Een Nachtelijk Avontuur

Meer dan eens is mij de vraag gesteld: »Hoe ging het in de eerste weken

van den oorlog op het punt van voedsel voor de commando's”? Wel, het

ging in het begin uiterst beroerd. Dagen lang was er geen brood. Die

geen beschuit, door vrouw, of vriendin, of zuster voor hem gebakken, bij

zich had, moest meermalen honger lijden. Want zelfs met het slachten

van vee ging het toen zeer ongeregeld. De meeste burgers hadden echter,

wat kost van huis meegebracht, en anderen hadden geld in den zak, om

er koopjes op weg mee te doen. Te Newcastle, bijvoorbeeld, konden de

hotelhouders niet genoeg spijze voor de hongerige mannen verschaffen,

hoewel zij er goed voor betaald werden. Opmerkelijk is het, dat noch

spijs noch drank aldaar door eenig een maar zoo genomen, of, zooals men

het euphemistisch noemt, »gecommandeerd” werd. Langs den grooten weg,

echter, ging het meer ongeregeld toe, vooral waar men verlaten huizen

en winkels aantrof. Een oplettende burger kon gedurig kleine klompjes

burgers (heel toevallig!) zien verdwalen in de richting van een of

ander hoen, of eend, of gans: geen gewoon Afrikaander kon met Paddy

in een varkenjacht wedijveren. Hetzij deze de lieve diertjes gewoon

weg storm liep, of met eenige kameraden in de flanken aanviel, zijne

manoevers werden steeds op meesterlijke wijze en met schitterend succes

uitgevoerd. En 's avonds, als wij ergens op een groot buiten ons bivak

hadden, kon men op het geschreeuw van zieltogende zwijnen rekenen als

een veilige aanwijzing naar de kwartieren der dartele zonen van Erin.

Men moest zichzelven, echter, in die dagen op alle mogelijke manieren

behelpen. Het brood werd op reuzenschaal te Pretoria gebakken en versch

uit de ovens naar 't front gezonden. Maar waar was het front? Wij bleven

soms een, soms twee, soms drie dagen op eene plek. Zelfs de Generaal,

kon niet altoos met zekerheid zeggen, waar zijne commando's over twee of

drie dagen zouden kampeeren! Wat nu gedaan? Men zond eenvoudig het brood

bij trucks vol per spoor naar Natal, alwaar het bij de stations dikwijls

lag te verschimmelen, terwijl de arme burgers ernaar versmachtten. De

Nederlandsche Spoorwegmaatschappij werkte hart en ziel en krachtig met

de Regeering en den Commandant-Generaal zamen, maar de fout lag hierin:

dat men het brood _te Pretoria_ liet bakken en dan nog al _versch_ over

al die lange mijlen spoors verzond. Later werd deze gewichtige zaak

veel beter geregeld. Er werd niet slechts te Glencoe Station een groote

veld-bakkerij op touw gezet, maar al het brood in de hoofdstad gebakken,

werd eerst opgesneden, met wat vet bestreken en dan nog eens in de ovens

goed droog en hard gebakken, eer het naar de commando's ging. Als een

soort smakeloos, maar toch zeer voedzaam beschuit werden de harde sneden

in de koffie door de burgers geweekt en met pleizier gegeten. Zulk brood

kon natuurlijk niet verschimmelen, al bleef het ook hoe lang op weg naar

het onbekende en beweegbare front.

Wat het vleesch aangaat, werd er later mede gemorst, kan men zeggen,

toen de commando's vaste lagers rondom Ladysmith en de Tugela en

de Modderrivier getrokken hadden. Er was altoos een overvloed van

ossenvleesch, en soms werd er ook wel een kudde schapen voor de

commando's gekocht. Zekere personen in elk lager werden afgezonderd, om

het vleesch te verdeelen, en elk korporaalschap (ongeveer 25 man) kreeg

zijn bescheiden deel. Desgelijks werd de koffie en suiker, de thee en

de tabak, de zeep en de blikjes jam en visch—en natuurlijk ook het

brood-beschuit—uitgedeeld. Drank werd niet verschaft, maar die in een

flesch whisky of brandewijn behagen vond, wist die wel uit Pretoria of

Johannesburg of elders per spoor aan zijn adres te doen zenden.

