't Is Woensdag namiddag, 13 October. Al de lagers zijn nu rondom
Volksrust getrokken, wachtende op 't antwoord van Lord Salisbury.
Het geschiedkundige dorpje—de hoofdkwartieren van Generaal Joubert
gedurende den korten oorlog van 1880-'81—de plaats waar het eenvoudig
gedenkteeken van dien roemrijken strijd staat—wemelt nu van menschen.
De drukte is ontzettend, vooral in de nabijheid van het telegraafkantoor
en het hotel. Op eene helling, dicht bij het Monument, ziet men het
artilleriekamp, met de tent van Generaal Joubert in 't midden ervan.
Daar vindt er een laatste, groote, vereenigde Krijgsraad plaats. Al de
Generaals, behalve Generaals Burger en Cronjé, zijn daar vergaderd.
Kolonel Trichard, hoofd der Staatsartillerie is ook met de meeste
zijner onderofficieren tegenwoordig, alsmede vele Commandanten en
Veldkornetten. Het krijgsplan werd besproken en Commandant Daniel
Erasmus van het Pretoria District werd, volgens den wensch van Generaal
Joubert, tot Generaal over de centrale colonne gekozen. Het werd daar
vastgesteld, dat, terwijl de Commandant-Generaal en Generaal Erasmus met
de hoofdafdeeling der burgermacht (de centrale colonne) den grooten weg
over Laing's Nek Pas naar Newcastle zouden inslaan, Generaal Kock een
meer westelijke route naar dezelfde plaats en Generaal Meijer langzaam
het pad langs Vrijheid naar de Jagersdrift (in de Buffelrivier, op den
weg naar Dundee) moest volgen. Ter gelegener ure zou men later een
vereenigde poging op Dundee aanleggen, en daarna, in samenwerking met
de Vrijstaters, tegen Ladysmith optrekken.
Toen het antwoord van Lord Salisbury op ons ultimatum bekend werd en
elkeen zeker wist, dat de krijg feitelijk begonnen was, stond er ernst
op bijna elk gelaat (voor zoo ver het mijne omgeving betrof) te lezen.
Later vernam ik, dat er ook te Pretoria een plechtige stilte heerschte.
De burgers waren mannen des vredes. Zij hadden geen persoonlijk belang
bij den oorlog. Geene promotie, geen onderscheidingsteekens, geen
geldelijke belooning voor hen! Wat gaven zij tevens om den ijdelen roem,
den soldaat voor beroep zoo dierbaar? Zij gehoorzaamden slechts de stem
hunner Regeering en Leidsmannen, in het volste vertrouwen dat deze,
ten volle op de hoogte van zaken zijnde, het beste voor land en volk
besloten hadden. Geen champagne werd er gedronken; geen klokken geluid.
Met de armen over de borst gekruist en met een zucht of gebed, namen de
edele Transvalers en Vrijstaters het geweer in de vuist. Zij hadden hun
land lief en geloofden ten volle, dat de oorlog noodzakelijk was voor
het behoud hunner onafhankelijkheid en nationaliteit. En wie durft
zeggen, dat zij het geheel en al mis hadden? Heeft de geschiedenis van
den oorlog niet getoond, dat 't huidige Britsche Ministerie geen aparte
nationaliteit, geen tweede blank volk naast het Engelsche in ons land
wil dulden? _Is de annexatie-politiek niet slechts een onderdeel van de
groote denationalisatie-politiek?_
_Jacta est alea_: de teerling is geworpen. De God der geschiedenis heeft
zijn decreet uitgevaardigd; er zij oorlog in Zuid-Afrika! Daar omtrent
is er thans geen twijfel meer. Het groote, angstige? hangt niet meer
boven onze hoofden. Andere vragen houden nu meer dan een denkend hoofd
dezen nacht bezig: Wat zal het einde zijn? Waar zal het einde zijn?
Wanneer zal het einde zijn?
Lang kon ik de oogen dien nacht op mijn veldbed (een »stretcher” werd
mij door Kapitein Bosman verschaft, en ik sliep met hem en den Kolonel
te samen in ééne tent) niet sluiten. De voornaamste vraag, die in mij
opkwam, was deze: Zal de lieve, oude Kolonie, de grijze Moeder der
Republieken, ook in dezen maalstroom worden ingezogen? Zullen de
Hollandsche Afrikaanders onzijdig blijven, of zullen zij van lieverlede
zich bij ons aansluiten? Een komplot bestond er niet: van eene
samenzwering tusschen den Bond en de Republieken was er geen sprake.
