XX

»Delenda est.... Ladysmith”!

De geschiedschrijver Thucydides vertelt, dat de kracht der oude

Spartanen niet in het belegeren van steden gelegen was. Ze waren

ontegenzeggelijk een dapper volk, maar in het bedwingen van steden

muntten zij geenszins uit. Hetzelfde kan van de Boeren gezegd worden.

Hunne belegeringen waren allen mislukkingen. Geen versterkte stad werd

door ons ingenomen. Dundee werd verlaten vóór dat het belegerd werd, zoo

kan de val van die stad niet in deze worden meêgerekend. Baden-Powell

te Mafeking, Kekewich te Kimberley en Sir George White te Ladysmith

stonden alle drie pal en ferm op hun respectieve posten, totdat zij

ontzet werden. Zij verdienen allen lof voor hun beleid en volharding en

moed; maar het feit blijft: de Boer is geen Frederik Hendrik, geen

»Stedenbedwinger!”

Laat ons echter niet vergeten, dat de gansche wereld destijds verbaasd

was, dat de eenvoudige boeren en burgers der twee kleine Republieken

een Engelschen Generaal met 12,000 troepen en vijftig vuurmonden in

Ladysmith konden vastzetten en vasthouden. Was het niet de algemeene

opinie onder het Engelsche publiek, dat Sir George White binnen weinige

weken te Pretoria zou zijn? Werd er niet in Britsche militaire kringen

met beslistheid geprofeteerd: dat de Engelsche marsch naar Pretoria de

wereld zou verbazen? Nog meer: ook de groote meerderheid der opgewonden

Afrikaanders meenden, dat de oorlog geen drie maanden zou voortduren,

daar de Engelsche overmacht in getallen en kanonnen te geweldig was.

Toen Dundee in 't holle van den nacht door een leger van 4 of 5000 man

met drie eerste klas veldbatterijen ontruimd werd, kon de beschaafde

menschheid het nauwelijks gelooven. Spoedig daarop echter, volgde de

slag van Modderspruit en Nicholson's Nek en—men verstomde! Wat? Een

leger van 12,000 met 50 kanonnen teruggeslagen door boeren en klerken?

En een duizend man gevangen genomen?—Men wreef zich de oogen uit. Het

klonk al te gek! De Engelsche officieren hadden de wereld verbaasd,

maar—niet juist zooals zij het bedoelden.

Het scheen mij, alsof Sir George het in het begin niet kon gelooven, dat

hij werkelijk vastgenageld en ingesloten was door de »domme, onnoozele

Boeren”. Op Vrijdag, 3 November, (wij gaan nu eenige weken terug) zond

hij een sterke afdeeling ruiterij en voetvolk uit in de richting van

Colenso, om te zien of er geen kans was de Vrijstaters vandaar te

verjagen. 't Was op een helderen, warmen namiddag, dat de poging werd

aangewend en ik zat op Pepworth's Heuvel met mijn veldglas, om zooveel

mogelijk van het tooneel met eigen oogen te zien. Ongelukkig woei de

wind in de richting van het gevecht, zoo kon ik niets hooren en bitter

weinig (dank zij den uitvinder van rookeloos kruit) zien. Stofwolken

zag ik er overvloedig—ver, aan de overzijde van Ladysmith—en dikke,

zwarte streepen, die nu en dan vlammen uitschoten, en daar ginds op

de heuveltoppen, waarin de Heilbronners en Winburgers en Bethlemieten

zich genesteld hadden, zijn er kleine, blanke wolkjes. Er wordt met de

Engelsche Armstrongs gebulderd en de wolkjes toonen de plaats aan waar

de Engelsche granaat-kartetsen bersten. In den verren achtergrond, op

den hoogen Tafelkop, is er van tijd tot tijd een groote rookwolk te

zien, die langzaam opwaarts stijgt. Daar was het ééne Vrijstaatsche

kanon, dat op den vijand schieten kon, tegen de Engelsche batterijen aan

't bassen.

Hé! wat dreunt er op mijn linkerhand? 't Is Long Tom, die ook mee wil

spreken. Hoog over de stad slingert hij zijn geweldige projectielen;

lang moeten wij wachten, eer wij weten waar zijn bommen neerslaan—zoo

ver schiet onze oude staatmaker!—»daar barst hij” roept er een uit.

Werkelijk! daar bij de zwarte streepen ploft de 85 lb. bom neer, ruim

11,000 meter van hier! Wij hooren zelfs zijne granaten niet

ontploffen—de slag gelijkt een »Dumb Charade.”

