Maar ik loop de geschiedenis heelemaal vooruit, en laat den lezer op mij
wachten. Ik haal mijn hoed af, en sta vlak voor den Generaal, wien ik
natuurlijk meermalen in zijne woning te Pretoria ontmoet had. Zoodra hij
van het papier, dat voor hem ligt, opziet, neem ik mijne kans waar [Men
moet er bij der hand zijn, anders komt een andere persoon je stellig
voor].
»Goeden middag, Generaal.”
»Goeden middag.”—Hij geeft mij de hand. Een goed begin, hoor! Na eene
pauze zegt hij kort af:
»Wel, wat kan ik voor jou doen?”
»Ik heb een brief van Meneer Reitz, Generaal.” Daarbij overhandig ik hem
een schrijven van den Staatssecretaris, hetwelk deze mij persoonlijk te
Pretoria had ter hand gesteld. Het hield in, dat de Uitvoerende Raad
geen objectie had tegen mijn wensch, om de verschillende republikeinsche
commando's te bezoeken, met het doel om eene geschiedenis van den oorlog
optestellen voor het nageslacht, mits de Generaal zelve zijne
goedkeuring aan mijn plan hechtte.
Hij las den brief, keek op, en zeide heel familiaar:
»Zoo! ik zie jij wilt met ons meêgaan, om te zien wat er gedaan wordt.”
»Ja, Generaal, heel graag.”
»Wel! ik heb er niets tegen. Maar, ik waarschuw jou, dit zal maar zwaar
gaan voor jou om ons bij te houden. Ik ben eraan gewoon. Maar ik weet
niet of jij mij door wind en weer en allerhande ellende zal kunnen
volgen.”
Dit zeide hij zonder in 't minst te glimlachen, maar ik wist wel, dat
het een soort van boeren-grapje was, en een duidelijk bewijs leverde:
dat ik genade in zijne oogen gevonden had.
Op ootmoedigen toon antwoordde ik: »Ik zal mijn best doen, Generaal”,
waarop hij van de zaak afstapte door mij aan den zorg van Kapitein
Bosman (mijn goeden vriend en schoolmakker, die bij de eerste batterij
gevoegd was) optedragen.
De zaak was beklonken. Mijn doel was bereikt. Ik was gelukkig. Van jongs
af aan was het mijne begeerte, om boeken te schrijven. Welnu, hier had
ik eene kans om materiaal voor een _magnum opus_ te verzamelen. Veel had
ik van oorlogen en slagvelden, overwinningen en nederlagen, heldendaden
en heldenrampen gelezen. De prachtige schilderijen hadden mij betooverd.
Thans zou ik uit eigen oogen gaan zien, wat oorlog maken eigenlijk
beteekende. Van nabij zou ik de naakte werkelijkheid mogen onderzoeken.
De Generaal had wel gezegd: gij zult het zwaar hebben, maar mijn loon
zou groot zijn. Ik zou immers de Waarheid der dingen zien, de koude
Werkelijkheid betasten, en daarna met eenig gezag eene geschiedenis van
den grooten Anglo-Afrikaanschen oorlog kunnen schrijven! En toch, lezer,
heb ik dikwijls later gewenscht, dat ik mijne verantwoordelijkheid in
deze op iemand anders kon leggen. De Waarheid is soms zoo pijnlijk! De
Werkelijkheid zoo vernederend! Maar hierover spreken wij elkander later.
Den eersten nacht werd ik reeds in de mysteriën van oorlogvoeren onder
onze Boeren ingewijd. Ik moest op een paar zakken kaf mijn vermoeide
ledematen uitstrekken. Het artilleriekamp was vol officieren dien
avond, zoodat mijn goede vriend, kapitein Bosman, geen bed of matras
voor mij vinden kon. Daar het bitter koud was, begaf ik mij met al
mijne kleederen aan 't lijf (overjas en al) ter ruste. Lang bleef ik
wakker, want het was de vooravond van groote, onbekende dingen voor ons
volk,—en mijn bed was alles behalve zacht. Ik troostte mij, echter,
met de gedachte, dat ik daar was, om indrukken te ontvangen; en de
harde grond maakte een bijzonderen _indruk_ op mij! Ook dacht ik aan de
andere arme drommels, mijne vrienden uit de stad Pretoria bijvoorbeeld,
die van 27 September reeds te Zandspruit gekampeerd waren. Veertien
dagen lang waren zij daar, en bijna altoos door regende het, zoodat de
aarde vochtig en het water modderig en bijna ondrinkbaar werd. Na de
warmte in de hoofdstad was de nijpende koude op het hooge veld bij de
Drakensbergen vooral onaangenaam voor de verfijnde dorpelingen. Ook
zij hadden het zwaar, bitter zwaar, veel zwaarder dan ik het had. Arme
burgers uit onze steden en dorpen! Sommigen hadden veel moeite, om het
vuile water in de plaats van het heldere vocht bij hunne woningen te
drinken. Anderen hadden het nog moeilijker, om zwarte koffie in plaats
van hun geliefkoosd bier of whisky te nuttigen. Allen, echter, waren in
die dagen vroolijk en opgewekt. 't Was alles zoo nieuw, zoo vreemd, zoo
grootsch, zoo romantisch. Wij waren betooverd door het morgenrood van
den oorlog.