Maar de vraag was: of onze Koloniale broeders het op den duur zouden
kunnen uithouden, om bloote toeschouwers van den strijd te blijven? Te
Pretoria werd de vraag mij bijna dagelijks door mijn Nederlandsche
vrienden gedaan en ik bleef hun altoos een beslist antwoord schuldig.
Schouder ophalend woog ik de _pro's_ en de _con's_, en het scheen mij
alsof de laatsten het wonnen, maar—er was altoos nog een »maar” in mijn
binnenste op dat allergewichtigste punt. De crux van den heelen oorlog
lag, mijns inziens, in de eventueele houding der Koloniale Hollandsche
bevolking. Op een vereenigd Hollandsch Zuid-Afrika kon Engeland
nauwelijks de zege behalen, meende ik. Maar—zouden de Koloniale
Afrikaanders van Hollandschen bloede zich in deze opofferen?—Een tweede
vraag, die zich aan mij voordeed, was deze: Zou ons betrekkelijk klein
conflict na verloop van tijd in een Europeeschen oorlog verzwolgen
worden? Zulke dingen zijn te voren gebeurd en konden wel weêr plaats
vinden. Is de roemrijke 80-jarigen Oorlog niet in de vreeselijken
30-jarigen Krijg opgegaan? Heeft de Amerikaansche Vrijheidsoorlog
niet Frankrijk in het strijdperk doen treden? Liever een Europeesch
bloedbad—zoo dacht ik dien nacht—dan dat onze twee kleine vrije Staten
door de overmacht van kanonnen en soldaten zouden verpletterd worden. O
God! help ons arm, klein Volk! Als het waar is, wat Frederik de Groote
zeide: dat die den laatsten _thaler_ in den zak heeft, het langst den
strijd kan volhouden—dan zijn wij reeds verloren. Is de overwinning
steeds aan den kant der grootste legers, zoo als de groote Napoleon
beweerde, dan is de uitslag gewis tegen ons. Maar onze zaak is immers
rechtvaardig, zeide ik tot mijzelven, en zal God dan geen recht doen
op de aarde? Moet de Waarheid niet altoos over de Onwaarheid de zege
behalen? Kan Macht over Recht triomfeeren? Helaas! wat van Polen?
Hongarije? Bohemen? De Tirolers? Ach! de God der geschiedenis schijnt
voor het menschelijk verstand zoo dikwijls een andere dan de God des
gewetens te zijn! De mensch tast in het duistere rond. Hij weet
niets—hij kan het Raadsel des levens niet oplossen:
Er is geen priester,
Die U verklaart;
In raadselen wandelt
De mensch op aard'.
(DE GENESTET).
»Kerels! helpt! die tent valt om! Maak licht, een van jullie!” Ik schrok
wakker onder een hevig gedruisch, diep in den nacht, en hoorde de
Kolonel de bovenstaande woorden uitgillen. Haastig sprong ik op en
werktuigelijk kreeg ik de kaars aan den voet van mijn ‘stretcher’
beet. In een oogwenk was er licht op het tooneel gevallen. Er was
een geweldige stormwind op ons losgebroken, vergezeld van regen. De
tentpalen bogen als rieten voor den orkaan—het was een ronde tent,
met een acht of tien kleine palen langs den omtrek en een grootere en
sterkere in 't midden ervan geplant—en elk oogenblik kon de boel »als
een doek opgerold” en erheen geslingerd worden.
»Houdt vast! Kerels!”—bulderde de Kolonel, die in zijn ‘stretcher’
rechtop zat en den paal binnen zijn bereik tegen den wind op drukte. Het
geraas was oorverdoovend en de koude ondragelijk. Bibberend klemde ik
mij aan den centralen paal vast en trachtte ik dien recht op te houden.
De andere slapers werden ook spoedig wakker, en elk een greep den paal,
die het dichtst bij hem was, om de waggelende tent te steunen. Voor
eenige minuten was het twijfelachtig wie het winnen zou: de storm of de
mensch. De tent beefde en sidderde onder de ruwe geeselslagen van den
stormgod. De Kolonel en zijne tentgezellen zwoegden en zweetten als of
zij een »Tug of War” met de elementen hadden. Het was inderdaad een
»Tug of War”—maar niet een, die voor de grap ondernomen was!