Plotseling verschijnen er vier Engelsche veldstukken op de helling van

een heuvel vóór ons (»Observation Hill” in Engelsche boeken geheeten.)

Ze zijn boos op onzen grooten Bulhond, die keffertjes, en zij blaffen

hem tegen, zoo hard als zij het kunnen. In een paar minuten tijds komt

Luitenant De Jager met een Creuzot snelvuurder en een Krupp van den top

van Pepworth's Heuvel aangejaagd. Hij trekt zijne stukken in positie

hier dicht bij ons (een paar honderd treden rechts van hun vorige

stellingen), en blakert op de Armstrongs los. Het dreunt en barst en

vlamt hier om ons voor een half uur, toen de batterij het veiliger

achtte naar Ladysmith de wijk te nemen. Slechts de scheepskanonnen en

Long Tom blijven aan deze zijde van de stad aan het orkest deelnemen,

terwijl de Engelsche ruiterij de Heilbronners bestormen. Lange maanden

daarna verhaalde Generaal Christiaan De Wet mij, hoe hij en zijn

Heilbronners (onder Commandant Steenkamp) het zóó zwaar kregen, dat zijn

broeder Piet De Wet met eene afdeeling Bethlehem-burgers en Commandant

Theunissen met een vijftigtal burgers ter hulpe moesten snellen.

Alles liep goed af. De Vrijstaters stonden pal. Sir George White voerde

niets uit. Wederom toonen de roode stofwolken ons, dat zijne manschappen

en kanonnen op de stad terugvallen.

Op den 14den November werd er nog een aanval op de Vrijstaatsche

posities gedaan, maar deze was zóó flauw, dat het bij de laatste

flikkering van eene stervende kaars kan vergeleken worden. De Boerenmuur

was te hecht, te sterk, te flink om de stad getrokken. Sir George

berustte in het onvermijdelijke—al liep het ook op paardenvleesch en

meliepap uit.

En toen?—Ladysmith werd _niet_ bestormd, en werd bij den dag al meer en

meer verschanst en voorbereid tegen latere bestormingen!

Onze vurige Staatsprocureur deed wat hij kon om het tot eene bestorming

der stad te brengen; hij was als 't ware vereenzelvigd met de plaats,

die hij tegen het einde van October reeds hoopte binnen te rijden;

maanden lang vertoefde hij in het lager, in zijn wagentje, in zijne

tent met eenige vrienden; met ééne gedachte in hart en brein: »_Delenda

est_, of liever, _Captanda est Ladysmith_!” Krijgsraden woonde hij bij;

gesprekken voerde hij dagelijks met onze Generaals en Commandanten; meer

dan eens reed hij om de stad te paard met mannen van ervaring en kennis

in zake het bestormen van steden; meer dan eens zond hij telegrammen

over deze brandende kwestie naar Pretoria. Het hielp alles niets—totdat

het eigenlijk te laat was, totdat de bestorming ons honderd lijken

kostte—en toch niet kon gelukken! Gelijk een Cato van ouds gedurig

uitriep: »delenda est Carthago”, zoo herhaalde hij onverpoosd: »captanda

est Ladysmith” (Ladysmith _moet_ ingenomen worden!)—maar hij heeft niet

het geluk van den Romein in deze mogen smaken.

In die dagen stelden onze officieren en burgers _te veel_ vertrouwen

in de macht hunner kanonnen—de noodzakelijke reactie op hun vorig

smalen op de Artillerie. Een tweede Long Tom werd van de Pretoria-Forten

gehaald en op het hooge Bulwana gesteld. Dat was een Boerenmeesterstuk!

Begrijp u, lezer, in den slag van Modderspruit hadden de Engelschen geen

gewoon veldkanon op Lombard's Kop, noch »Gun Hill”, laat staan Bulwana's

Kruin. Het gewoon gezond verstand van een Afrikaansch burger kan zulk

een abuis niet vatten. Indien Sir George grof geschut op die heerschende

posities gesteld had, was het met zijn rechtervleugel geheel anders

afgeloopen.

Ook de tweede Long Tom kon geen wonderen verrichten. Een derde moest

ter hulpe snellen. Met groote moeite werd No. 3 van Pretoria naar

Elandslaagte en van daar om het zuiden der belegerde stad gevoerd. Toen

moest het op een hoogen bergtop, den weg naar Colenso en den beroemden

»Plat Rand” beheerschend, door mensch en dier langs maagdelijke

bergpaden en niet-paden getrokken worden—om de taaie stad te bedwingen.