Wat mijn eigen persoon betreft, mijn vriend, de kapitein, hield er een

soort adjudant op na, die tegelijkertijd ook naar den kookpot moest

kijken. Gewoonlijk had hij een kuiken, soms ook wel een taaien haan op

't vuur, eenmaal per dag. Wij vroegen niet vanwaar die dingen kwamen,

maar bleven goed op de hoogte omtrent den weg waarheen zij gingen. Aan

een gezonde spijsvertering was er bij ons in de open lucht geen gebrek,

en ons appetijt was kolossaal. Soms kwamen wij in een stortregen 's

avonds bij ons bivouac voor den nacht aan, en in een ommezien was er

eene kamer voor den kapitein en zijn gast gecommandeerd en een kip op

't vuur. Dit hadden wij alles aan den adjudant te danken, die weinig

moeite had om voor den kapitein een bed te krijgen, daar deze tot het

commissariaat-departement der Staatsartillerie behoorde en alzoo ruime

rechten en machten kon uitoefenen. 't Was dus goede politiek, om hem van

dienst te zijn. Op zijne beurt, weêr, vereenzelvigde mijn goede, oude,

Stellenbossche schoolkameraad altoos mijne belangen met de zijnen,

zoodat ik steeds met hem zijn hoen, zijn koffie en brood en zijn bed

deelde. Soms spoorde de kapitein de trage gangen van een en ander

surnumerair-artillerist, van wien hij iets wilde gedaan krijgen, met

het volgende heel ernstig uitgesproken grapje aan:—

»Toe, kerel! Gedraag je nou fluks—dan kom je ook in 't boek van meneer

Hofmeyr!”

Goede, ondeugende, handige jongens! Gij hebt ons onschatbare diensten

op commando bewezen. Zonder u waren wij gewis verhongerd, of op de

invalidenlijst gekomen. Wij vergeten u nooit, vooral niet wegens die

hoenderboutjes; maar uwe namen zijn ons ontgaan. Het ga u wel, waar gij

ook zijt.

Maar wat heeft dit alles met het opschrift van dit hoofdstuk te

doen?—Zeer veel, lezer, zeer veel. Zie! toen het mij duidelijk werd

dien Maandagmiddag, dat Dundee in onze handen was gevallen, verlangde ik

zeer naar een lekker diner. Droog beschuit en koffie voor 't ontbijt,

_dito dito_ om twaalf uur—als er kans daartoe bestond—met _dito dito

plus_ een stukje vleesch tegen zonsondergang—wel, dat zegt veel voor

iemand, die de eerste weken met het Natalsche commando was, maar!...

_Enfin_, een _table d'hôte_ lachte mij uit de verte toe, terwijl ik het

schoone Dundee van den Impatiberg bewonderde.

En zoo werd mijn nachtelijk avontuurtje voorbereid.

De Magistraat van Dundee had Generaal Erasmus om eene wacht bij zijn

huis voor den nacht verzocht. Terwijl ik nu bij Marshall's plaats rond

wandelde, in twijfel of ik naar Dundee zoude stappen of niet, ratelde er

een trolley (een open rolwagentje) mij snel voorbij. Ik keek op en zag

mijn vriend Mike Maritz erop, met nog een negental andere burgers. Zij

vormden de wacht, door den Generaal naar den Magistraat gezonden.

»Gaat ge meê,” bulderde de gezellige Mike.

»Ja wel” en ik rende den wagen achterna en sprong er achter op. Daar

ik als 't ware mijn eigen baas was en bij geen veldkornet of officier

ingedeeld was, kon ik mij aan dergelijke avontuurtjes ongestraft wagen.

Later echter, en dat wel te Magersfontein, werd ik onverwachts heel

zwaar gestraft voor een mijner onschuldige ondekkingsreisjes. Maar dit

is een ander verhaal.

