II

Te Wapen!

Generaal Joubert, de bekende Commandant-Generaal van den Transvaal was

een van de meest vredelievende menschen op den aardbodem. De natuur

heeft hem niet voor een man van ijzer en bloed bestemd, maar de burgers

kozen hem nochtans herhaaldelijk tot Opperbevelhebber. Zijne politiek,

als Lid van het Uitvoerend Gezag, was tevens allesbehalve vijandig

tegen Uitlander of Engelschman. Hij pleitte steeds voor een gematigde,

billijke, sympathieke behandeling van alle kwesties tusschen de oude

en de nieuwe burgers. Den heer Rhodes wantrouwde hij lang voor den

Jameson-Inval reeds, maar hij wanhoopte niet aan de mogelijkheid van

harmonie, samenwerking en vrede tusschen Brit en Boer. Zijn ideaal

mocht hij echter niet verwezenlijkt zien. Integendeel, de groote

Boer-Kampioen voor de Uitlander-zaak werd door een vreemd noodlot

bestemd, om zijn volk tegen Uitlander en Engelschman in den krijg

aantevoeren. Waarlijk: »de mensch mikt, maar God beschikt”! Sedert den

onbezonnen en verraderlijken inval van Dr. Jameson op Transvaalschen

bodem won de _anti_-Engelsche politiek bij den dag veld, en de jongste

presidentsverkiezing was slechter dan eenig vorige voor den Generaal

uitgevallen. De tijden en de winden waren hem inderdaad tegen.

Lang, echter, verzette hij zich tegen de gedachte zelfs, dat er een

oorlog aan de deur van Zuid-Afrika klopte. De gedachte was hem te

onaangenaam, te akelig, te verschrikkelijk. Hij hield de oogen zoolang

mogelijk er van af. Hij hoopte tegen de hoop, lang na alle anderen

alle hoop op vrede hadden vaarwel gezegd. Zijne wensch worstelde met

de werkelijkheid, zijne idealen bekampten zijne overtuigingen.

De Britsche troepen worden nader en steeds nader naar onze grenzen

geschoven. Bij Kimberley vooral zijn zij gevaarlijk dicht bij de

Vrijstaatsche lijn. Een gevoel van angst en onrust trilt door de

Republieken. Men herinnert zich de bange dagen van Jameson. Men

vreest eene herhaling van die geschiedenis—op groote schaal! Allerlei

geruchten vliegen van mond tot mond—zooals in dagen van overspanning en

angst altoos het geval is. Aan kalme redeneering is er, wat de groote

meerderheid der bevolking betreft, een einde, en de algemeene opinie is:

dat de oorlog hoe eerder hoe liever maar beginnen moest.

O! dat waren dagen, zwanger aan groote gebeurtenissen—gebeurtenissen,

die niemand kon beletten, die niemand kon bedwingen. De verstandigste,

gematigdste, meest verlichte en progressieve Transvalers redeneerden

(met enkele uitzonderingen) als volgt:

»Daar de oorlog toch onvermijdelijk is, laat het dan hoe eerder hoe

liever maar tot het uiterste komen. De Engelschen hebben veel belang

er bij om tijd te winnen. Ons eenig voordeel ligt hierin, dat wij

_terstond_ beginnen! Indien wij wachten, zullen wij al de strijdbare

krachten van Engeland te gelijk te bekampen hebben. Nu kunnen wij

ze »bij de kleine maat” beet pakken, eerst de troepen, die reeds in

Zuid-Afrika zijn, daarna de legers, die geland zullen worden. Als wij

bevinden, dat wij tegen White, Baden-Powell en Kekewich niet bestand

zijn, dan kunnen wij het hoofd in den schoot leggen en vrede vragen.

Er is bitter weinig kans voor ons, om het op den duur te winnen, maar

hoe langer wij wachten, hoe kleiner wordt de kleine kans. De strijd

wordt al ongelijker en zwaarder, hoe langer hij wordt vertraagd. »Nu

of nooit”—dat is ons wachtwoord!”