Tezamen met de twee andere vesting Creusot's en al de overige kleinere

stukken zou er zóó op Ladysmith gebombardeerd worden, dat de stad op het

geklank der kanonmuziek (als een tweede Jericho) moest bezwijken.

Er werd wel een soort van algemeenen aanval (zoo genaamd) op 9 November

reeds ondernomen, maar het kostte ons slechts een paar dooden en enkele

gewonden, alhoewel er van 5 uur 's morgens tot 3 uur 's namiddags

»gestormd” werd! De kanonnen moesten het onmogelijke verrichten, terwijl

de burgers een soort van demonstratie op touw zetten.

Tegen 1 December, toen ik met den heer Oerder Ladysmith voor de tweede

maal bezocht, hadden wij de volgende kanonnen en maxims op de volgende

posities om de stad:—

_Op Bulwana_: 1 Vestingkanon, 1 Creusot snelvuurder en 1 handmaxim (te

Talana den vijand ontnomen).

_In den Nek_ (tusschen Bulwana en Gun Hill): 1 Krupp en 1 Pom-pom.

_Op Gun Hill_ (de projectie van Lombards Kop, op Ladysmith ziende): 1

Vestingkanon (van Pepworth daarheen gebracht), 1 Krupp Howitzer, 1

handmaxim.

Tegenover Generaal Burger's Lager: 1 Pom-pom.

_Op Pepworth's heuvel_: 1 Creusot snelvuurder, 1 Krupp Howitzer, 1

Pom-pom.

_Bij de Pretoria burgers_: 1 Engelsch bergkanon, 1 Krupp Howitzer.

_Bij de Johannesburgers_ (verder, noordwestwaarts): 1 Pom-pom.

_Bij de Vrijstaatsche commando's_ (van Harrismith, deel Winburg,

Heilbron, Kroonstad, deel Senekal en Ventersburg, west en zuidwest van

de stad): 1 Krupp, 1 Creusot snelvuurder, 3 Krupp's (oud model), 1

Vestingkanon, en eindelijk

_Bij het Duitsche commando_ (zuid van de stad): 1 Krupp en 2 Pom-poms.

* * * * *

De Engelschen hadden zich intusschen goed verschanst, dank zij ons

verzuim om krachtig op te treden. Er waren heel wat heuvels om de stad,

veel nader dan die, welke wij in bezit namen. In die binnenste lijn was

er bijvoorbeeld de geduchte Platrand, een breede, hooge en lange heuvel,

die spoedig met forten en »sangars” en loopgraven als bezaaid was. De

oostpunt werd »Ceasar's Kamp”, de westpunt »Wagon Hill” genoemd. Er was

een »Colt” veldkanon bij Caesar's Kamp en, ingeval van een aanval op

den Plat Rand, konden twee batterijen veldstukken in een ommezien de

bemanning der forten en grachten ter hulpe snellen—zoo als later ook

geschiedde, toen de groote aanval van 6 Januari 1900 plaats vond. Ten

noorden der stad, wederom, was de »Observation Hill” en »Rifleman's

Post”, die den Pretorianen den weg versperden. Ten zuidoosten, in de

Kliprivier vallei, stond de »Helpmalkaar Heuvel” met een groot fort

erop. Van het westen kon er onmogelijk met eenig succes een aanval

gedaan worden, daar er een groote opene vlakte tusschen de stad en de

verre heuvelen-forten der Vrijstaters gelegen was. Manschappen, geweers,

ammunitie had Sir George White meer dan voldoende, ter verdediging van

al die buitenposten, om zijn vijftig vuurmonden (waaronder twee 4.7

Scheeps- en 4 twaalfponder kanonnen) niet te noemen.

Spoedig was het onzen Officieren overduidelijk, dat de Platrand de

sleutel tot Ladysmith was. Van daar kon men al de andere forten en

de stad incluis gemakkelijk beheerschen en plat schieten. Had men

dien sterken, breeden heuvel in handen en eenige kanonnen erop, goed

verschanst, dan zou geen Engelsche macht uit Ladysmith in staat zijn,

de positie te hernemen. Die plek _moest_ bestormd!—dat gevoelde men

al meer en meer.

Ten Noorden was er ook eene kans om nader aan de stad te komen,

namelijk, als men Observation Hill kon nemen. Die heuvel werd, echter,

bijzonder sterk bemand; ook was er een ruime opene vlakte (waardoor de

spoorweg naar Harrismith liep) tusschen de Engelsche schansen en de

begeerige Pretorianen, vlak er tegenover. Verscheidene halfhartige en

zwakbestuurde pogingen werden door de Pretorianen ondernomen, om dien

geduchten heuvel vol wallen en schietgaten te naderen, maar het gaf

niets dan moeite en verdriet en ontevredenheid. Weinig roems werd er

behaald, en weinig bloeds gestort. Toch—_daar_ werd er wel _iets_

gedaan; elders moesten de kanonnen de kastanje's uit het vuur zien te

krijgen. Behalve op den noodlottigen 6den Januari, waarover later meer.

