Dinsdag morgen begon de droevige tijding omtrent Elandslaagte in
ons kamp doortesijpelen. Ik zeg »doorsijpelen” met opzet, want we
kregen het nieuws bij kleine stukjes en brokjes. »Generaal Kock is
dood”—fluisterde een je in 't oor. »Hij en al zijn officieren zijn
gevallen.” »Neen”, merkte een ander op, »bijna al zijne menschen zijn
ontvlucht, en hij zelf is licht gewond.”
Wij waren zeer ter neêr geslagen bij het vernemen van deze nieuwe ramp.
»Sorrows never come singly”. Zoo was het ook met ons. Met hangende
hoofden aten wij ons morgenmaal te »Marshall's Farm”, toen wij eensklaps
uit ons droomerigen, lusteloozen, »bek-af” toestand gewekt werden.
_Boem! Boem! Boem!_ We hoorden het duidelijk. Daar ginder in de
Biggarsbergen is het, of anders er achter. Boem! Boem! Het gaat geweldig
aan. Er wordt weer gevochten. Het klinkt zoo nabij, dat meer dan een,
met ongeduld vervuld, opspringt en uitroept: »Om God's wille! laat ons
van hier wegkomen. We zijn ziek van Dundee. Elandslaagte maakt ons
woedend. Laat ons voorwaarts rukken. Onze broeders vechten al weer, en
wij.... doen weêr niets”!
Zoo voelen wij allen, al zeggen wij het ook niet overluid.
Goddank! daar komt Generaal Joubert in eigen persoon in ons kamp
aangereden. Hij is boos en opgewonden, en roept met zijn fijne schelle
stem uit:
»Wat maakt jullie hier? Waarvoor wacht jullie? Voorwaarts, kerels! Hier
is niets te doen. Er is geen tijd te verliezen. Voorwaarts!”
Spoedig is het geheele commando op weg naar Glencoe. O! hoe branden wij
van verlangen, om _daar_ te komen, waar het kanongebulder plaats vindt.
Het schijnt ons zoo dichtbij te zijn, maar het bleek later, dat het te
Rietfontein (dichtbij Ladysmith!) was, dat de Vrijstaters dien Dinsdag
morgen hun vuurdoop ondergingen. In Natal, wegens de vele bergen en de
heldere lucht, kan men het grof geschut verbazend ver hooren, wanneer de
wind gunstig is.
Eer wij Glencoe bereiken komen wij een locomotief en een paar
trucks tegen. Het zijn de Hollanders van de Zuid-Afrikaansche
Spoorwegmaatschappij (kortelijks _Zasm_ genoemd), die reeds _daar_
zijn, druk bezig de taklijn van Glencoe naar Dundee in orde te brengen.
»Bij Jupiter!”—hooren wij een bekende Afrikaander, die nooit een goed
woord voor de Zasm had, uitroepen, »die Hollanders zijn wakkere kerels.
Zij verstaan hun vak. _They mean business!_ That's sharp work, eh?”
Eere wien eere toekomt! De Nederlanders hebben de Republieken trouw en
_con amore_ gedurenden den oorlog, voor zoover mij bekend, bijgestaan.
Gewis hebben zij niet geschroomd, de Transvalers ten oorlog aantesporen.
Maar, zij voegden de daad bij het woord, in de meeste gevallen, en de
zware offers, die zij voor ons brachten, zijn meer dan voldoende om hun
bitterste tegenstanders onder ons volk te ontwapenen.
Voort gingen wij, de Commandant-Generaal in een klein »spider” vóór
aan, voor een paar uur, toen hij weer naar het naaste telegraafkantoor
terugkeerde. Wij gingen den schilderachtigen Biggarsberg Pas in bij
Glencoe-station, maar vandaag hebben wij geen oog voor natuurschoon. We
zijn enkel oor: hoor dat gedreun als van den donder! Geen ruwe bergkrans
imponeert, geen kabbelende stroom bekoort: onze broeders vechten, en
wij? wij zijn er niet bij om ze te helpen. Talana Kop, Elandslaagte,
en nu? God! geef onze mannen de zege vandaag! Eenige dames staan er bij
een huis dat wij voorbij snellen: heden heeft niemand een oog voor de
schoonen, noch lust om met haar een praatje aanteknoopen. Onze broeders
vechten ergens naar voren, we weten niet waar—ze roepen ons toe: »komt
over en helpt ons.” Onze aangezichten zijn streng en stroef: we hebben
geen lachje voor de kinderen op onzen weg. De onzekerheid is te akelig.