Tegen 't begin van October begonnen de commando's zich te verzamelen

op de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek. Weken te voren, echter,

begon het Staats-Gymnasium leêg te loopen. Niemand werd opgeroepen,

maar elkeen wilde »op commando” gaan. Geen een werd gecommandeerd, maar

ruim veertien dagen voor den oorlog zat er geen enkele buitenjongen van

zestien en opwaarts op de schoolbanken. Zij hadden hunne ouders per

brief gesmeekt om ook het geweer in de vuist te mogen leggen, en o! hoe

blijde waren zij, wanneer er een gunstig oor aan hun smeeken verleend

werd.

Vroolijke, bezielde jongens! nog zie ik u, een voor een, uit de klas

verdwijnen. Nog hoor ik het »Meneer! ik moet naar huis. Mijn vader zegt,

ik kan ook op commando gaan.” En dan werd er haastig hier en daar met de

hand gegroet en de jongen verdween, door al de achterblijvenden benijd.

Den volgenden morgen werd hetzelfde tooneel herhaald, totdat het

Gymnasium, zoo wat tien dagen voor den oorlog, moest gesloten worden,

omdat er zoo weinig leerlingen waren.

Vroolijke, onbedachtzame jongens! Ik heb meer dan een van u later bij

de commando's ontmoet, nadat gij bij eigene ervaring de beteekenis van

het vreeselijk woord, oorlog, geleerd had. Toen stond er ernst, zoo

wel als levenslust op uw gelaat te lezen. Toen hadt gij mij veel van

gevechten te vertellen, maar niet zonder ‘vreeze en beving’. Toen

waren er weinigen onder u, die geen bloedverwant of vriend onder de

gesneuvelden betreurden.

Vroolijke, dappere jongens! Velen uwer zijn niet meer in het land

der levenden. Ik heb uwe graven gezien bij Dundee en Elandslaagte en

Magersfontein. Uwe teedere beenderen zijn aan de oevers van de Tugela en

de Modderrivier begraven, en over vele andere slagvelden verstrooid. In

't prille uwer jeugd zijt gij afgesneden, gij edele zonen van een edel

geslacht. Gij wordt door menig vader- en moederhart beweend, maar de dag

komt dat uwe dierbaren over u slechts roemen zullen, want gij stierft

voor vaderland en voor volk, en fluistert ons toe van uit het rijk der

dooden:

_Dulce est pro patria mori._

De geestdrift om te velde te trekken was algemeen in de eerste dagen

van October. Alle klassen en standen wedijverden met elkander in

vaderlandsliefde en offervaardigheid. Elk beroep en ambt werd onder

de commando's vertegenwoordigd. Alle talen werden er gehoord. Geen

nationaliteit werd er gemist—zelfs niet de Engelsche, daar er

verscheidene geboren Britten in de Transvaal waren, die van harte met

de republieken sympathiseerden. Welk een tooneel was er dagelijks bij

het spoorwegstation te Pretoria te zien! De Britsche Agent verstomde

zich en zelfs de Transvaalsche Regeering was verbaasd over de wonderbare

eenstemmigheid en de hooge geestdrift die er allerwege geopenbaard

werden. Boeren en ambtenaren, advocaten en procureurs, winkeliers en

agenten, schoolmeesters en klerken, pennelikkers en ellenridders—zij

waren allen met één geest vervuld; zij snelden allen naar de grenzen

van hun geboorteland of aangenomen vaderland; zij gevoelden zich allen

bereid en gewillig, om voor een vrije Transvaal te vechten en, zoo

noodig, te vallen. Velen hunner waren lange jaren Britsche onderdanen

geweest; sommigen hadden den grootsten eerbied voor Engelands

geschiedenis en instellingen; allen wisten zij echter, even als elk ware

Brit of Rus, Duitscher of Franschman of Japanner het weet: _dat het veel

beter en edeler is om een vrij, dan om een onderworpen volk te zijn_.

