De laatste week van November brachten wij te Ladysmith door. 't Was een
donkere, angstige tijd. Lord Methuen kwam snel van de Oranje Rivier
aanrukken op Belmont, waar de Vrijstaters hun voorpost hadden. Er waren
niet velen: slechts een 1800 man. Lord Methuen had er 8000 man en twaalf
kanonnen van de Royal Field Artillery (Armstrong vijftien ponders).
Kapitein (later werd hij tot Majoor verheven) Albrecht had er een paar
oude Vrijstaatsche Kruppkanonnetjes, zonder meer. De slag duurde
nauwelijks vier uur en liep natuurlijk slecht voor ons af. We hadden
er een 40 dooden en 80 gewonden (waaruit 21 in de handen des vijands
kwamen), terwijl de Engelschen er (volgens Engelsche boeken) een
vijftigtal dooden en twee-honderd gewonden telden.
De ontsteltenis onder degenen, die »achter de gordijnen” mochten kijken,
(dat wil zeggen: die de telegrammen in het hoofdlager mochten lezen) was
groot. Met gespannen aandacht volgden wij den loop van zaken.
De blijde tijding drong tot ons door: Generaal de la Rey is erheen
gesneld, om de Vrijstaters te steunen. Wij hadden geloof in die
schralen, kalmen, taaien man. Te _Graspan_ (_Rooilaagte_ of ook wel
_Enslin_ genoemd) kwam het tot een treffen op 25 November reeds, twee
dagen na Belmont. Er werd ditmaal veel beter en hardnekkiger door de
onzen gevochten, maar de overmacht was te geweldig. De la Rey kon
slechts een 700 Transvalers in der haast daarheen voeren, met 1 Krupp en
2 maxims. De Vrijstaters kregen het vooral zwaar dien dag en de dappere
Commandant Lubbe van Jacobsdal verloor er een oog. Van zonsopgang tot
twaalf uur hielden zij, echter, staande, met zware verliezen. Wederom
hadden de Britten ruim twee honderd dooden en gewonden, maar—de weg
naar Kimberley was geheel open!
Had Lord Methuen het slechts geweten! De toestand was hachelijk. Ons
westerfront was gebroken. 't Was een ernstige ure in de geschiedenis van
den oorlog. Dienzelfden noodlottigen 25sten dag van November werd ons
lager te Derdepoort onverwachts door gewapende Kaffers aangevallen!
Een donkere wolk scheen zich over onze arme Republiek te verspreiden.
Hoe zal het ons gaan, indien de Zulu's, de Swazies, de Basuto's, de
Lijdenburg en Zoutpansberg Kaffers het voorbeeld der Barolongs volgden?
Welk eene slachting zou dat afgeven: blanken tegen blanken, en zwarten
tegen blanken! O! het was een treurige, droevige, akelige dag, die
25ste November, toen de tijding van Derdepoort op die van Graspan
volgde—die dag was voor ons de donkerste in de eerste periode van den
oorlog.
Het ging ons gelijk vader Job, toen de fortuin hem den rug toekeerde:
een _derde_ treurmare kwam er van Kimberley. Pas was generaal de la
Rey weg, of de voorposten van het Bloemhof commando, ten westen van
Kimberley, werd door den dapperen Scott-Turner met succes bestormd. Zoo
wat dertig Transvalers werden gevangen genomen, maar het kanon werd, als
gewoonlijk gered. Drie dagen later, echter, hadden de Bloemhoffers weêr
hunne beurt, toen Scott-Turner met 21 man op dezelfde plaats gedood en
28 gewond werden (volgens Conan Doyle's »Great Boer War”).
