulp van eenige Kaffers de gansche boerderij
voortzetten. Edele, onovertrefbare boerenvrouwen! Of zij zich dapper en
flink en ferm gedroegen! Zijn zij ook niet heldinnen? Zijn zij niet met
nog meer roem beladen dan heur mans? Hebben zij niet feitelijk veel meer
en veel zwaarder dan hunne echtgenooten of vaders of zonen geleden,
omdat zij meer gevoelig en teeder, liefhebbend en bekommerd van aard
zijn, en ook omdat de _verbeelding_ ze de dingen aan 't front veel
akeliger afschilderde, dan zij in _werkelijkheid_ waren? Maar wij moeten
ons haasten; wij gaan naar Kimberley en Magersfontein. Latere schrijvers
zullen den lof der Boerenvrouwen in lied en geschiedenis en roman
verkondigen.
»Voort! _Ladysmith_—flink! _Kimberley!_ Wat zijn zij heerlijke, sterke
paarden, Bokkie?”
»Ja, Baas! maar die zand is zwaar en die pad is lang. Ons moet langzaam
gaan, anders raak die perde gedaan, en dan? Wat vang ons dan aan?”
Zoo was het ook. De weg van Bloemfontein door de Modderrivier naar de
lagers om Kimberley en bij de Modderrivier was een zeer zanderige en dus
bitter zware voor paard en muil en os. Even zoo de weg van Edenburg over
Jacobsdal naar de Magersfontein-posities. En toch was deze onze lijn van
communicatie, ons eenig kanaal voor den stroom van voedsel en voeder
voor mensch en dier, die onafgebroken naar de lagers vloeide. Twee
nachten sliepen wij op weg, en wij hadden een licht rijtuig en twee
sterke, vette paarden. Hoe zou het met Cronjé's burgers en paarden
gaan, als de Engelschen ze daar maanden lang lieten wachten? Voor ons
was het wel een soort van pleiziertocht, een dagelijksche picnic van
Bloemfontein naar de posities onzer commando's,—maar voor de twee
Regeeringen en Commissariaat-Departementen was er geen moeilijker taak
in eenig deel van de uitgebreide vechtlinie, dan de tienduizend burgers
en meer dan tienduizend paarden rondom de diamantenstad en bij de
Modderrivier en in de Magersfontein-posities van al het noodige te
voorzien. Naar al de andere groote commando's—te Colenso, Ladysmith,
Colesberg, Stormberg—had men een spoorweg voor den geheelen weg, of het
grootste deel in elk geval, om te gebruiken. Hierheen, even als naar
Mafeking, ging alles, alles per wagen, door os of ezel getrokken, en
Mafeking had natuurlijk maar een vierde deel van het getal burgers en
paarden, die hier om kost riepen. De Z. A. S. M. kon hier niet helpen.
Daaraan dachten wij toen echter niet. Wij gingen voorspoedig en
pleizierig voort, met geweer en Mauser-pistool, zakboek en schetsboek
gewapend, en _Ladysmith_ en _Kimberley_ en _Bokkie_ zorgden dat alles
goed ging. Later heb ik dikwijls over den aangenamen rit, en vooral over
ons lekker avondeten, weelderige bedstede en zoete rust te »Koedoesdam”
(de naam der plaats) met weemoed nagedacht. Immers, niet verre van de
vriendelijke hoeve, wat lager af langs de rivier, zagen wij dien avond
den donkeren Paardenberg. Tusschen de Koedoesdrift en Paardenberg zou
het ongelukkige lager van Generaal Cronjé voor het laatst getrokken
worden. Op Koedoesrand zou er te vergeefs tegen Generaal Kitchener
gevochten worden, terwijl hij den kring van ijzer en staal om Cronjé's
duizenden hielp trekken. Dezelfde drift, waar wij door kwamen, zou
Generaal Cronjé geen twee maanden later trachten te bereiken; maar
French zou hem daar te gauw zijn, en hem den doortocht voor goed
afsnijden. Daar bij Koedoesrand zou de edele Hoofd-Generaal, Ignatius
Ferreira, door een ongeluk in het holle van den nacht den dood
ingaan—diep betreurd onder de duizenden, die met hem in den oorlog
beweend worden. Ja, op den stoep, waarop wij gezellig zaten te praten,
zou er een Britsch maxim geplant worden, en het huis, dat ons zoo
goed ontvangen had, zou weldra verwoest worden. Waar zwerft onze
grijze gastheer met zijne zwakke gade nu? Wat is er van hen geworden,
sedert—zij met zoo velen als kaf voor den wind door de legioenen van
Lord Roberts werden voortgedreven?
Den volgenden dag tegen 1 uur waren wij te Olifantsfontein, ten oosten
van Kimberley, de hoofdkwartieren van Hoofd-Commandant C. Wessels.
Voor het eerst bevonden wij ons in een Vrijstaatsch lager, dat der
Hoopstadters namelijk. Sedert het einde van October waren zij reeds op
bovengemelde plaats, die minstens zes mijl van Kimberley gelegen was.
De Vrijstaters hadden verschillende kleine lagers van spoorlijn tot
spoorlijn, dat is: van Dronfield Siding ten noorden tot Spijtfontein,
ten zuiden der stad. De Transvalers hadden weer zekere posities op de
tegenovergestelde helft van den cirkel rondom Kimberley.
De Hoofd-Commandant was ons zeer vriendelijk en voorzag ons van het
noodige voor mensch en dier. Uit gesprekken met hem verstond ik: dat de
grootste redenen waarom hij de stad niet nauwer insloot: _a._ gebrek aan
water en _b._ gebrek aan kanonnen was, terwijl voor hem afdoende reden
om geen aanval te wagen _c._ in de aanwezigheid van dynamietmijnen bij
de toegangen tot de stad gelegen was. Zoo legde de Commandant de zaak
uit. Of men zeker was op 't punt der dynamietmijnen, of slechts »het
onbekende” vreesde, zooals meermalen in oorlogstijden gebeurt, laat ik
aan anderen over om te beslissen. Dat het beleg van Kimberley een nog
grooter _fiasco_ dan dat van Ladysmith of Mafeking was, wordt door velen
beweerd. Mij kwam het voor, heel veel op een groote picnic in een dorre
woestijn te gelijken. Heldendaden werden er heel zelden verricht. Men
had er vooral met de ongevoelige Natuur te kampen, en die worsteling was
soms bitter zwaar, zoo als ik uit eigen ondervinding kan getuigen. De
droogte was dat jaar buitengewoon. Zelfs de ouden van dagen herinnerden
zich niet zulk een aanhoudende, regenlooze treurigheid in die gewesten
ooit gesmaakt te hebben. Was de omgeving van de diamantenstad nu schoon
en schilderachtig, dan had men toch iets om oog en hart te bekoren,
terwijl het lichaam van mensch en dier verkwijnde. De derde regel van de
Genestet's prachtig couplet kon, echter, in die dagen op de omstreken
van Kimberley, als een geheel, geenszins worden toegepast—de overigen
wel:
_Natuur!—wat deert haar
Uw lief of leed?
Ze is reed'loos lieflijk
En zielloos wreed._