De twijfel te pijnlijk. Wat gebeurt er toch? Voorwaarts! Spoedt u, eer
het te laat is. Onze eer is er mede gemoeid. Er is geen tijd te
verliezen.
Iemand zegt: er is een soldaat daar naar voren geschoten. Hij werd door
onze verkenners tegen gekomen, de arme drommel.
»Wat is er aan, Dokter?”—vragen wij Dr. Hohls in het voorbijgaan.
»Ja!”—zegt hij, »de arme kerel ligt daar boven in eene hut doodelijk
gewond. Ik wilde hem verwijderen, maar hij smeekte mij hem daar te
laten. Hij wordt door eenige kaffers verzorgd.” Welk eene gedachte!
Zonder vriend of bloedverwant, zonder iemand, die zijne taal kent, ligt
er een blanke man langs dezen weg te zieltogen. Zou het waar zijn, wat
de dichter Gray zoo schoon zegt?—
_On some fond breast the parting soul relies,
Some pions drops the dosing eye requires._
Het gedicht vliegt ons door het geheugen en tegelijkertijd ook het
bekende verhaal van den Engelschen Generaal Wolfe, die Gray's »Elegy”
(waaruit bovengemelde regels genomen zijn) reciteerde, toen hij den
aanval op Quebec leidde, niet wetende dat hij zijn eigen graflied
zong. Maar in een oogwenk hebben wij den stervenden vreemdeling en
den dichterlijken Generaal vergeten. Wij zijn te bekommerd over de
onzen, die daar onder in de vlakte alleen »den wijnpersbak betreden”
Haast u! Mannen! Broeders! Haast u! Sneller, steeds sneller!
Hoort!—_Boem_—_boem_—_boem_—dreunt het voor ons!
Onze arme dieren kunnen het echter niet veel langer volhouden. De weg is
verspoeld, turfachtig, vol modder en vol steenen. Een voor een blijven
de zwaar beladen wagens staan. Mijn vier armzalige muilen overwinnen
wel alle hinderpalen, maar mijn Jehu's gebruiken de zweep meer dan de
leidsels: zij spelen viool op de arme langooren.... op krassende wijze.
Ho Ka! Halt! daar staat de wagen van Advokaat Esselen weêr. Wat is 't?
Ach! de moddergaten zijn te veel voor den zwaren ammunitiewagen. En de
regen stort geweldig op de arme muilen neder. Zij kunnen niet verder.
»Goeden dag, broers! Tot ziens!” Wij zien elkanders aangezichten niet
meer vóór Donderdagmorgen bij Elandslaagte. Zoo ging het op dien zwaren
tocht naar Ladysmith. De regen! Foei, dat was het ergste van al. Het
water viel ongenadig op ons af dien namiddag. Zonder tent of dak moesten
de burgers het stellen. Welk eene toets voor iemands constitutie naar
lichaam en ziel tegelijk! Die den onvergetelijken tocht naar Ladysmith
met de voorste commando's meêdeed, heeft geen kleinigheid achter den
rug. Hij kan met eenig recht zeggen: »ik was ook eens op commando!” Ba!
dat was een nacht in het lange, natte gras, langs den weg. Geen vuur
mocht aangestoken! Geen koffie gemaakt! Gelukkig hij, die voor zulke
gelegenheden een zoopje in zijn veldflesch heeft!
De volgende dag is een van de prominente dagen uit mijn Natalsche
herinneringen. Vroeg, heel vroeg natuurlijk, waren wij door de
Biggarsbergen gereden en hadden wij ons kamp in de prachtige
Zondagsrivier vallei opgeslagen. Het was een dag van zonneschijn
in den morgen, met een regenvloed tegen den avond—een type van onze
ondervindingen! We vormden een gezelschap van zeven, en meenden naar
Ladysmith te kunnen gaan. Het kwam aldus:
Zekere jonge Transvaler wist den Staatsprocureur te verzekeren, dat de
Engelschen Ladysmith verlaten hadden. Generaal Erasmus lachte, toen hij
dit hoorde, zeggende, dat de man het mis had. De Staatsprocureur hield
echter staande, dat zijn informant hem alleszins vertrouwbaar toescheen
en wilde in elk geval de reis ondernemen, om informatie in te winnen.
