Te Wapen!
Generaal Joubert, de bekende Commandant-Generaal van den Transvaal was
een van de meest vredelievende menschen op den aardbodem. De natuur
heeft hem niet voor een man van ijzer en bloed bestemd, maar de burgers
kozen hem nochtans herhaaldelijk tot Opperbevelhebber. Zijne politiek,
als Lid van het Uitvoerend Gezag, was tevens allesbehalve vijandig
tegen Uitlander of Engelschman. Hij pleitte steeds voor een gematigde,
billijke, sympathieke behandeling van alle kwesties tusschen de oude
en de nieuwe burgers. Den heer Rhodes wantrouwde hij lang voor den
Jameson-Inval reeds, maar hij wanhoopte niet aan de mogelijkheid van
harmonie, samenwerking en vrede tusschen Brit en Boer. Zijn ideaal
mocht hij echter niet verwezenlijkt zien. Integendeel, de groote
Boer-Kampioen voor de Uitlander-zaak werd door een vreemd noodlot
bestemd, om zijn volk tegen Uitlander en Engelschman in den krijg
aantevoeren. Waarlijk: »de mensch mikt, maar God beschikt”! Sedert den
onbezonnen en verraderlijken inval van Dr. Jameson op Transvaalschen
bodem won de _anti_-Engelsche politiek bij den dag veld, en de jongste
presidentsverkiezing was slechter dan eenig vorige voor den Generaal
uitgevallen. De tijden en de winden waren hem inderdaad tegen.
Lang, echter, verzette hij zich tegen de gedachte zelfs, dat er een
oorlog aan de deur van Zuid-Afrika klopte. De gedachte was hem te
onaangenaam, te akelig, te verschrikkelijk. Hij hield de oogen zoolang
mogelijk er van af. Hij hoopte tegen de hoop, lang na alle anderen
alle hoop op vrede hadden vaarwel gezegd. Zijne wensch worstelde met
de werkelijkheid, zijne idealen bekampten zijne overtuigingen.
De Britsche troepen worden nader en steeds nader naar onze grenzen
geschoven. Bij Kimberley vooral zijn zij gevaarlijk dicht bij de
Vrijstaatsche lijn. Een gevoel van angst en onrust trilt door de
Republieken. Men herinnert zich de bange dagen van Jameson. Men
vreest eene herhaling van die geschiedenis—op groote schaal! Allerlei
geruchten vliegen van mond tot mond—zooals in dagen van overspanning en
angst altoos het geval is. Aan kalme redeneering is er, wat de groote
meerderheid der bevolking betreft, een einde, en de algemeene opinie is:
dat de oorlog hoe eerder hoe liever maar beginnen moest.
O! dat waren dagen, zwanger aan groote gebeurtenissen—gebeurtenissen,
die niemand kon beletten, die niemand kon bedwingen. De verstandigste,
gematigdste, meest verlichte en progressieve Transvalers redeneerden
(met enkele uitzonderingen) als volgt:
»Daar de oorlog toch onvermijdelijk is, laat het dan hoe eerder hoe
liever maar tot het uiterste komen. De Engelschen hebben veel belang
er bij om tijd te winnen. Ons eenig voordeel ligt hierin, dat wij
_terstond_ beginnen! Indien wij wachten, zullen wij al de strijdbare
krachten van Engeland te gelijk te bekampen hebben. Nu kunnen wij
ze »bij de kleine maat” beet pakken, eerst de troepen, die reeds in
Zuid-Afrika zijn, daarna de legers, die geland zullen worden. Als wij
bevinden, dat wij tegen White, Baden-Powell en Kekewich niet bestand
zijn, dan kunnen wij het hoofd in den schoot leggen en vrede vragen.
Er is bitter weinig kans voor ons, om het op den duur te winnen, maar
hoe langer wij wachten, hoe kleiner wordt de kleine kans. De strijd
wordt al ongelijker en zwaarder, hoe langer hij wordt vertraagd. »Nu
of nooit”—dat is ons wachtwoord!”