Een klein half uur rijdens bracht ons bij het veldhospitaal, rechts van

den weg gelegen, tegenover het verlaten kamp, dat links van den weg

was. Daar sprong ik af en liep eenige soldaten te gemoet. Zij pasten de

gewonden op en sommigen waren zelf gewond en kreupel.

»Een groot gevecht, hè?”

»Ja,” zei Tommy, »a bloody fight—nothing like this since the Crimea.”

»Hm. Was er mist op den berg?” naar Impati wijzend.

»O ja, den heelen dag, maar niet lager af dan die plek daar”—zei een

hunner in 't Engelsch, met den vinger zoowat halverwege den berg

opwijzend.

»Is u zeker hieromtrent?”

»Ja, zeker!”

Dit punt was dus mijns inziens als feit geconstateerd: er was een dikke

mist op den bergtop laatsten Vrijdag. Generaal Erasmus werd daardoor

natuurlijk zeer belemmerd.

De gewonden telde ik niet: het was mij geen verkwikkelijk werk. Volgens

Dr. Hohls hadden de Engelschen 184 gewonden te Dundee dien Maandag.

Het kamp liet ik vooreerst daar, omdat het laat begon te worden en ik

het dorp wilde doorwandelen en dan een hotel wilde vinden. De doodsche

stilte, de algeheele verlatenheid van het dorpje trof mij zeer. Slechts

voor ééne deur waren er twee dames met een heer te zien. De inwoners,

die nog achtergebleven waren, hielden zich binnenshuis »vanwege de

vreeze der wreede, ruwe, vuile Boeren!” Zoo waren zij immers door

hun geliefkoosde Engelsche couranten geleerd. O! de domheid van den

ordinairen Jingo-Engelschman is iets, om Engelen te doen weenen of—wilt

gij het liever?—te doen lachen.

Alleen wandelde ik de hoofdstraat van Dundee op, zuchtende terwijl ik

mijn oog op Talana Kop liet vallen. Zóó dicht bij den Impati! Foei! wat

'n wanbestuur!

Mijne aandacht wordt door een aantal mannen bij gindschen winkeldeur

afgetrokken. Laat 's zien, wat daar te doen valt. O! ze zijn aan 't

buiten—zooals men zulke streken noemt. Een van de groote voorruiten

(show window) is kortweg ingeslagen en onze vrienden zijn bezig de

anderen, die reeds binnen zijn, te volgen. Het zijn burgers die, zonder

verlof, ja, tegen het verbod van hun Generaal en Commandant, bij het

vallen van den avond het dorpje zijn ingeslopen. Of zij nu den winkel

reeds ingebroken vonden al dan niet, is mij onbekend. In elk geval,

zij namen er slechts het allernoodigste uit: zooals laarzen, broeken,

jassen, wollen hemden, enz. En—ik gun ze dat alles van heeler harte,

al spijt het mij om den handelaar, die mij totaal onbekend is.

Ietwat later stap ik weêr denzelfden weg terug, naar zeker hotel, dat ik

in 't oog had. Er brandden eenige lichten in de eetzaal, maar de deuren

waren dicht. Ik klopte aan. Een oude praatzieke Jood kwam naar de deur.

»Kan u mij wat kost en een slaapplek verschaffen?” Met de grootste

beleefdheid noodigde hij mij, hem te volgen. Hij bracht mij in een ruime

eetzaal, alwaar er een half dozijn kinderen van Israël aanzaten. Zij

groetten mij allen vriendelijk en mijn gastheer riep uit:

»Kijk hier, die man is mijn gast van avond. Vraag hem en vertel hem ook

niets van den oorlog. Ik wil geen ruzie hebben. Laat ons samen eten en

drinken.”

Tot mijn innige spijt was er geen warm eten! Zalm, kaas, »blikjesvleesch”

(ingevoerd vleesch in blikjes, aldus op commando genoemd), thee, whisky

_en galore_, maar geen gebraden vleesch, geen aardappelen, geen rijst

(den Afrikaner der steden zoo onmisbaar), geen puddings. Hé, wat is dat?