Hij was te Marshall's plaats bij ons commando gekomen, en brandde van
ongeduld en ergernis over den tragen en tragischen gang van zaken. Hij
wist heel goed, hoe noodzakelijk het voor de Republikeinen was, om spoed
te gebruiken.
»Wel,” zeide de Generaal, »ga dan maar, als je lust hebt, maar neem een
man van ondervinding met je meê. En—neem de stad over in mijn naam!!”
De Heer Tobias Smuts, vroeger Commandant van Ermelo, thans lid van den
Eersten Raad, verklaarde zich gereed te gaan. Kapitein Bosman en ik
stonden het gesprek aan te hooren, en vol geestdrift sloten ook wij
ons bij het gezelschap aan. Ds. van Broekhuizen van Pretoria, een
patriot-predikant zooals wij er meer in den oorlog aantroffen, kon
niet achterblijven. Met geweer en bandelier gewapend ging hij met ons
meê. Hij was vroeger een beroemde voetbalspeler te Stellenbosch—het
scheen mij, of de geest van het voetbalveld hem dien dag weêr bezielde.
Dan hadden wij ook nog Advocaat J. Roos, _Reuter's_ specialen
oorlogscorrespondent aan onzen kant, die door dik en dun met de
commando's ging, en de wakkere Kapitein Daniël Theron, vroeger reeds
door ons aan den lezer voorgesteld. Wij waren allen te paard en allen
gretig, om wat groots te verrichten.
Wat een aardig geval, indien wij de eersten zouden zijn, om Ladysmith
binnen te rijden! Voort dus in vollen galop! Wie weet, wat ons voor de
deur ligt? Mogelijk wordt deze rit nog geschiedkundig en onsterfelijk!
Onze Staatsprocureur heeft een helder hoofd; hij is een geoefend denker;
gewoon te wikken en te wegen—koud en scherp als staal, om waarheid van
onwaarheid te scheiden. 't Is best mogelijk, dat Ladysmith door Generaal
White ontruimd is. Leve de Republiek! Voorwaarts!
Onze _ex_-Commandant spreekt weinig, maar kijkt veel rond met zijn
verrekijker. Hij is verantwoordelijk voor onze veiligheid, en kan dus
niet te voorzichtig zijn. Er zijn reeds te veel van onze menschen
prisoniers gemaakt, en dat wel hier dichtbij, te Elandslaagte.
Ach! daar zijn de roodbruine heuveltjes links van Elandslaagte-station.
Daar staat de groote tentwagen van Generaal Kock nog, wit en blinkend in
de middagzon. 't Is een van de ouderwetsche, ruime Voortrekkers wagens,
en staat midden in het slagveld van Elandslaagte: plaats van bittere
nagedachtenis voor alle ware Republikeinen—een tweede Weenen voor 't
Afrikaanderdom. Tot _zulk_ eene vernedering is het met den Voortrekkers
wagen gekomen.
Een oogenblik zijn wij in twijfel, of wij het slagveld terstond bezoeken
zullen, of niet, maar onze tijd is kort en we hebben nog ver te rijden.
We zijn immers op weg naar Ladysmith en 't is reeds één uur.
Bij 't spoorwegstation gekomen, spreken wij met eenige Indische
mijnwerkers—er is een groote kolenmijn bij 't station—omtrent de
Engelschen, en tot onze verbazing zeggen zij: dat de soldaten daar
achter de bergen zijn. Met de hand wijzen zij naar de bergen zuidwest
van Elandslaagte en noordoost van Ladysmith. 't Is onmogelijk, denken
wij: de coolies bedriegen ons; maar de ex-Commandant wordt onrustig. Wij
rijden naar een heuveltje aan onze rechterhand, alwaar wij afzadelen
en den horizon met onze veldkijkers onderzoeken.—Neen! er is niets te
bespeuren, en toch kan 't best zijn, dat eene patrouille van den vijand
ons op dit oogenblik bespiedt en onverwachts mag bekruipen. Een
onaangenaam en onzeker gevoel begint in ons op te komen.
