Newcastle-Herinneringen

Het eerste Natalsche dorpje, waar onze vierkleur geheschen werd, is

Newcastle. De Ermelo-vlag werd daartoe gebruikt. Later vernam ik, dat

Warrenton, op de Vaalrivier, de eerste plaats in de Kaapkolonie was,

die op gelijke wijze geëerd werd. »Geëerd” zeg ik, zonder mijn loyale

Koloniale vrienden te willen beledigen. Voor mij is het jaren lang reeds

eene eer geweest, om onder een republikeinsche vlag te leven. Mij dunkt

't is geen schande, om in deze naar de Grieken van Pericles te aarden.

De oude Romeinen hadden immers ook hunne republiek lief, om van de

hedendaagsche Amerikanen, Switzers en Franschen te zwijgen. Wat zeg ik?

Is niet Engeland zelf met reuzenschreden vooruitgegaan onder den grooten

Protector, Oliver Cromwell? En zingt Tennyson niet van Groot Brittannië

als een »gekroonde republiek”? Worden Canada en Australie en Nieuw

Zeeland niet als »_vrije_ zusternaties van Engeland” bestempeld? Nog

ééne stap in de richting van vrijheid en ze zijn Republieken! Daartoe

zal en moet het immers met alle groote zelfregeerende Koloniën op den

duur komen, indien zij in mannelijkheid, zelfstandigheid, rijkdom en een

eigendommelijk nationaal gevoel toenemen.

't Was op een Maandagmorgen, dat wij Newcastle binnen reden. Den vorigen

dag werd als een Sabbat, een dag voor rust en godsdienst op de hoogten

van de Ingogo doorgebracht. Daar sprak de Eerw. heer Müller, een vriend

van den Kolonel, de schare burgers en artilleristen toe in den morgen,

terwijl ik in den avond het voorrecht had het Ermelo-commando, op

uitnoodiging van Commandant Grobler, toe te spreken. Het behoeft

nauwelijks gezegd, dat mijne toespraak historisch was. Wij waren op het

slagveld van Ingogo, waar Generaal Nicolaas Smit in 1881 zoo veel roem

verwierf. Het fraaie monument van graniet, met zijn lange, droeve lijst

van dappere dooden was niet verre van ons kamp te zien. De grond waarop

wij stonden, was heilig. Er was veel bloed daar gestort. Ach, waarom

komt er niets groots tot stand zonder bloedstorting?—Doch genoeg:

Newcastle is in 't zicht.

Een huis aan brand! dat was het eerste voorwerp, dat mij in het dorp

trof. Het was een ijzeren gebouw, een Coolie-winkel. Of het per ongeluk

of met opzet der vlammen ten prooi gegeven werd, wist niemand mij te

vertellen. Dit kan ik echter verklaren, en dat wel met trots: Dat ik

nooit weer een brandend huis gezien heb, zoo lang ik op commando was.

Ruim zes maanden heb ik met de Boeren in Natal, bij Magersfontein,

rondom Kimberley, bij Warrenton en in den Vrijstaat doorgebracht. Nimmer

heb ik zelfs gehoord, dat er een huis door hen aan brand gestoken

werd—behalve natuurlijk door een bom in een belegerde stad vallend. Ik

spreek van de eerste negen maanden van den strijd. Hoe anders echter,

hebben de Engelschen met ons gehandeld! Drie maanden later ontmoette ik

Commandant Lubbe van Jacobsdal—die zich ook wel _Multatuli_ mag noemen!

Met toorn en verontwaardiging verhaalde hij mij, hoe zijn woonhuis

en molen door dynamiet verwoest waren. De dappere man had een oog te

Graspan verloren, later ging zijn vee en goed en huis er aan. Britsche

soldaten hebben zijne woning in de lucht doen vliegen. De Britsche

naam heeft ontzaggelijk veel door al dat huizenverbranden geleden.

Strategische redenen en militaire proclamaties kunnen de eeuwige

schande niet dekken, noch minder uitwisschen. Onze menschen hebben

gebuit maar niet—verbrand—althans niet in 't eerste jaar. Wij hebben

meubelen vernield te Dundee en elders, gansch onnoodig en tot onze

oneer, maar de beschaafde Brit heeft honderden private woningen, ja

zelfs dorpen van het aangezicht des aardbodems verdelgd. Welk een

zedelijke val voor 't aangezicht van de zon en de maan en—de eenvoudige

hulpelooze Boerenvrouwen en kinderen! Voorwaar, zulke tooneelen worden

niet licht vergeten. Zij branden zich een weg tot het geheugen en het

geweten van geslacht na geslacht!