De 25ste November kan een _crisis_ in de geschiedenis des oorlog genoemd
worden. Generaal Joubert was, na lang wachten, eindelijk er toe gekomen
(op 13 November) om een _reconnaissance en force_ naar het zuiden van
Natal persoonlijk te ondernemen. Hij had goed 2500 man onder zijne
banier, een keurbende Transvalers en ook een aantal Vrijstaters. Was hij
's daags na den Modderspruitslag gegaan, hij was gewis tot aan de zee
doorgedrongen! De weg lag zoo te zeggen open! Er was toen geen Britsche
macht, die 2500 Boeren, zoo als hij bij hem had, door eenige Creusot
snelvuurders en Pom-Poms gesteund, kon tegenhouden. De hulptroepen,
die het hem later te Mooi Rivier zoo lastig maakten, waren nog op
de wateren. Pietermaritzburg en Durban lagen in het holle zijner
hand,—maar, even als in het Westen, zoo ging het ons in het Zuiden: wij
waren te langzaam. Het schijnt echter boven allen twijfel verheven, dat
»_Generaal Joubert's tocht Buller en zijn hooge raadgevers tot een voor
de Engelschen zeer noodlottig besluit bracht_.” In plaats namelijk, van
zijn _oorspronkelijk plan_ uittevoeren en _door den Vrijstaat_ naar de
Transvaal door te dringen—zoo als Lord Roberts later zoo gemakkelijk
deed—ging hij bij de Tugela met Generaal Joubert's uitgezochte
commando's zijne krachten meten! Hij kon, volgens Conan Doyle en andere
Engelsche schrijvers, 60,000 man in de eerste week van December reeds
bij de Grootrivier gebracht hebben. Met onze duizenden bij Mafeking,
duizenden om Kimberley, en bij de achtduizend in Natal, om van al de
andere posten niet te gewagen, konden wij Buller niet op de opene
vlakten van den Vrijstaat gekeerd hebben. Hij kon, even als Lord
Roberts, al onze legers _omgereden_ zijn—door louter flank-bewegingen
uit zijn weg geruimd hebben. Tegen Februari kon hij bij de Vaal met een
nog grootere macht zijn geweest. En dan?—was Ladysmith van zelf ontzet
geworden, en Kimberley als overrijpe vrucht hem in den schoot gevallen.
Dan hadden de Engelschen geen Magersfontein en Stormberg, Colenso en
Spionkop te betreuren.
Generaal Joubert ging wel wat laat—te laat om Natal te veroveren—maar
hij drong toch door tot aan de Mooirivier (40 mijl van Natal's
hoofdstad) na te Chieveley een gepantserde trein met een kanon en
prisoniers te hebben opgepikt. Een groote 15,000 versche troepen waren
echter op 9 November reeds te Durban aangekomen en er bestond niet de
minste kans toen voor de Boeren om veel verder te gaan. Het Estcourt
garnizoen gedroeg zich ook zeer flink in een nachtelijken aanval op
Generaal Joubert's mannen ten zuiden van Estcourt, het zoogenaamde
»Willow Grange” gevecht. In een hevigen donderstorm kwamen de troepen
op de burgers aangestormd en, hoewel zij met vrij groot verlies werden
teruggeslagen, gaven zij toch den indruk aan den Generaal, dat het voor
hem veiliger zou zijn den terugtocht te blazen.
»Ik ben hier in een akelige en onaangename positie”, telegrafeerde de
grijze krijgsman naar Pretoria; »wij regenen hier verrot met alles
wat wij hebben. Terugkeeren is noodzakelijk.” En zoo deed hij ook:
teleurgesteld, ontmoedigd, uitgeput en—krank. Door het struikelen van
zijn paard had hij zich erg bezeerd, zoodat hij weken lang te Volksrust
in het Hospitaal moest blijven.
Opmerkelijk is het echter, dat de Natalsche bladen den tocht als een
»allerbrilliantste manoeuvre” beschouwden—dat Maritzburg en zelfs
Durban in den grootsten nood geraakten, en Buller alzoo zedelijk
verplicht was naar Natal met alle beschikbare machten te snellen.