Plotseling viel de wind, terwijl de regen in een onafgebroken stortvloed
nederdaalde. De crisis was voorbij. Onze tent was gered en wij waren aan
een gedwongen koud bad voor lichaam en kleederen en beddegoed ontkomen.
De Kolonel liet zijn paal los en keek ons aan.
»Kijk daar!” riep hij onverwachts uit, terwijl hij het luid uitschaterde.
»Haal af jou kappie!”—Te met wees hij al lachende op een onzer
slaapgenooten, die een dameskapje voor slaapmuts op 't hoofd had en
met beide handen zijn paal _in de richting van den storm duwde_! Onze
vriend was eenigszins doof en daarbij zoo diep in het ruime hoofddeksel
gedoken, dat hij het niet bemerkt had, dat hij werkelijk zijn best deed
om ons te verongelukken.
* * * * *
Vrijdag morgen, 15 October, ging de colonne, waarbij ik mij gevoegd had,
over den Rubicon tusschen Transvaalsch en Britsch gebied—een klein
stroompje tusschen Volksrust en Charlestown, onbeduidend in omvang,
veelbeduidend in verband met de treurige geschiedenis, die toen geopend
werd. Welk eene gedachte: Van nu af aan kan elke vreemdeling, die u
tegenkomt, uw lichaam als schijf voor een schietoefening gebruiken!
Foei, 't is om er kippenvel van te krijgen. Eén troost: als je gauw
bent, kunt je aan hetzelfde spel doen—ten koste van den vreemdeling,
natuurlijk. Houd je roer dus bij der hand!—Wat is zoo'n oorlog toch een
gek ding. Begrijpt u, een boel goede, zachte, lieve menschen gaan Natal
binnen. Morgen, overmorgen ontmoeten zij een massa andere menschen,
in _khaki_ gekleed, en ook best mogelijk heel goeie, brave lui. En
dan?—Dan doen zij hun best elkander de eeuwigheid in te jagen. Zij
hebben malkander nooit te voren gezien. Zij dragen elkaar geen haat toe.
En toch beschieten zij elkaar met kanon en geweer! Bah! de mensch is
krankzinnig. Wij zijn allen mal geworden. Doch _basta_; 't is niet mijne
zaak. Voorwaarts! Marsch!
* * * * *
Ik volgde de eerste batterij, gezeten in de geschiedkundige kar, waarin
Dr. Jameson zijn befaamden tocht naar Johannesburg trachtte te doen.
De Kolonel had mij daarin eene plaats aangewezen. Het rijtuig werd
door vier muilen getrokken en een paar jonge, vroolijke artilleristen
ageerden als koetsiers. Te Charlestown reeds moest ik met een van de
schaduwzijden van den oorlog kennis maken. Tegen het uitdrukkelijk
bevel van Generaal Joubert werd een groote verlaten winkel langs den
weg opengebroken. Wie het deed, is natuurlijk onmogelijk te verklaren.
Sommige burgers beweerden, dat de hongerige benden Kaffers uit de
Johannesburgsche mijnen naar Natal vluchtend, de schuldigen waren. Ik
kan slechts getuigen, dat de winkel open was en dat er eenige burgers
druk bezig waren, zich aan het een en ander te helpen. Mijn twee Jehu's
maakten natuurlijk ook halt, om aan de pret deel te nemen, en ik
maakte van deze gelegenheid gebruik, om een indruk op te doen. Het
plunderen was gewis al ten vorigen dage begonnen, oordeelende naar den
onbeschrijfelijken chaos daarbinnen. Bijna knie-diep moest ik mijn weg
door de laarzen en schoenen, op den vloer gesmeten, vinden. Het waren
meestal voor dames en kinderen bestemd, daar al wat eenigszins voor
mans bruikbaar kon zijn, was weggenomen. En dan de groene hemden-doozen
en witte hoeden-doozen, en allerlei andere grootere en kleinere _dito
dito_! Hun aantal was legio. Alle mogelijke soorten kleedingstukken
lagen er ook op den grond rond gesmeten, om van de duizend en één andere
zaakjes, die men in een grooten Zuid-Afrikaanschen dorpswinkel aantreft,
niet te spreken. Elk een, die binnenkwam, had eene of andere bijzondere
behoefte, hetzij een werkelijke of een denkbeeldige, en niet wetende
waar de verschillende voorwerpen geborgen waren, rukte en plukte hij
maar zoo alles van de rekken af, om zijn doel te bereiken. Ondertusschen
echter, viel het begeerige oog op meer dan een ding, dat eene afwezige
echtgenoote of vriendin later mocht te pas komen. Zoo zagen wij meer dan
een burger met een boel damesartikelen, noembare en onnoembare, soms
heel fijne nog al—den winkel uitstappen. Daar het alles zeer haastig
toeging, zou men op een afstand staande, zweren, dat er een brand
ontstaan was, en de goede lieden druk bezig waren zooveel mogelijk van
het goed te redden!