* * * * *

Bij de Magistraatskantoren vond ik een menigte burgers en—een

allesbehalve verkwikkelijke taak. Generaal Erasmus had mij, namelijk,

nauwelijks gezien, of hij vroeg mij een inventaris van al wat er in

de publieke kantoren was, te maken. Hij ontsloot de voordeur toen en

overhandigde mij al de sleutels, met de opdracht ze later aan Generaal

Joubert te bezorgen. Gaarne had ik eerst mijne schreden naar een hotel

gewend, want wij waren dien morgen om vier uur reeds te Ingogo begonnen,

en ik had noch koffie, noch voedsel van eenigen aard dien dag genoten.

Gehoorzaamheid ging echter voor de gezondheid zelfs, zoo moest ik mijn

ontbijt voor nog een uur langer uitstellen.

Vergezeld van een veldkornet ging ik van kamer tot kamer, alle kasten

openend en het geld, de zegels, wissels enz. tellend. Het een en ander,

zoowel als de voornaamste meubelen en boeken, werden zorgvuldig door

mij opgeschreven. De grijze Magistraat van Newcastle, die er bleek en

aangedaan uitzag, werd ook toegelaten met een zijner klerken, om ons te

assisteeren. Laatstgenoemde schreef op eene lijst in 't Engelsch wat ik

in 't Hollandsch plaatste. De lijsten werden toen door den magistraat en

mijzelven onderteekend en het Engelsche document werd aan den klerk

overhandigd.

Op plechtigen toon sprak de grijze zwijger toen voor 't eerst:

»Mag ik deze pen behouden?”

»Met het grootste genoegen”—was mijn antwoord.

»Deze pen is historisch”!—vervolgde het orakel van Newcastle, terwijl

hij haar voorzichtig opnam.

Ik keek hem aan en, zoodra hij zijn ernstige blikken van mij aftrok,

knipoogde ik in de richting van den jovialen en geämuseerden klerk.

Wederom opende de Sfinx den mond, zeggend, terwijl hij op 't papier

keek:

»Hofmeyr! Is dat uw naam? Zijt gij verwant aan den Leider van den

Afrikaander Bond?”

»Ja. Ik heb de eer zijn neef te zijn.”

»Ah! I see.... ahem!.... very remarkable”—zeer merkwaardig, bromde de

oude Fossiel half tot zichzelven, en opziende, zag ik de schaduw van een

spotlach op zijn koude gelaatstrekken.

De lieve, bevooroordeelde, oude ziel meende eene ontdekking te hebben

gedaan. Hij had een rebel voor hem, niets minder dan een rebel, en dat

wel een neef van den grooten Samenzweerder (à la Sir Alfred en Sir

Gordon). Jan Hendrik Hofmeyr—en naar huis gaande verkondigde hij gewis

aan zijne vrouw, dat het alles klink-klare waarheid was omtrent »het

groote Pan-Afrikaansche Komplot tegen al wat Engelsch was,” want zie!

hij zelf had een neef van Jan Hofmeyr, den grooten Bondsman van de

Kaapstad, in levende lijve bij de commando's gezien!!

Het was alles heel vermakelijk, lezer, daar in 't kantoor te Newcastle;

maar ik had niemand om mede te lachen—en ik had honger!

* * * * *

Wat later had ik mijn eerste aanraking met een valsch alarm. Ik was

juist bezig de laatste _chop_ (een taaie, hoor!) in 't hotel met

enthousiasme te bestormen, toen er een officier van het Iersche Corps

uit adem de eetzaal binnen liep.

»Hullo! mates,” gilde hij uit, »come along. The English are coming!”

Een koude rilling ging mij door 't lijf, maar ik hield mij stil en kalm.

Ze zijn al te Dannhauserstation—hoorde ik hem verder aan eenige Ieren

in 't vertrek uitleggen, en ik begon weer wat adem te scheppen.

»All the Boers are preparing to go out to meet them”—brulde hij weer,

toen zijn makkers hem half slapend toekeken—»Come along!”

Spoedig was het groote vertrek leeg, maar mijn inwendige mensch was ook

nog leeg. Zoo besloot ik vooreerst maar nog wat te eten. Dat eenvoudig

besluit redde mij van veel moeite en vrees. Al etende, kreeg ik mijn

verwarde gedachten weer onder contrôle. Dannhauserstation is heel ver

van hier! Ik hoor ook nog geen kanongebulder. Het gevaar is nog veraf.

Zulke gedachten kwamen mij al etende te binnen, en ik besloot op meer

licht te wachten. Mijn eerste plicht was immers zeer duidelijk: ik

moest eten en drinken. De tweede en volgende plichten zouden wel later

duidelijk worden. De lezer zal wel ter dezer plaatse opmerken, dat ik

niet te vergeefs mijn Carlyle gelezen had! Good old Carlyle!