Tegen 't begin van October begonnen de commando's zich te verzamelen
op de grenzen der Zuid-Afrikaansche Republiek. Weken te voren, echter,
begon het Staats-Gymnasium leêg te loopen. Niemand werd opgeroepen,
maar elkeen wilde »op commando” gaan. Geen een werd gecommandeerd, maar
ruim veertien dagen voor den oorlog zat er geen enkele buitenjongen van
zestien en opwaarts op de schoolbanken. Zij hadden hunne ouders per
brief gesmeekt om ook het geweer in de vuist te mogen leggen, en o! hoe
blijde waren zij, wanneer er een gunstig oor aan hun smeeken verleend
werd.
Vroolijke, bezielde jongens! nog zie ik u, een voor een, uit de klas
verdwijnen. Nog hoor ik het »Meneer! ik moet naar huis. Mijn vader zegt,
ik kan ook op commando gaan.” En dan werd er haastig hier en daar met de
hand gegroet en de jongen verdween, door al de achterblijvenden benijd.
Den volgenden morgen werd hetzelfde tooneel herhaald, totdat het
Gymnasium, zoo wat tien dagen voor den oorlog, moest gesloten worden,
omdat er zoo weinig leerlingen waren.
Vroolijke, onbedachtzame jongens! Ik heb meer dan een van u later bij
de commando's ontmoet, nadat gij bij eigene ervaring de beteekenis van
het vreeselijk woord, oorlog, geleerd had. Toen stond er ernst, zoo
wel als levenslust op uw gelaat te lezen. Toen hadt gij mij veel van
gevechten te vertellen, maar niet zonder ‘vreeze en beving’. Toen
waren er weinigen onder u, die geen bloedverwant of vriend onder de
gesneuvelden betreurden.
Vroolijke, dappere jongens! Velen uwer zijn niet meer in het land
der levenden. Ik heb uwe graven gezien bij Dundee en Elandslaagte en
Magersfontein. Uwe teedere beenderen zijn aan de oevers van de Tugela en
de Modderrivier begraven, en over vele andere slagvelden verstrooid. In
't prille uwer jeugd zijt gij afgesneden, gij edele zonen van een edel
geslacht. Gij wordt door menig vader- en moederhart beweend, maar de dag
komt dat uwe dierbaren over u slechts roemen zullen, want gij stierft
voor vaderland en voor volk, en fluistert ons toe van uit het rijk der
dooden:
_Dulce est pro patria mori._
De geestdrift om te velde te trekken was algemeen in de eerste dagen
van October. Alle klassen en standen wedijverden met elkander in
vaderlandsliefde en offervaardigheid. Elk beroep en ambt werd onder
de commando's vertegenwoordigd. Alle talen werden er gehoord. Geen
nationaliteit werd er gemist—zelfs niet de Engelsche, daar er
verscheidene geboren Britten in de Transvaal waren, die van harte met
de republieken sympathiseerden. Welk een tooneel was er dagelijks bij
het spoorwegstation te Pretoria te zien! De Britsche Agent verstomde
zich en zelfs de Transvaalsche Regeering was verbaasd over de wonderbare
eenstemmigheid en de hooge geestdrift die er allerwege geopenbaard
werden. Boeren en ambtenaren, advocaten en procureurs, winkeliers en
agenten, schoolmeesters en klerken, pennelikkers en ellenridders—zij
waren allen met één geest vervuld; zij snelden allen naar de grenzen
van hun geboorteland of aangenomen vaderland; zij gevoelden zich allen
bereid en gewillig, om voor een vrije Transvaal te vechten en, zoo
noodig, te vallen. Velen hunner waren lange jaren Britsche onderdanen
geweest; sommigen hadden den grootsten eerbied voor Engelands
geschiedenis en instellingen; allen wisten zij echter, even als elk ware
Brit of Rus, Duitscher of Franschman of Japanner het weet: _dat het veel
beter en edeler is om een vrij, dan om een onderworpen volk te zijn_.