Het Ministerie te Downingstraat had bij monde van den Natalschen
Gouverneur—zoo hoorden wij later—de gansche macht van 't Rijk verpand
om Natal, zoo noodig, tegen de Boeren te verdedigen. De beangste
inwoners van de Tuin Kolonie maakten aanspraak op de vervulling van
dat akkoord, en—Buller moest toegeven. Uit een zedelijk oogpunt deed
hij wat recht was; uit een militair oogpunt beging hij de grootste
»_blunder_” die den Engelschen in den ganschen oorlog kan ten laste
gelegd worden.
Zóó gaat het in den oorlog: beide kanten begaan grove fouten, omdat zij
niet ten volle op de hoogte van de zaken der tegenpartij zijn. Terwijl
de Engelschen in doodsangst verkeerden, was onze Commandant-Generaal in
grooten nood, dat hij in den bergpas te Weenen, waar hij door moest, zou
worden afgesneden!
Weinig wisten de burgers om Ladysmith in die bange dagen, wat de
telegraafklerken vreesden! Zij vreesden, dat de Generaal met zijn
geheele leger afgesneden was. Goddank! zij kwamen er veilig door, maar
de Generaal is nooit weer de man geworden, die hij te Modderspruit was.
Hij was krank naar 't lichaam, en krank naar den geest. De berichten
omtrent Belmont en Graspan, Derdepoort en 't Bloemhof lager waren te
veel voor zijn zwaarmoedig karakter. Hij gevoelde de hopeloosheid der
groote worsteling zoo als nimmer te voren. De twee Presidenten hadden
een lang en ernstig gesprek _per_ telegraafdraad met elkander—een
gesprek, dat strikt geheim was, maar later gerust mag bekend gemaakt
worden. Het werpt een helder licht op de groote, doch korte crisis van
die eerste periode des oorlogs. Is het noodig te zeggen, dat, dagen
reeds vóór den slag van Modderrivier verademing gaf, onze twee groote
Voormannen elkander en anderen hadden bemoedigd en versterkt, om den
strijd met kracht voorttezetten?
Een vriend vertelde mij later te Pretoria, met aandoening en geestdrift,
hoe dat President Kruger in die duistere dagen zijn oud geloof en zelfs
zijn opgeruimden geest niet voor een oogenblik verloor, en den Leden van
den Uitvoerenden Raad Psalm 103 liet voorlezen! Die vreugdepsalm was hem
in den nacht van God gezonden, zeide hij, tot troost en bemoediging voor
hem en anderen.
Vechten kon hij niet meer: Psalm 103 was zijn antwoord op de uitdaging
van Belmont en Graspan. 't Geweer kon hij niet meer hanteeren: hij zond
Bijbelteksten naar 't front!
Toen volgde (op 29 November) het bloedige gevecht bij den samenloop
der Riet- en Modderrivieren—»Twee Rivieren” zoo noemden de Boeren
destijds den slag—een gevecht, dat van den morgen tot den avond duurde.
Feitelijk was de slag een onbesliste. Geen der beide partijen wist, hoe
het met den tegenstander gesteld was. Beiden waren uitgeput, afgemat,
hongerig en dorstig. Wegens de duisternis werd het schieten gestaakt,
en den volgenden morgen waren de Boeren verdwenen. Lord Methuen was zoo
geducht gehavend, dat hij eerst na elf dagen het waagde, de Boeren te
Magersfontein aan te tasten. Hij had dus niets bij den slag gewonnen.
Voor de Republieken echter, was die dag een keerpunt ten goede. De
Boeren vochten hardnekkig, flink, boven verwachting goed, over 't
algemeen. Hun _morale_ verbeterde dus na elke nederlaag. Methuen
worstelde tegen een Hydra. Te Belmont bleven zij slechts drie uur lang
staan, te Graspan zes uur, te Modderrivier den ganschen dag. De hoop
herleefde. Met mannen als Generaal de la Rey en Generaal Cronjé aan hun
hoofd, zouden zij den volgenden keer wonderen van dapperheid verrichten.
Modderrivier was ons Alkmaar, »van waar de victorie begon!” De donkere
nacht was voorbij!