Met moeite kreeg ik mijn twee heel jonge reisgezellen van het verlokkend
lokaal weg, daar het voor hen bepaald een buitenkansje was en zij beide
veel belang in dameskleederen schenen te stellen. Verbeeld u echter
mijne verbazing, lezer, toen ik vlak buiten het dorp ook een menigte
Zulus aantrof.... elk met zijn specialen bundel gestolen winkelgoed op
den arm! Als men bedenkt dat er, gedurende de week van het ultimatum zoo
wat 7000 naturellen, in kleinere en grootere klompen, als een dikke,
zwarte stroom uit de Witwatersrand goudvelden naar Natal doorsijpelden,
is het wel de vraag: of hun lange vingers wel uit de onbewaakte winkels
konden blijven? Waar er geen blanke opzichters bij hen waren, hebben zij
zichzelven gewis niet in dezen bedwongen.
Voort gingen wij over het steeds steiler en zwaarder wordend pad over
de Drakensbergen. De vele regens hadden den weg doorweekt. De grond
was turfachtig, kleiachtig, aan de wielen vastklemmend en hun gang
erg verzwarend en vertragend. Van den spoorweg kon er vooralsnog
geen gebruik gemaakt worden, daar men nog niet wist, dat er geen
dynamiet-mijnen onder verborgen waren. De trouwe paarden en muilen
moesten dus al het werk doen. Heuvel op, heuvel af, tot vervelens toe
ging het. Er kwam geen einde aan die hoogten en diepten. En dan, de
akelige modderige driften door de veelvuldige bergstroompjes; wat waren
hun wallen steil en glibberig! Arme artillerie-paarden! Zij moesten de
breedgewielde kanonwagens en zware caissons over dat moeilijk turfpad
sleepen—en zij deden het ook! Het was echter bijna donker, eer zij den
korten afstand van Volksrust naar Mount Prospect achter den rug hadden.
Boven op Laing's Nek gekomen, was het zoo bitter koud, dat ik Kapitein
Bosman (die te paard was) voorstelde de reis verder te voet voort te
zetten. Wij waren opgewonden door de unieke gebeurtenis in ons leven en
stapten dapper voort, terwijl de zware wagen van den Kolonel, waarin
onze kleederen en ons voedsel waren, nog ver achter was. De trotsche
kruin van Majuba bezielde ons met hoop voor de toekomst, en wij spraken
elkander moed in. Telkenmale, echter, kwam een stille vrees over ons bij
de gedachte aan den grooten sprong in het duistere, dien dag door de
Republieken gewaagd. Zóó druk waren wij aan 't spreken en peinzen, dat
wij geen acht op het weêr gaven, eer de regen op ons neerstortte.
't Was een fraai spelletje: zonder kost, zonder paard, zonder rijtuig,
zonder drooge kleederen gingen wij de duisternis en den nacht tegemoet.
Terug te keeren naar den grooten tent-wagen van Kolonel Trichard zou het
verstandigst zijn geweest, maar een soort van extase vervulde ons dien
onvergetelijken dag. Wij berekenden niets; wij omhelsden onze nieuwe
ondervinding met beide handen. Majuba stond achter ons, Ingogo lag voor
ons, wij zouden Colley's Graf wel vinden. Moedig stapten wij voort door
modder en slijk. Onze groote regenjassen waren ons van grooten dienst,
maar onze laarzen werden zwaar op de proef gesteld en onze sokken bleven
niet lang droog.
Wat is de weg lang! Wanneer komen wij er? Wat wordt van ons van avond?
Hemel! wat een regen! Is er dan geen einde aan?—De groote droomen, door
Majuba en Ingogo opgewekt, beginnen hun invloed te verliezen. De nare,
natte werkelijkheid heeft het over het ideale gewonnen. Eindelijk zien
wij eenige vuren. Sakkerloot! dat zijn stemmen van onze menschen. Ja!
hier zijn wij bij de muren van de Engelsche begraafplaats op Mount
Prospect, te midden van de onzen.