»Gaat _gij_ ook tegen de Engelschen vechten, indien het tot een oorlog
komt?”—de vraag werd mij op straat door mijn Engelschen collega gedaan.
»Wel stellig”—was mijn antwoord. »Er bestaat bij mij geen kwestie in
deze.”
Hij stond stil en zag mij aan, om te zien of ik het werkelijk meende.
Toen vervolgde hij:
»Ik verbaas mij, hoe jullie _Koloniale_ kerels zoo kunt spreken. 't Is
mij een raadsel!”
De uitleg ligt echter voor de hand. Het raadsel is gemakkelijk op te
lossen. Ziet! de liberale kieswet, pas door den Volksraad aangenomen,
had ons allen met de Regeering van den Transvaal geheel en al verzoend.
Wij waren tevreden met »Zeven Jaren” verblijf in 't land, als voorwaarde
van burgerschap. Het hardnekkig vastklemmen aan de leuze: »Vijf Jaar!
Niets minder dan dat”—scheen ons, op zijn zachtst gezegd, eene
kleingeestige openbaring van Engelsche verwaandheid en verachting van
andersdenkenden. De oude Transvalers hadden onze bewondering en liefde
gewonnen, door de zware offers die zij ter wille van den lieven vrede
brachten. De Imperiale Regeering had onze verbazing en ons wantrouwen
opgewekt, door haar zoogenaamde »gewapende pressie” om inwendige
veranderingen in de Republiek te verkrijgen. De steeds klimmende
eischen van den heer Chamberlain vermeerderden onze sympathie met onze
conservatieve Regeering en Volksraadsleden. De valsche beschuldiging
omtrent een zoogenaamd »Hollandsch-Afrikaansch Komplot tegen Britsche
Heerschappij in Zuid-Afrika” droeg ook zeer veel bij om ons met
verontwaardiging tegenover de »nieuwe methoden” van Imperiale
Staatslieden te vervullen, terwijl de lage lasterlijke scheldwoorden
tegen de voornaamste Hollandsch-sprekende Transvalers, Vrijstaters en
Kolonisten geslingerd, ons met verontwaardiging en toorn bezielden. Ons
algemeen menschelijk gevoel, ons rechtsgevoel, zoowel als ons nationaal
gevoel smolten ons met de Transvalers en Vrijstaters samen. Het gold
niet een _zekere_ regeering, maar een _eigene_ regeering, die op
onrechtvaardige wijze bedreigd werd. Het was geen despotisme of
oligarchie meer, die men wilde omverwerpen, maar een vrij volk, dat
men aan banden wilde leggen. Vooral was het ons duidelijk, dat het om
geen kiesrecht te doen was maar om den val van het Afrikaanderdom.
De twist was niet aanvaard om Britsche onderdanen te Johannesburg in
Republikeinen te veranderen, _maar om geheel Zuid-Afrika onder de
Engelsche vlag te brengen en alle Afrikaanders in Zuid-Afrika tot
Britten te herscheppen_.
Zoo dachten, zoo gevoelden wij althans, en elkeen onzer, die een
greintje eergevoel had, riep terstond uit: »Ik heb geene keuze. Ik
werp mijn lot in met de Republieken, en dat wel van heeler harte.”
Daarbij kan nog gevoegd, dat wij als volle of genaturaliseerde burgers
door onzen eed _verplicht_ waren, om onze Regeering loyaal in de ure
van gevaar te steunen—maar in die onvergetelijke dagen van ridderlijke
opgewondenheid was de geest, die ons bezielde, zóó warm, zóó gloeiend,
zóó vrij, dat het koude woord »plicht” zich vooreerst niet behoefde te
doen gelden.
De Hollanders gedroegen zich flink. Een sterk corps werd er
georganiseerd en van de voornaamsten en invloedrijksten sloten zich
_vrijwillig_ erbij aan. In deze waren zij alle andere genaturaliseerde
burgers ten voorbeeld. Zij togen ten strijde, niet slechts omdat zij
veel aan de Regeering te danken hadden, maar omdat zij zich ten nauwste
aan het Transvaalsche volk verbonden gevoelden en ook van ouds af aan
»menig appeltje” met Engeland »te schillen” hadden.