»Gaat _gij_ ook tegen de Engelschen vechten, indien het tot een oorlog

komt?”—de vraag werd mij op straat door mijn Engelschen collega gedaan.

»Wel stellig”—was mijn antwoord. »Er bestaat bij mij geen kwestie in

deze.”

Hij stond stil en zag mij aan, om te zien of ik het werkelijk meende.

Toen vervolgde hij:

»Ik verbaas mij, hoe jullie _Koloniale_ kerels zoo kunt spreken. 't Is

mij een raadsel!”

De uitleg ligt echter voor de hand. Het raadsel is gemakkelijk op te

lossen. Ziet! de liberale kieswet, pas door den Volksraad aangenomen,

had ons allen met de Regeering van den Transvaal geheel en al verzoend.

Wij waren tevreden met »Zeven Jaren” verblijf in 't land, als voorwaarde

van burgerschap. Het hardnekkig vastklemmen aan de leuze: »Vijf Jaar!

Niets minder dan dat”—scheen ons, op zijn zachtst gezegd, eene

kleingeestige openbaring van Engelsche verwaandheid en verachting van

andersdenkenden. De oude Transvalers hadden onze bewondering en liefde

gewonnen, door de zware offers die zij ter wille van den lieven vrede

brachten. De Imperiale Regeering had onze verbazing en ons wantrouwen

opgewekt, door haar zoogenaamde »gewapende pressie” om inwendige

veranderingen in de Republiek te verkrijgen. De steeds klimmende

eischen van den heer Chamberlain vermeerderden onze sympathie met onze

conservatieve Regeering en Volksraadsleden. De valsche beschuldiging

omtrent een zoogenaamd »Hollandsch-Afrikaansch Komplot tegen Britsche

Heerschappij in Zuid-Afrika” droeg ook zeer veel bij om ons met

verontwaardiging tegenover de »nieuwe methoden” van Imperiale

Staatslieden te vervullen, terwijl de lage lasterlijke scheldwoorden

tegen de voornaamste Hollandsch-sprekende Transvalers, Vrijstaters en

Kolonisten geslingerd, ons met verontwaardiging en toorn bezielden. Ons

algemeen menschelijk gevoel, ons rechtsgevoel, zoowel als ons nationaal

gevoel smolten ons met de Transvalers en Vrijstaters samen. Het gold

niet een _zekere_ regeering, maar een _eigene_ regeering, die op

onrechtvaardige wijze bedreigd werd. Het was geen despotisme of

oligarchie meer, die men wilde omverwerpen, maar een vrij volk, dat

men aan banden wilde leggen. Vooral was het ons duidelijk, dat het om

geen kiesrecht te doen was maar om den val van het Afrikaanderdom.

De twist was niet aanvaard om Britsche onderdanen te Johannesburg in

Republikeinen te veranderen, _maar om geheel Zuid-Afrika onder de

Engelsche vlag te brengen en alle Afrikaanders in Zuid-Afrika tot

Britten te herscheppen_.

Zoo dachten, zoo gevoelden wij althans, en elkeen onzer, die een

greintje eergevoel had, riep terstond uit: »Ik heb geene keuze. Ik

werp mijn lot in met de Republieken, en dat wel van heeler harte.”

Daarbij kan nog gevoegd, dat wij als volle of genaturaliseerde burgers

door onzen eed _verplicht_ waren, om onze Regeering loyaal in de ure

van gevaar te steunen—maar in die onvergetelijke dagen van ridderlijke

opgewondenheid was de geest, die ons bezielde, zóó warm, zóó gloeiend,

zóó vrij, dat het koude woord »plicht” zich vooreerst niet behoefde te

doen gelden.