Toen mijn ontbijt afgeloopen was, was het alarm ook in wind opgegaan.

Of de Iersche officier zijn manschappen wilde wegkrijgen, omdat zij

mogelijk wat droog van lever waren, kan ik met zekerheid niet zeggen.

Mogelijk was er werkelijk een valsch gerucht, dat een tijdelijke

consternatie door het dorpje verspreidde.

Tegen den namiddag reed ik naar ons nieuw kamp, zoo wat een uur rijdens

ten zuiden van Newcastle. Op weg zag ik een menigte lagertjes, rechts en

links gelegen. Al de commando's die er te Zandspruit waren, hadden zich

weer vereenigd, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten. De Engelschen

hadden blijkbaar Noordelijk-Natal prijs gegeven.

Wederom vond er een groote krijgsraad plaats, de laatste die de oude

Generaal Kock met Generaal Joubert zou bijwonen, want 's daags daarna

scheidden onze wegen weêr: de hoofdmacht trok over Dannhauser naar

Dundee; Generaal Kock zwenkte rechts en moest Wessels Nek in de

Biggarsbergen voor ons in bezit nemen en open houden, en tegelijkertijd

trachten de spoorwegcommunicatie tusschen Glencoe en Ladysmith te

breken. Zijn werk was hoogst gewichtig. Hij heeft het letterlijk willen

uitvoeren—helaas! tegen een duren prijs. Hiervan, echter, later.

Bitter-zoet zijn mij de verdere herinneringen van dien Maandag bij

Newcastle. De tijding van ons eerste succes werd ons dien namiddag

bekend gemaakt. Te _Kraaipan_ op de Mafeking lijn had de la Rey een

gepantserden trein doen verongelukken en eenige prisoniers en kanonnen

genomen. De eerste schot in den oorlog was gevallen, en de uitslag was

ons gunstig.

Na afloop der krijgsvergadering, echter, wenkte de Commandant Generaal

mij in het voorbijgaan, om nader te komen.

»Er zijn ook te Lobatsi eenige prisoniers door onze burgers gevangen”,

zeide hij mij op zachten toon, »en één ervan is uw broeder!” Daarop

ging hij verder naar de voorpunt der hoogte waarop ons geschut gesteld

was, en vanwaar men een heerlijk uitzicht had op het grootsche plein,

dat zich tot aan de verre Biggarsbergen uitstrekte. Het was een zeer

vriendelijke, hoffelijke daad van den Generaal, te treffender omdat

de typische Boer allesbehalve sentimenteel is, even min als de flinke

karakters, die Schotsche schrijvers als Barrie en Maclaren in hun

welbekende novellen afschilderen.

Goede, humane Generaal! Gij hebt mij geen aangenaam nieuws meêgedeeld,

maar uwe bedoeling was goed en ik blijf u ervoor dankbaar. Mijn broeder

een prisonier, en dat wel in onze handen! En hier ben ik met een geweer

in de vuist op weg naar Dundee. Welk een warreboel hebben wij in ons

land! 't Is niets minder dan een burgertwist en burgeroorlog. Broeder

vecht tegen broeder, vriend tegen vriend, schoolmaat tegen schoolmaat.

Akelige werkelijkheid! Bittere waarheid!

Hedenmorgen nog zag ik eene dame te Newcastle vroolijk lachend en

schertsend met onze Boeren, terwijl haar man (een geboren Engelschman)

geen woord sprak en ons mogelijk in zijn binnenste verwenschte.

Natal was vroeger Hollandsch—getuige de namen van vele steden en

bergen en rivieren. De oude voortrekkers waren hier lang voor de

Engelschen het land in hun bezit namen. Wat is natuurlijker, dan dat een

Hollandsche Afrikaander, in Natal woonachtig, dagelijks aan de roemrijke

geschiedenis zijner vaderen zal herinnerd worden? Hoe kan hij anders,

dan trotsch zijn op zijn Hollandsche of Fransche afkomst? Voorwaar!

de bergen en rivieren roepen hem toe: »gij zijt een afstammeling der

mannen, die met Retief en Maritz in 1838 en daarna de Republiek

Natalia gesticht hebben.” En nu? Wat gebeurt er voor zijne oogen?

