1 Jan. 1900.

Na het overlijden van Generaal Joubert, legde ik gemeld dokumentje

Generaal Louis Botha voor, die er onder het door den President

geschrevene met zijne pen bijvoegde:

_Gezien en goedgekeurd_,

LOUIS BOTHA,

Wnd. C.-G.

15.5.00.

Een heel klein en onaanzienlijk dokumentje, uiterlijk beschouwd; maar

voor den bezitter van groote waarde.

Het wagentje—geriefelijk en licht: een »delivery van” van een bekende

Handelsfirma, met een heele geschiedenis omtrent »Schoenen en Laarzen”

en »Kleeren” en »Kruidenierswaren”, in 't Engelsch in groote zwarte

hoofdletters op de kap-klappen geschreven—en twee groote, sterke

paarden daagden tot onze blijdschap te Bloemfontein op, en vroeg in de

eerste week van 't nieuwe jaar reden wij vroolijk en welgemoed naar

Kimberley. Wij hadden heel wat scheepsbeschuit, »Quaker Oats”—een

weeldeartikel van groot belang in die dagen—en blikjes vleesch en

visch met het wagentje meêgekregen—er was ruimte genoeg voor onze

portmanteaux en een klein matras, te Bloemfontein gekocht—en wij hadden

een eerste klas kleurling-koetsier, die op den klassieken naam »Bokkie”

boogde, in handen gekregen. Dezen laatsten zegen—geene kleinigheid,

hoor!—hadden wij aan de bemoeiingen van een goeden vriend uit vorige

jaren, den heer W. Poultney, van Bloemfontein—die in verband met het

Vrijstaatsche Commissariaat zoowat dezelfde rol als de heer Japie

Cilliers vervulde—te danken.

Goede, degelijke, ouderwetsche, oude Bokkie! Hij was klein van postuur,

maar meester van zijn vak. Zijn hart zat op de rechte plek, hoewel zijn

gezicht als een rozijn geplooid was, of zoo—als de jolige Justus van

Maurik het heeft:—»rimpelig als een overjarige appel” er uit zag. Wat

was er van onze paarden zonder Bokkie geworden! Hoe veel zorg en moeite

en tijd heeft hij niet aan die onmisbare dieren—onmisbaar, vooral toen

wij een ganschen nacht door moesten vluchten!—besteed. Voeder was

bitter schaars, gras was er hoegenaamd niet bij de Modderrivier en om

Kimberley; de twee dieren, die wij »Ladysmith” en »Kimberley” doopten,

kregen een hevige verkoudheid (de zoogenaamde »nieuwe ziekte”) en werden

mager als Farao's gulzige koeien.... maar Bokkie wist altoos raad, en

redde ons van gedwongene vacantie op het ruwe St. Helena.

Wij namen den weg ten zuiden van de Modderrivier tot aan Koedoesrand

drift, waar wij naar de overzijde doorgingen en een nacht onder het

gastvrije dak van den oude heer Hendrik Groenewald doorbrachten. Wat

waren wij in ons schik met ons rijtuig, en paarden, en koetsier! Welk

een contrast tusschen deze reis en onze laatste in Natal. Wij lachten

lekker bij de herinnering aan die lamlendige bicycles en al ons sukkelen

en zwoegen en zweeten daar bij het verre Ladysmith. »Het oude was

voorbij gegaan: alles was nieuw geworden.” Er was ook overvloed van melk

op weg. Overal bij de boerenwoningen kregen wij er een bottel versche

melk, enkel voor het vragen, van de vrouw of de dochter des huizes.

Zelden was er een blanke manspersoon te zien op de boerenhoeven: de

vrouwen moesten met behulp van eenige Kaffers de gansche boerderij

voortzetten. Edele, onovertrefbare boerenvrouwen! Of zij zich dapper en

flink en ferm gedroegen! Zijn zij ook niet heldinnen? Zijn zij niet met

nog meer roem beladen dan heur mans? Hebben zij niet feitelijk veel meer

en veel zwaarder dan hunne echtgenooten of vaders of zonen geleden,

omdat zij meer gevoelig en teeder, liefhebbend en bekommerd van aard

zijn, en ook omdat de _verbeelding_ ze de dingen aan 't front veel

akeliger afschilderde, dan zij in _werkelijkheid_ waren? Maar wij moeten

ons haasten; wij gaan naar Kimberley en Magersfontein. Latere schrijvers

zullen den lof der Boerenvrouwen in lied en geschiedenis en roman

verkondigen.

»Voort! _Ladysmith_—flink! _Kimberley!_ Wat zijn zij heerlijke, sterke

paarden, Bokkie?”

»Ja, Baas! maar die zand is zwaar en die pad is lang. Ons moet langzaam

gaan, anders raak die perde gedaan, en dan? Wat vang ons dan aan?”