Toen, echter, begon de treurigheid eerst een acuten vorm aantenemen.
Wat nu gedaan? Ons wagen is niet opgedaagd! Geen voedsel of koffie,
geene tent of drooge kleêren dus voor ons. Welk een treurspel! Jong
en onervaren in het vak van oorlogvoeren, zijn wij in de grootste
verlegenheid en ellende gedompeld. Nat en koud stappen wij rond, om te
zien hoe onze medestervelingen zich gedragen. Hier en daar vinden wij
een groepje Boeren, rondom een keteltje water op een vuurtje gezet,
wachtend op de heerlijke, onmisbare koffie, die al hun lijden zal
verzachten. Ginds is men reeds bezig de ingewanden met het kostelijke
vocht te verwarmen. 't Is om te watertanden, maar de leuze is heden
avond: »elk een voor zichzelven”—zoo blijven wij op een eerbiedigen
afstand staan. 't Is te koud en onpleizierig, om koffie voor jan en
alleman te maken. Elke vriendenkring hangt als een zwerm bijen om zijn
eigen keteltje. De Boer haalt zijn koffie en beschuit uit den zadelzak
of knapzak. Met zijn knipmes snijdt hij zijn biltong aan stuk. _Hij_
weet, wat het is om op commando te gaan, en kan zich altoos redden.—De
arme artilleristen, echter, moesten al hun aandacht aan kanon en caisson
wijden. Hun commissariaat-wagens waren in den modder ergens vastgeraakt.
Zij—en wij met hen—waren er derhalve ellendig aan toe, en dat wel op
den eersten den besten avond van den Natalschen veldtocht.
En toch liet ik het hoofd niet hangen, dank zij het vonkje kunstgevoel
dat ik geërfd had, en de avontuurzucht die mij eigen was. Ik werd
geïnteresseerd in wat er rondom mij voorviel: dat was mijn redding.
Het eigenaardige, het vreemde, het geheel nieuwe mijner omgeving en
ondervindingen verlosten mij van »het lichaam des vleesches”. Ik
leefde en zweefde in eene wereld van ideeën en indrukken, die mij met
de klamme en koude en hongerige werkelijkheid eenigszins verzoende.
Hoe kalm en tevreden waren de burgers rondom mij! Geen murmureering
hoorde ik, geen klagen, geen gezanik, geen gelol. Zwijgend en zelfs
lachend gingen zij hun gang. Zonder tent of dak moesten zij den nacht
doorbrengen. Hunne kleederen waren niet droog en de regen viel gestadig
op hen neer, maar onze hedendaagsche Spartanen begaven zich ter ruste,
alsof zij aan zulk een leven gewoon waren.
Ter ruste?—Hoe kan dat? Volg mij naar die zwarte massa op gindsche
helling zichtbaar. Het zijn menschen, die daar op de natte aarde liggen!
Een partij groote, sterke boeren hebben zich naast elkander, in hun
regenjassen en dekens gehuld, uitgestrekt. Zij hebben elk een zadel aan
het boveneind van hun harde bedstede recht opgesteld,—dat geeft in elk
geval eenige beschutting tegen wind en water. Veiligheidshalve, echter,
is een kafferbediende bezig met een graaf een kleine groeve te kappen,
evenwijdig met de lijn der zadels loopend, om het regenwater eenigszins
weg te leiden.
Verbaasd roepen wij uit: »Kerels! Wat maakt jullie hier?”
»Wij gaan slapen”—antwoordt er een heel droogjes.
»Wel ik zeg! Maar man, hoe op aarde slaapt je hierin zulk weêr?”—Het
regende altoos maar sterk door.
Een soort van binnensmondsche lach is het eenig antwoord op deze vraag.
Welk prachtig materiëel voor een leger! Hoeveel zou Engeland vandaag
niet willen geven, om zulke soldaten aan zijn kant te hebben?
Daar mijne sokken erg klam waren, waagde ik het niet, om het voorbeeld
dier geharde mannen te volgen. »Gezondheid vóór alle dingen”—was mijne
leuze. Zoo stapte ik heen en weer om geen koude te vatten en ook om
alles rondom mij gade te slaan. Eindelijk kwam ik op een ammunitiewagen
af, die door een groot bokzeil (teerkleed) gedekt was. Ziezoo! nu kan
ik een weinig schuiling van den storm vinden en ook wat uitrusten.