Bakkersbrood, heerlijk, versch! Dat heb ik langen tijd niet gezien,

hoor. Smakelijk werd er dus gegeten, alhoewel het mengelmoes voor

mij ten toon gespreid op geen fatsoenlijk _table d'hôte_ geleek. Al

etende vond ik uit, dat die lieden allen Johannesburgsche Refugee's

waren—wachtende op de zegetocht naar Pretoria, door Engelsche bladen

zoo luidkeels uitgebazuind. Zij hadden gehoopt van Dundee naar de

goudstad terug te mogen gaan. In plaats ervan werden zij per spoor naar

Delagoa Baai gezonden, om vandaar hun weg naar de groote wereld te

vinden. Arme drommels! Zij hebben mij gastvrij en vriendelijk onthaald

en ik wensch ze een veilige terugkeer naar Johannesburg—over een jaar!

Na den eten riep ik den waard op zijde: »Geef mij toch alsjeblief een

bad, man. Ik verga van vuil.”—»Een bad heb ik niet, het spijt mij

zeer”.—»Wel! eene kamer dan met waschwater en een bed”.—»O Ja, dat

wel. Volg mij maar.”

Ik volgde mijn onbekenden geleider door een langen gang naar een ruime

kamer. Daar gekomen, wenkte hij mij geheimzinnig toe. Ik naderde hem.

Hij fluistert mij in 't oor:

»You are in a trap! Ze English will come again to night. I warn you”.

Ik hield mijn hoofd hoog en sprak op dood gerusten toon (al wist ik er

niets van af!)

»Nonsense. They're fled, man.” Hij haalde zijn schouder op en de schaduw

van een spotlachje speelde op zijne breede lippen, terwijl hij opmerkte:

»Hm! Alsof de Engelschen zóó op de vlucht zullen gaan! Man, ik waarschuw

jou, verlaat het dorp. Zij komen van nacht terug” (in 't Engelsch

natuurlijk).

Ik begon erg te twijfelen, omtrent den stand van zaken, maar hield

staande, dat er geene sprake van hun terugkeer was en dat ik een lekker

»perpendiculier bad” en een heerlijke nachtrust ging genieten.

Hij zag mij verbaasd en medelijdend aan, en verliet de kamer. Plotseling

kwam hij weer terug en fluisterde mij met nog meer geheimzinnigheid in

ernst toe:

»Kijk. Neem dezen sleutel. Als de Engelschen bij de voordeur komen, kan

je hiermede door de buitendeur van den gang ontsnappen.”

Ik lachte spottend, maar nam den sleutel uit zijne hand.

»Zoo,” zeide hij, »dat's goed. Ik mag je niets vertellen. Ik moet mijn

mond dichthouden. Maar ik weet.... ik weet.... pas op! de Engelschen

komen van nacht terug. Ik weet het.” De laatste woorden werden mij heel

zacht in 't oor gestooten.

Toen bemerkte ik eerst, dat mijn waard heel diep in het glas gekeken

had. De opgewondenheid der laatste paar dagen hadden hem gewis een

hevigen dorst gegeven. En er stonden niet minder dan twee tamelijk

gevulde bottels Scotch op de tafel—herinnerde ik mij.

Ik besloot hem toen op de proef te stellen. Hem sterk in de oogen

ziende, donderde ik los:

»De _Boeren_ komen van nacht het dorp in—niet de Engelschen.”

»Vader Abraham! Zullen ze mij dooden?”—riep hij angstig uit.

Ha! hij was dus alles behalve zoo zeker van zijne zaak, als hij mij

wilde diets maken.

»Och neen, vriend! Ze zullen je geen kwaad doen. Wees maar vriendelijk

en geef ze wat te drinken,”—zei ik.

»Goed,” antwoordde hij, »ik blijf den heelen nacht op. Ik zal ze goed

ontvangen.”

»Wel, goeden nacht dan, old chap.”—Ik schudde hem al lachend de hand.

Hij stond mij besluiteloos aan te kijken. Krabde zijn hoofd eenige

seconden, in diep gepeins verzonken en toen stotterde hij:

»Ah! I have it. I shall keep coffee ready for ze Boers.... and beeftea

for ze English!”

X

Zes maanden bij de commando's · 第 21 / 79 题