Zoo was het ook. De weg van Bloemfontein door de Modderrivier naar de

lagers om Kimberley en bij de Modderrivier was een zeer zanderige en dus

bitter zware voor paard en muil en os. Even zoo de weg van Edenburg over

Jacobsdal naar de Magersfontein-posities. En toch was deze onze lijn van

communicatie, ons eenig kanaal voor den stroom van voedsel en voeder

voor mensch en dier, die onafgebroken naar de lagers vloeide. Twee

nachten sliepen wij op weg, en wij hadden een licht rijtuig en twee

sterke, vette paarden. Hoe zou het met Cronjé's burgers en paarden

gaan, als de Engelschen ze daar maanden lang lieten wachten? Voor ons

was het wel een soort van pleiziertocht, een dagelijksche picnic van

Bloemfontein naar de posities onzer commando's,—maar voor de twee

Regeeringen en Commissariaat-Departementen was er geen moeilijker taak

in eenig deel van de uitgebreide vechtlinie, dan de tienduizend burgers

en meer dan tienduizend paarden rondom de diamantenstad en bij de

Modderrivier en in de Magersfontein-posities van al het noodige te

voorzien. Naar al de andere groote commando's—te Colenso, Ladysmith,

Colesberg, Stormberg—had men een spoorweg voor den geheelen weg, of het

grootste deel in elk geval, om te gebruiken. Hierheen, even als naar

Mafeking, ging alles, alles per wagen, door os of ezel getrokken, en

Mafeking had natuurlijk maar een vierde deel van het getal burgers en

paarden, die hier om kost riepen. De Z. A. S. M. kon hier niet helpen.

Daaraan dachten wij toen echter niet. Wij gingen voorspoedig en

pleizierig voort, met geweer en Mauser-pistool, zakboek en schetsboek

gewapend, en _Ladysmith_ en _Kimberley_ en _Bokkie_ zorgden dat alles

goed ging. Later heb ik dikwijls over den aangenamen rit, en vooral over

ons lekker avondeten, weelderige bedstede en zoete rust te »Koedoesdam”

(de naam der plaats) met weemoed nagedacht. Immers, niet verre van de

vriendelijke hoeve, wat lager af langs de rivier, zagen wij dien avond

den donkeren Paardenberg. Tusschen de Koedoesdrift en Paardenberg zou

het ongelukkige lager van Generaal Cronjé voor het laatst getrokken

worden. Op Koedoesrand zou er te vergeefs tegen Generaal Kitchener

gevochten worden, terwijl hij den kring van ijzer en staal om Cronjé's

duizenden hielp trekken. Dezelfde drift, waar wij door kwamen, zou

Generaal Cronjé geen twee maanden later trachten te bereiken; maar

French zou hem daar te gauw zijn, en hem den doortocht voor goed

afsnijden. Daar bij Koedoesrand zou de edele Hoofd-Generaal, Ignatius

Ferreira, door een ongeluk in het holle van den nacht den dood

ingaan—diep betreurd onder de duizenden, die met hem in den oorlog

beweend worden. Ja, op den stoep, waarop wij gezellig zaten te praten,

zou er een Britsch maxim geplant worden, en het huis, dat ons zoo

goed ontvangen had, zou weldra verwoest worden. Waar zwerft onze

grijze gastheer met zijne zwakke gade nu? Wat is er van hen geworden,

sedert—zij met zoo velen als kaf voor den wind door de legioenen van

Lord Roberts werden voortgedreven?

Den volgenden dag tegen 1 uur waren wij te Olifantsfontein, ten oosten

van Kimberley, de hoofdkwartieren van Hoofd-Commandant C. Wessels.

Voor het eerst bevonden wij ons in een Vrijstaatsch lager, dat der

Hoopstadters namelijk. Sedert het einde van October waren zij reeds op

bovengemelde plaats, die minstens zes mijl van Kimberley gelegen was.

De Vrijstaters hadden verschillende kleine lagers van spoorlijn tot

spoorlijn, dat is: van Dronfield Siding ten noorden tot Spijtfontein,

ten zuiden der stad. De Transvalers hadden weer zekere posities op de

tegenovergestelde helft van den cirkel rondom Kimberley.

De Hoofd-Commandant was ons zeer vriendelijk en voorzag ons van het

noodige voor mensch en dier. Uit gesprekken met hem verstond ik: dat de

grootste redenen waarom hij de stad niet nauwer insloot: _a._ gebrek aan

water en _b._ gebrek aan kanonnen was, terwijl voor hem afdoende reden

om geen aanval te wagen _c._ in de aanwezigheid van dynamietmijnen bij

de toegangen tot de stad gelegen was. Zoo legde de Commandant de zaak

uit. Of men zeker was op 't punt der dynamietmijnen, of slechts »het

onbekende” vreesde, zooals meermalen in oorlogstijden gebeurt, laat ik

aan anderen over om te beslissen. Dat het beleg van Kimberley een nog

grooter _fiasco_ dan dat van Ladysmith of Mafeking was, wordt door velen

beweerd. Mij kwam het voor, heel veel op een groote picnic in een dorre

woestijn te gelijken. Heldendaden werden er heel zelden verricht. Men

had er vooral met de ongevoelige Natuur te kampen, en die worsteling was

soms bitter zwaar, zoo als ik uit eigen ondervinding kan getuigen. De

droogte was dat jaar buitengewoon. Zelfs de ouden van dagen herinnerden

zich niet zulk een aanhoudende, regenlooze treurigheid in die gewesten

ooit gesmaakt te hebben. Was de omgeving van de diamantenstad nu schoon

en schilderachtig, dan had men toch iets om oog en hart te bekoren,

terwijl het lichaam van mensch en dier verkwijnde. De derde regel van de

Genestet's prachtig couplet kon, echter, in die dagen op de omstreken

van Kimberley, als een geheel, geenszins worden toegepast—de overigen

wel:

_Natuur!—wat deert haar

Uw lief of leed?

Ze is reed'loos lieflijk

En zielloos wreed._

Zes maanden bij de commando's · 第 52 / 79 题