De Hollanders gedroegen zich flink. Een sterk corps werd er

georganiseerd en van de voornaamsten en invloedrijksten sloten zich

_vrijwillig_ erbij aan. In deze waren zij alle andere genaturaliseerde

burgers ten voorbeeld. Zij togen ten strijde, niet slechts omdat zij

veel aan de Regeering te danken hadden, maar omdat zij zich ten nauwste

aan het Transvaalsche volk verbonden gevoelden en ook van ouds af aan

»menig appeltje” met Engeland »te schillen” hadden.

Vele Ieren kwamen zich ook met geestdrift aanbieden, om tegen Engeland

de wapenen optenemen. Ook _zij_ hadden vele bittere geschiedkundige

herinneringen, die ze in deze aanspoorden. Ook _zij_ wisten van

onrechtvaardige behandeling en van onderdrukking van den zwakke door

den sterkere te spreken. Ook _zij_ behoorden tot eene natie, die

naar vrijheid dorstte, maar onder de »beschermende vleugelen” van 't

Imperialisme aan 't verkwijnen en uitsterven was. Geen wonder dus, dat

zoo vele vurige zonen van Erin zich bij de bedaarde Boeren aansloten.

Zij hielpen mede, niet omdat zij _onze_ Regeering lief hadden, maar

omdat zij de Imperiale Regeering haatten.

Ook een Duitsch Corps werd er op de been gebracht, de Scandinaviërs van

Johannesburg volgden weldra hun voorbeeld, terwijl een aanzienlijk getal

Italianen en zelfs eenige Franschen ook »op commando” gingen.

In die eerste dagen van schoone enthousiasme en edele offervaardigheid

werd de _eenheid_ der Transvalers vooral treffend geopenbaard. Alle

verdeeldheid was terstond uit de wereld verdwenen. Elke grieve tegen de

Regeering was vergeten; elk vermeend onrecht vergeven. Alle partijgevoel

ontplooide zich tot nationaal-gevoel. Conservatieven, progressieven,

regeeringsmannen, opgevoeden en ongeletterden, godsdienstigen van

alle gezindten en ongodsdienstigen van welke kleur ook—allen toonden

zich één volk te zijn. Ja, mannen boven de zestig wedijverden in die

onvergetelijk-schoone dagen der »eerste liefde” voor land en volk met

jongens beneden de zestien, in ijver en ongeduld om de vierkleur te gaan

verdedigen. Eén machtige polsslag trilde er door het gansche land—

Bliss was it in that dawn to be alive,

But to be young was very Heaven.

(WORDSWORTH).

Een typisch verhaal uit die dagen verdient aan de vergetelheid ontrukt

te worden. Een gymnasiast van zoo wat zestien zomers, wiens vader erop

tegen was, dat hij zich vrijwillig bij een of ander commando zou voegen,

besloot zijn eigen weg naar het front te vinden. Op de eene of andere

wijze wist hij een Mauser-geweer en bandelier in handen te krijgen en,

aldus gewapend, liep onze jonge burger op 'n avond naar het station te

Pretoria. Ongelukkig voor den jongen Orlando Furioso, zou er geen trein

naar de Natalsche grens vóór den volgenden morgen vertrekken. Dit wist

onze vriend echter niet en, daar de chef hem dikwijls gezien had en

zijn vader goed kende, ontbrak hem den moed om te veel nieuwsgierigheid

omtrent den treindienst aan den dag te leggen. In een groote overjas

gehuld en met het hoofd in een ruimen hoed gedoken, stapte hij heen

en weer op het perron als een soldaat op de wacht.... Het sloeg tien

uur—en geen trein vertrok naar het zuiden! Twaalf uur—nog geen kans

om weg te komen! Hé, wat nu gedaan? Naar huis gaan? Néén, hij was

reeds te ver gegaan en vreesde zijn vader te ontmoeten. Op en af, op

en af stapte de _would-be_ soldaat ongeduldig en radeloos. Wanneer

gaat er toch een trein? Het sloeg één uur. »Lieve hemel, wat moet ik

beginnen?”—dacht de kleine vuur-eter. »Hoe kom ik weg? Hoe kom ik naar

huis? Heer! waar dan heen?”

