Te Zandspruit

Op een namiddag kwam Generaal Cronjé en zijn goede, trouwe gade bij mij

aan huis aan, om mij en de mijnen te groeten, eer zij naar de westelijke

commando's vertrokken. Het was ons allen een aandoenlijk oogenblik, want

de lucht ging zwanger aan het donkere onbekende, hoewel de Generaal nog

vast hield aan zijn geloof: dat er geen vechten zou plaats vinden.

»Ik had gehoopt, om ditmaal thuis te blijven”, zei de grijze krijgsman,

»want ik ben al eenige jaren boven den ouderdom bij de wet bepaald. Ik

ben drie-en-zestig, en ik ben moede van vechten en oorlogmaken. Maar....

de roepstem van mijne Regeering en mijn volk mag ik niet afslaan. Ik

ga, waar God en mijn plicht mij roepen.”

Hij ging naar Mafeking, vanwaar hij haastig geroepen werd, om Lord

Methuen in zijn zegevierenden marsch op Kimberley te stuiten.

God zegene U, buurman en vriend! Wij zullen elkander bij Magersfontein

weer ontmoeten.

Generaal Schalk Burger drukte ik de hand op het station te Pretoria,

alwaar ik hem op een namiddag aantrof, druk bezig eenige wagens op den

trein te laden, die hem en zijn staf naar Komati Poort zou voeren.

Het trof mij zeer toen ik hem letterlijk »den schouder aan meer dan

een wiel” zag plaatsen, om het werk klaar te krijgen. Zóó doen onze

Boeren-Generaals, al zijn zij ook Uitvoerende Raadsleden.

Generaal Jan Kock, die de Johannesburgers en Hollanders en een deel van

't Duitsche Corps zou aanvoeren, was reeds naar het zuiden vertrokken,

en Generaal Lukas Meijer, Voorzitter van den Eersten Raad en vroeger

Commandant van Vrijheid, werd benoemd om de burgers der zuidoostelijke

districten ten strijde te leiden.

De Commandant-Generaal was te Zandspruit, om persoonlijk aan de spitse

te treden der zuidelijke commando's, die door Laing's Nek in Natal

zouden afzakken.

Het was op den gedenkwaardigen Maandag, waarop ons _ultimatum_ de

geheele wereld verbaasde, dat ik te Zandspruit van den trein stapte.

Het tooneel, dat zich daar aan mijne oogen ontvouwde, zal ik niet licht

vergeten. Men moet weten, dat de commando's van zoo wat zes districten,

waaronder die van Heidelberg en Pretoria (die de meeste burgers

leverden), alsmede 't Hollander Corps, 't Iersche Corps en 't Duitsche

Corps, te zamen met de sterkste batterij der Staatsartillerie aldaar

vergaderd waren. Links en rechts van den spoorweg stonden de duizenden

tenten in ongelijke groepen verdeeld, daar sommige districten meer

en anderen weêr minder burgers hadden bijgedragen. Daar ginder op

eene helling is het groote lager van de stad Pretoria met die van

de verschillende veldkornetschappen er dicht bij. Ruim een half uur

rijdens ervan verwijderd, tusschen eenige heuvels als verscholen, zijn

de Nederlanders bezig onder Commandant Jan Lombard in het paardrijden

en snel op- en afstijgen wat te oefenen. De vroolijke boeren zeggen

lachend: dat zij nog al die lessen hoog noodig hebben! Maar—daartegen

kan men de vraag opperen: »wie drommel kan met een paard omgaan, zoo als

de boer het doet?” Tenten, wagens, paarden en ossen, overal waar het oog

zich wendt. Tot hiertoe had de bodem van Zuid-Afrika niet zulk een massa

gewapende burgers in 't veld gezien: er waren immers meer mannen (ruim

10,000) te Zandspruit dan Generaal Joubert ooit in den Vrijheidsoorlog

(verkeerdelijk zoo geheeten!) onder zijne banieren telde!

Maar de tijd verstrijkt; de zon begint ten westen te neigen—ik moet mij

haasten naar de tent van Generaal Joubert. Te midden van de kanonnen en

maxims der eerste batterij, op een zachte deining links van den spoorweg

naar Volksrust in positie gesteld, staat er een onaanzienlijke witte

veldtent, waarin de Commandant-Generaal zijn eenvoudige spijzen nuttigt

en ook zijn krijgsraad houdt en audiënties verleent. Het gaat met die

audiënties echter heel eenvoudig, misschien al te eenvoudig toe. Mij

dunkt een weinig meer ceremonie in zulke zaken, zou den Generaal,

wanneer hij afgemat en uitgeput mocht zijn, verbazend goed te pas

kunnen komen. _Mij_ kwam de vrije toegang tot den Opperbevelhebber dien

namiddag echter goed te stade. Ik wachtte slechts eventjes bij de wijd

opengesperde tent, totdat de Generaal zijn laatsten bezoekers had te

woord gestaan, en—stapte zonder verlof naar binnen. Ik had mijn lang

Mauser-geweer in de hand, en een wel gevulde, splinternieuwe bandelier

om den schouder—het was zoo de algemeene mode in 't begin van den

oorlog, lezer; elk een liep toen als 't ware gewapend rond; maar later,

toen het gevaar op den man afkwam waren »vele eersten de laatsten” en

(Goddank) »vele laatsten de eersten”! Maar _pardon_, wij zijn in de

tegenwoordigheid van den Generaal.

Hij zit op een eenvoudigen stoel bij een eenvoudige tafel (zonder

kleedje natuurlijk) met zijn Secretaris aan zijne rechterhand. Eenige

Adjudanten wandelen er in en uit naar goedvinden. Buiten de tentdeur

wordt er nog al vrij en druk gesproken en ook soms gelachen. Zonder

staatsie, zonder tusschenpersonen, zonder complimenten of ceremonies,

zonder stilte of verpoozing stroomt de massa werks op den grijzen,

conscientieuzen man af—'t is om er dol van te worden. Begrijpt u,

eens kwam er een oude burger den Commandant-Generaal in diens tent

bij Ladysmith persoonlijk vragen (verkondig het niet te Gath):—

Zes maanden bij de commando's · 第 9 / 79 题