Boerencommando's gaan er bij zijne deur voorbij. Hij hoort de burgers

in zijn eigene taal spreken. Ze zijn volks- en geloofsgenooten. Nog

erger: onder die commando's is er reeds een zoon of broeder of neef,

die te Johannesburg of Vrijheid wonend, een Transvaalsch burger werd

en thans de wapens tegen Engeland draagt. Welk eene worsteling in

menige Hollandsche familie! Welk een slingeren tusschen loyaliteit

en nationaliteit, gehoorzaamheid aan de wet en gehoorzaamheid aan

het hart! God helpe die arme, arme, zwaar beproefde, heen en weer

bewogene lieden—ze zijn in allen deele beklagenswaardig. Helpen zij

den Boer—dan zondigen zij tegen hunne Regeering en komen zij later

mogelijk in de grootste moeilijkheid. Helpen zij hem niet, worden zij

door bloedverwant en stamgenoot uitgescholden als ontrouwen aan hun

eigen bloed en vleesch. Helpen zij de Engelschen?—neen, daaraan wil ik

niet denken: de gedachte is mij te afschuwelijk, te laag, te walgelijk.

En toch—ik ben te opvliegend—ach! hoe uiterst gemakkelijk gebeurt

het, dat leden van dezelfde familie, ja, van hetzelfde huis, in de twee

vijandige kampen verdeeld raken! Wat doet de school niet in deze: de

zoogenaamde opvoeding? Welk eene scheiding wordt er niet in ons land

door het onderwijs alleen teweeg gebracht? En dan, er zijn zoo vele

andere dingen, die de steeds zich herhalende _Zuid-Afrikaansche

tragedie_ veroorzaken. Het nieuwsblad, dat men dagelijks leest; het

boek, dat men toevallig ter hand neemt; de boezemvriend onzer keuze;

de omgeving, waarin wij geplaatst worden; een vrijerij, een innige

liefde, ons beroep, onze woonplaats, een twist, eene verlegenheid,

eene uitredding uit eene groote moeilijkheid—al deze dingen scheiden

ons bewust en onbewust van elkander. Stil en onopgemerkt werken die

onzichtbare krachten in elke familie van Zuid-Afrika voort.

Ik heb een vriend, die in de Kaapkolonie geboren en opgevoed, geheel

en al Engelsch in zijne sympathieën en idealen en ideën was, totdat

de heer Jan Hendrik Hofmeyr een rede bij zekere gelegenheid over

de Zuid-Afrikaansche Geschiedenis voerde. Het gevolg was: dat hij

van toen af aan elk boek over onze geschiedenis gretig las. De

uitslag was onvermijdelijk: hij dweepte met de Voortrekkers en hun

liefde voor de Vrijheid. Een nieuw leven golfde hem door de aderen.

Nationaliteitsgevoel begon in zijn boezem te ontwaken, en van lieverlede

werd hij een Afrikaander, die zich verzette tegen den Jingo-Imperialen

geest van inmenging met onze inwendige zaken en van verachting van zoo

veel, dat niet-Engelsch en toch echt Zuid-Afrikaansch was. Niet slechts

door inwoning, maar van heeler harte werd hij een republikeinsche

burger,—terwijl zijn broeder tegen hem vocht. Zulke gevallen zijn er

meer.

Opmerkelijk is het, dat in tijden van crisis, bij nationale keerpunten

in de geschiedenis van elk volk, een dergelijke verwarring en

verdeeldheid te vinden zijn. Willem van Oranje had een zoon, in Spanje

opgevoed en Spaansch van hart tot zijn dood toe. Zijn schoonbroeder

pleegde verraad met den Prins van Parma. Washington had met dezelfde

moeilijkheden te kampen. De zoogenaamde »Tories” in de Staten waren

bepaald aan de Engelsche zijde en een gedurige bron van gevaar voor

de republikeinen. Nergens echter is de scheidslijn tusschen de twee

partijen zoo fijn, zoo delikaat, zoo onzichtbaar soms, als in ons arm,

onstuimig en bewogen land—'t is inderdaad gelijk aan een geometrische

lijn, pure lengte zonder breedte! De oorlog heeft wel voor een tijd

de scheiding tusschen de twee vijandige kampen treffend aan 't licht

gebracht. Maar als de strijd afgeloopen is, zal de lijn weer verborgen

zijn als te voren. Men weet eigenlijk niet, wie men voor zich en

rondom zich heeft in tijden van vrede. Vandaar dat zoo velen zich den

Heidenschen God, Janus, ten voorbeeld stellen en naar beide kanten

tegelijk kijken—naar den éénen kant met het gelaat van een Imperialist,

naar den anderen met dat van een Afrikaander. Het _betaalt_ immers zoo

goed! Vandaar ook dat niet weinigen gedurig de leuze van de cynische,

wreede Catherine de Medicis beoefenen—zoo slim en toch zoo laag, zoo

politiek, maar zoo verachtelijk in 't oog van alle echte mannen en

vrouwen—»nous devons toujours en user avec nos ennemis comme s'ils

devaient être un jour nos amis, et avec nos amis comme s'ils devaient

être un jour nos ennemis.”

Zes maanden bij de commando's · 第 13 / 79 题