Verblijd lichtte ik een punt van het zware kleed op. Wat?—Elke duim
gronds is door levend menschenvleesch bedekt. Als haring in de ton waren
de artilleristen er opeengepakt. Men kon er nauwelijks adem halen.
Geen plaats voor mij dus, maar wat geef ik er om? Ik ontvang immers
indrukken! Ik bezie het tooneel als het ware van buiten—al ben ik zelf
ongelukkig een deel van het aandoenlijk geheel, dat wel heel aardig,
maar vooral zeer nat is. Zoo lijkt het commandoleven en ik wilde immers
weten, hoe het er »op commando” toeging, niet waar? Ook _dit_ is een
voorname zijde van wat men oorlog maken noemt; en ik verlangde immers
een oorlog met eigen oogen en van nabij te bekijken. Ja, zoo is het,
lezer; en deze gedachten waren mij werkelijk tot grooten steun en
troost. Ik gevoelde mij van tijd tot tijd zelfs bezield dien avond door
mijn wonderlijken eersten nacht in het veld. Hoe grooter de ellende,
des te sterker het gevoel. Hoe kouder en klammer het lichaam, des te
tastbaarder de impressie. Hoe meer honger en dorst ondervonden, des te
hooger de waarde van de schilderij, die ik was komen aanschouwen.
Maar intusschen word ik al meer hongerig en nat—vooral het laatste.
»There's the rub”. Goeie gunst, als ik ziek word, dan kan ik niet verder
met het commando meêgaan; dan zal ik geen gevecht kunnen bijwonen.—Dit
zal mij niet betalen, hoor! 't is bij middernacht en ik heb wat rust
noodig, anders word ik mogelijk _hors de combat_, terwijl er nog zooveel
te zien zal zijn.—Maar waarheen? wat begonnen? Ik heb het! Ik zal den
weg, dien wij gekomen zijn, volgen. Terug dus, terug.... totdat er een
of andere wagen wordt aangetroffen.
* * * * *
Een half uur later zat ik in eene tent van Dr. Hohls—een Duitschen
geneesheer, die bij de Staatsartillerie gevoegd was en aan 't hoofd van
't Geneeskundig Departement voor den Oorlog stond. Goede, geniale,
levenslustige Dr. Hohls! Nooit zal ik U voor uwe vriendelijkheid en
gastvrijheid kunnen beloonen. Gij gaaft mij dien nacht brood en
vleesch en whisky, een paar drooge sokken en een warm bed binnen
in uw Ambulance-wagen. O! dat was een heerlijkheid en weelde, die
ik nooit vergeten zal. Buiten regende het onafgebroken door—arme
burgers!—binnen in den wagen lag ik hoog en droog te slapen, dank zij
den ruwen, maar goedhartigen Duitscher, die zijne tent op eene afstand
van ons kamp had opgeslagen, omdat (zooals hij mij in 't oor fluisterde)
hij het niet mooi vond van de Boeren, om bij Generaal Colley's graf te
kampeeren.
Meermalen had ik het voorrecht later, om wat spijs en drank bij Dr.
Hohls te nuttigen. Ja, dikwijls was hij mij een _Deus ex Machinâ_, die
mij van algeheele uitputting door een lekker middagmaal of een glaasje
Schotsch vocht redde. Sterk gespierd, breed geschouderd, energiek en
gehard tegen alle vermoeienis en ontbering, had hij een »wee drap of
Scotch” steeds gereed voor hemzelven—en ook voor anderen.
»Als het tot een slag komt,” zeide hij mij menigmaal op weg naar
Ladysmith, »ga ik geheel binnen de vechtlinie, om onze gewonden te
helpen”. Zijn rechterhand en apotheker, den heer Townshend, stemde met
hem in dit gevoelen samen. Zij waren in deze van éénen geest. En zij
hielden hun woord gestand!
Op Pepworth's heuvel bij Ladysmith gingen zij beide tot vlak achter
onze kanonnen de gewonde artilleristen verbinden. De heer Townshend
kwam er dien dag—het was de groote slag te Modderspruit en Nicholson's
Nek—met een gebroken been van af; de dokter schoot er het leven bij in.
Terwijl hij een gewonden man verpleegde, te midden van een ontzettenden
kogelregen uit achttien Engelsche vuurmonden op dien heuvel stortend,
werd hij doodelijk getroffen. De dappere Dr. Hohls was de eerste man,
die in den slag van Modderspruit aan onzen kant sneuvelde; het eerste
offer door de hoofdcolonne onder Generaal Joubert gebracht.
V