Ongeveer twee uur in den nacht kwam de beangste vader bij het station

aangevlogen. »Hebt je ook misschien mijn zoontje hier gisteren avond

gezien?” vroeg hij den stationschef vervaard en buiten adem. »Overal

rond bij zijn speelmakkers heb te vergeefs naar de ondeugd gezocht.

Zeg mij toch, was hij niet misschien op het perron in den nacht?”

De chef liet zijne gedachten gaan en na een korte pauze viel het hem

te binnen, dat hij een jongen meer dan eens op het perron bemerkt had.

Mogelijk was _dat_ het mannetje, dat absent was zonder verlof! Hij uitte

eenige woorden in dien zin en—eenige seconden later werd de kwâjongen

levensgroot door zijn eigen vader ontdekt!

Het beste deel van de grap kwam echter eerst later voor den dag.

De kleine deugniet wist het heel spoedig met vader in orde te

krijgen,—vooral toen de moeder van blijdschap over den terugkeer van

haar verloren zoon in tranen uitbarstte. Hij had echter een speelmaat in

zijn vertrouwen genomen en, zelf aan alle gevaar van straf zoo heerlijk

ontkomen, besloot hij zijn onschuldigen vriend een prettige poets te

bakken. Die trouwe medeplichtige had hem plechtig beloofd, om vroeg op

den morgen na zijne vlucht het heele geheim aan zijn ouders te komen

bekend maken. Daar kwam hij ook werkelijk aangestapt, tot barstens toe

vol van de gewichtige tijding, die hem als lood op het gemoed drukte.

De held van ons verhaal bevond zich toen juist in den tuin vóór de

ouderlijke woning, in 't gezelschap van zijn verzoenden en verheugden

vader. Ongemerkt verdween hij achter een boom, zonder een woord te

spreken. Alzoo hoorde hij, hoe zijn boezemvriend het pijnlijke nieuws

omtrent zijne ontvluchting naar de commando's met bevende stem bekend

stelde, met de hoop eindigende, dat de vader den weglooper toch

zou vergeven, daar hij stellig met roem beladen naar huis zou

terugkeeren!—Ha! Ha! Ha! schaterde ons levendig ventje het meteen uit,

terwijl hij te voorschijn kwam en zijn verlegen vriend de hand drukte.

De wakkere, levendige jongen kreeg later toch zijn zin. Hij ging naar

Ladysmith, met goedkeuring zijner ouders, en gedroeg zich bijzonder knap

in menig gevecht, zonder iemands verlof daartoe te vragen.

Zulke en dergelijke gevallen kwamen er dikwijls in die tijden voor.

Schoolknaapjes van twaalf en dertien sprongen binnen in de wagens,

op opene »trucks” staande, gereed om met de burgers naar het front te

gaan. Sommige werden ontdekt en moesten weêr naar de schoolbanken terug;

enkelen wisten op die wijze te ontsnappen, om later tot verbazing van

ouder of voogd bij een of ander commando weêr opteduiken. Heel kleine

jongens wisten een rijpaard te bemeesteren—mogelijk te stelen!—en

weenden bitterlijk, toen het dier hun ontnomen en aan oudere en grootere

burgers gegeven werd. In Natal zag ik telkenmale twee kleine zonen van

Erin, geen tien jaar oud, onder het Iersche Corps bij Ladysmith. Zij

waren onopgemerkt in een bagagewagen te Johannesburg geklommen, werd

mij verteld, en later stonden hun vaders (die leden van 't corps

waren) verstomd, toen de kleine snaken als 't ware uit een meelzak te

Zandspruit vielen.

Zes maanden bij de commando's · 第 7 / 79 题