»Wacht!” zeide de Commandant, »blijf jullie hier, terwijl ik daar naar
die Kafferkraal rijd. Snijdt jullie intusschen den telegraafdraad
stuk hier boven ons hoofd. Wij kunnen niet te voorzichtig zijn.” De
Staatsprocureur vergezelt hen, en de achterblijvenden pakken den
draad aan. Geen kleinigheid, hoor! want de palen zijn zeer primitief,
bestaande uit dunne boomstammen, vol knoesten en kwasten en haakplekken
voor het achterste gedeelte van de broek, die er op- en afglijdt. Twee
van ons die zich aan de onderneming waagden, zijn er ook letterlijk
»broekscheur” (zooals de Boer het noemt) van afgekomen. Het moeilijkste
is, om aan de ééne hand te blijven hangen, terwijl de andere de dikke
draden tracht door te knippen met een soort schaar, die daarvoor
gebruikt wordt. Daar de kraal een goed half uur rijdens van ons
verwijderd is, hebben wij tijd om intusschen een beetje rond te
wandelen, terwijl onze paarden op het schrale gras weiden.
Wij wenden onze schreden naar het station en het duurt niet lang, of
wij vinden er verscheidene tastbare herinneringen aan het ongelukkige
commando, dat ons zoo ver vooruit was gesneld, om weer gebroken en
bebloed terug geslingerd te worden. Ziedaar eenige geweren op den grond,
voor de deur van een klein hotel. Het zijn Mausers! Gebroken Mausers!
Een duidelijk teeken, dat de onzen er de nederlaag hadden. In een
vertrek zien wij bloedvlekken, nagelaten brokjes brood en beschuit en de
asch van vroegere vuurtjes. Er waren gewonden in deze kamer, mogelijk
ook prisoniers—ook Engelsche gewonden, te oordeelen naar de bebloede
_khaki_-kleedingstukken, die hier rond liggen. Wij loeren door het
venster van een andere kamer en worden door een sterke brandewijn-geur
getroffen. Ha! daar hebt je een Coolie op zijn rug liggend,
dood-dronken, of dood—een walgelijk schouwspel! Laat ons verder gaan.
Wat hebben wij hier? Een massa bottels, overal rond gestrooid, allen
ontkurkt en ledig! Wellicht heeft gindsche aanbidder van Buddha de
laatste gevulde bottel brandewijn, die hier te vinden was, geledigd;
maar wie heeft dit gansch groot geestrijke heir verslonden? Het zijn nog
al fijne exemplaren, hoor!—meestal van de aristocratische lang-nekken,
die waarin de keurige wijnen van Champagne en den Rijn gedaan worden.
Bij Jupiter! die onbekende drinkers hadden een goeden smaak: zij lieten
slechts het Natalsche bier onaangetast. Er zijn er niet minder dan
twintig groote leggers van dat plebejisch vocht op de trucks, allen
onaangeroerd. 't Is heel duidelijk, dat er een trein vol kost en drank,
voor de troepen te Dundee bestemd, door Generaal Kock's mannen hier
opgehouden werd, en dat onze vrienden zich, als goede officiers, bij de
duurste en uitgezochtste dranken bepaalden. Van harte hopen wij slechts,
dat geen een van onze arme makkers laatsten Zaterdag hier _eerloos_
in plaats van op het slagveld _eervol hors de combat_ geraakte. Zoo'n
gebottelde schare van geesten (»spirits”) is nog al gevaarlijk voor een
dorstige menschheid, vooral na een langen en vermoeienden en kouden
marsch. _Humanum est errare!_—Zoo dachten onze Generaals ook, want
nog dienzelfden namiddag werden eenige mannen vooruit gezonden, om de
gevaarlijke vaten onschadelijk te maken, door het bier op den grond te
verspillen. Voor het eerst, en waarschijnlijk voor het laatst in mijn
leven, heb ik toen een rivier van louter bier zien vloeien.
Een tijd lang vermaakten wij ons ook met het lezen der jongste Engelsche
telegrammen, die wij in het kantoor aantroffen, maar mijn hart was op
die treurige bruine heuveltjes, waar de Johannesburgers en Hollanders
en Duitschers den laatsten Zaterdag het onderspit moesten delven.