De Platrand, dus was de Achilleshiel van Ladysmith. Op dat punt

vestigden onze Officieren alle aandacht. Dag na dag, week na week werd

er over die »Platrand” gesproken, en nog eens gesproken. Krijgsraden

werden erover gehouden; Commissies van onderzoek gekozen; den sprong

wilde men echter niet wagen. Het zou te veel levens kosten, te veel

bloed eischen. Zoo is het ook—zoo bleek het later wel; maar zonder

bloed krijgt men niets in den oorlog. Er is geene keuze in deze,

geene ontkoming aan de groote wet der bloedstorting. De noodzakelijke

bestorming werd uitgesteld en steeds uitgesteld. Wij wilden den prijs

voor Ladysmith niet betalen, en moesten de gevolgen voor lief nemen:

zoo wat zes duizend burgers (minder of meer) bleven bij Ladysmith

»picnicen”, totdat Lord Roberts al onze plannen in duigen deed storten.

De heer G. W. Steevens, de talentvolle nieuwsbladcorrespondent reeds

genoemd, kan ons best vertellen hoe wij de stad belegerd hebben. Hoort

eens!

»Bommen zijn een holle vrees—veel geraas bij tijden, een vreeselijke

symphonie.... De Boeren voeren krijg gelijk heeren, die op hun gemak

leven; zij beperken hun werksuren met de stiptheid van een Werkers'

Unie. 's Zondags was er altoos vacantie; desgelijks den dag na er

bijzonder veel gevuurd was. Zelden begonnen zij het schieten vóór het

dag werd; tegen etenstijd hielden zij geregeld op. Zij vuurden bijna

nooit na »thee” en nooit in den regen. De Boeren hebben de groote fout

van alle amateur-soldaten: zij hebben hun gemak lief en zijn niet van

plan om gedood te worden.” En op eene andere plaats:

»Vermoeiend, eentonig, flauw, nutteloos is de heele zaak. In 't begin

van het beleg gaf een bombardement eene rilling, later werd het eene

grap—thans is het niets dan een vermoeiende, afmattende verveling. Wij

doen niets dan eten, drinken en slapen—een soort van dof-droevig

bestaan.”

Zoo is het. Kanonnen kunnen slechts bang maken, indien men eerst tijd

had zich een gat in den grond te boren. Denk aan Generaal Cronjé te

Paardenberg! De moederaarde is den krijgsman zeer goed, als deze slechts

zijn gezond verstand wil gebruiken. Denk aan Baden-Powell te Mafeking!

Wij wisten het wel, maar hoopten tegen de hoop, ja tegen ons beter

weten, dat de verdedigers der stad (zooals de Korybanten van ouds door

't fluitspelen) door ons kanongebulder dronken en machteloos zouden

worden.

't Is een pijnlijke bladzijde uit de geschiedenis van den oorlog, van

Republikeinsche zijde beschouwd. Te Mafeking ging het evenzoo. Er werd

getalmd en getalmd—totdat Sarel Eloff zijn brillante poging aanwendde

en er bijna in slaagde. »Bijna, maar nog niet!” Bittere woorden om neer

te schrijven, vooral als men weet hoe ellendig de loyale samenwerking,

zoo onmisbaar in zulke zaken, daar geweest is!

Te Kimberley ging het nog treuriger toe, maar later brengen wij ook die

stad een bezoek.

Intusschen kwam Buller al nader naar de Tugela; Methuen lag reeds bij

de Modderrivier zich voor een laatsten sprong naar het nabijgelegen

Kimberley krommend, en President Steyn riep luide om hulp tegen den

storm, die zijn naakten, bergloozen Staat bedreigde. Overal was er reeds

behoefte aan meer burgers: te Magersfontein, Colesberg en aan de Tugela

vooral. De nood was hoog en zou al hooger stijgen. In 's Hemelsnaam,

Mannen! Broe-Broeders! laat ons iets doen. De burgers worden hier

verwijfd, ontzenuwd, gedemoraliseerd. De picnic duurt te lang: 't Is

oorlog, _oorlog_, OORLOG! Captanda est Ladysmith!

Zes maanden bij de commando's · 第 41 / 79 题