De romantische hoop om Ladysmith dien avond te bereiken, scheen mij
verijdeld, maar de Kapitein en eenige anderen van ons gezelschap wilden
met geweld verder gaan. Toen onze ex-Commandant van de Kafferkraal
terugkeerde met een ongunstig rapport, kon ik de verzoeking, hierboven
genoemd, niet langer weerstaan; vooral daar Kapitein Bleksley van
Johannesburg, mij te kennen gaf, dat hij mij gaarne in die richting
vergezellen wilde. De kapitein was reeds ten vorigen dage bij
Elandslaagte, op instructies van Generaal Joubert, aangekomen, vertelde
hij mij, om te zien, of er niet nog van onze gewonden in de omgeving te
vinden waren. Hij verhaalde mij, dat hij er werkelijk eenige gewonden
en ook dooden in nabijgelegen kafferhutten had ontdekt, waar de arme
drommels dien noodlottigen Zaterdag nacht of daarna een schuilplaats
hadden gezocht. Terwijl de meerderheid van ons partijtje dus den
weg naar Ladysmith verder volgden en de minderheid naar ons lager
terugkeerden, vervoegde ik mij bij Kapitein Bleksley voor den namiddag
en den nacht.
Onze bevindingen zullen in een volgend hoofdstuk verschijnen.
Eenige dagen later eerst ontmoette ik mijn vriend Kapitein Bosman. Wij
waren weêr op weg naar Ladysmith, maar ditmaal met de eerste batterij
en vele duizenden burgers. We gingen toen de Engelschen in de stad
vastkeeren en belegeren. Ik vroeg mijn trouwen vriend:
»Wel, hoe is het met jullie dien middag afgeloopen?”
Hij antwoordde:
»Man! wij gingen voor ongeveer een half uur verder op den grooten weg,
zonder een sterveling tegen te komen, toen eenige paardenruiters ons
tegemoet reden. Ze kwamen van de heuvelen op onze rechterhand. Ze waren
Boeren tot onze blijde verbazing! Spoedig bleek het, dat het eene
patrouille Vrijstaters waren, die zich zeer verheugden bij het vernemen,
dat de Transvalers zoo dichtbij waren. Ze hadden den mond vol van
een geduchten aanval, dien zij den dag te voren met succes hadden
afgeslagen, maar verlangden zeer naar onze komst. Over het doel van onze
romantische expeditie, maakten zij zich erg vroolijk: de Engelschen
waren wel degelijk in Ladysmith, zeiden zij, en dat wel te veel en te
sterk naar hun smaak. Daarom spoorden zij de Transvalers nog eens aan,
om toch met allen spoed voorwaarts te rukken.”
»En waar sliept je dien akeligen stormachtigen nacht?” vervolgde ik.
»Kerel! we hadden het bitter zwaar, glô mij. Wij reden den geheelen
langen weg weêr terug naar ons kamp! Maar dat was niet het ergste. Te
Elandslaagte ving de duisternis ons reeds. En jij weet, hoe het regende!
Wel, jij kent de diepe »spruit” dicht bij het station. Daar ik bijziend
ben en het stikdonker was, tuimelde ik over 't hoofd van mijn paard
heen. Ik bleef dus wat achter, en riep te vergeefs naar mijne makkers.
Zij waren in de duisternis verdwenen. Ik hoorde niets. In zalige
eenzaamheid moest ik dus eenige uren lang naar ons kamp terugrijden.
't Was bij negen uur toen ik daar aankwam. Goeie deugd! ik was stellig
negen uur in den zadel dien ellendigen dag. Of ik niet afgemat, papnat
en hongerig was! 't Was maar een treurige bezigheid, hoor!”
Ik troostte hem met de gedachte, dat de »Ridders van de Ronde Tafel”
van Koning Arthur wel eens zich in 't zoeken naar den »Heiligen Graal”
uitgeput hebben, en toch niet minder helden om die reden heeten. Ook
hadden zij heel nuttige informatie omtrent onze Vrijstaatsche vrienden
meêgebracht, en dat was veel meer dan Don Quixote ooit deed!