Vele Ieren kwamen zich ook met geestdrift aanbieden, om tegen Engeland
de wapenen optenemen. Ook _zij_ hadden vele bittere geschiedkundige
herinneringen, die ze in deze aanspoorden. Ook _zij_ wisten van
onrechtvaardige behandeling en van onderdrukking van den zwakke door
den sterkere te spreken. Ook _zij_ behoorden tot eene natie, die
naar vrijheid dorstte, maar onder de »beschermende vleugelen” van 't
Imperialisme aan 't verkwijnen en uitsterven was. Geen wonder dus, dat
zoo vele vurige zonen van Erin zich bij de bedaarde Boeren aansloten.
Zij hielpen mede, niet omdat zij _onze_ Regeering lief hadden, maar
omdat zij de Imperiale Regeering haatten.
Ook een Duitsch Corps werd er op de been gebracht, de Scandinaviërs van
Johannesburg volgden weldra hun voorbeeld, terwijl een aanzienlijk getal
Italianen en zelfs eenige Franschen ook »op commando” gingen.
In die eerste dagen van schoone enthousiasme en edele offervaardigheid
werd de _eenheid_ der Transvalers vooral treffend geopenbaard. Alle
verdeeldheid was terstond uit de wereld verdwenen. Elke grieve tegen de
Regeering was vergeten; elk vermeend onrecht vergeven. Alle partijgevoel
ontplooide zich tot nationaal-gevoel. Conservatieven, progressieven,
regeeringsmannen, opgevoeden en ongeletterden, godsdienstigen van
alle gezindten en ongodsdienstigen van welke kleur ook—allen toonden
zich één volk te zijn. Ja, mannen boven de zestig wedijverden in die
onvergetelijk-schoone dagen der »eerste liefde” voor land en volk met
jongens beneden de zestien, in ijver en ongeduld om de vierkleur te gaan
verdedigen. Eén machtige polsslag trilde er door het gansche land—
Bliss was it in that dawn to be alive,
But to be young was very Heaven.
(WORDSWORTH).
Een typisch verhaal uit die dagen verdient aan de vergetelheid ontrukt
te worden. Een gymnasiast van zoo wat zestien zomers, wiens vader erop
tegen was, dat hij zich vrijwillig bij een of ander commando zou voegen,
besloot zijn eigen weg naar het front te vinden. Op de eene of andere
wijze wist hij een Mauser-geweer en bandelier in handen te krijgen en,
aldus gewapend, liep onze jonge burger op 'n avond naar het station te
Pretoria. Ongelukkig voor den jongen Orlando Furioso, zou er geen trein
naar de Natalsche grens vóór den volgenden morgen vertrekken. Dit wist
onze vriend echter niet en, daar de chef hem dikwijls gezien had en
zijn vader goed kende, ontbrak hem den moed om te veel nieuwsgierigheid
omtrent den treindienst aan den dag te leggen. In een groote overjas
gehuld en met het hoofd in een ruimen hoed gedoken, stapte hij heen
en weer op het perron als een soldaat op de wacht.... Het sloeg tien
uur—en geen trein vertrok naar het zuiden! Twaalf uur—nog geen kans
om weg te komen! Hé, wat nu gedaan? Naar huis gaan? Néén, hij was
reeds te ver gegaan en vreesde zijn vader te ontmoeten. Op en af, op
en af stapte de _would-be_ soldaat ongeduldig en radeloos. Wanneer
gaat er toch een trein? Het sloeg één uur. »Lieve hemel, wat moet ik
beginnen?”—dacht de kleine vuur-eter. »Hoe kom ik weg? Hoe kom ik naar
huis? Heer! waar dan heen?”
Ongeveer twee uur in den nacht kwam de beangste vader bij het station
aangevlogen. »Hebt je ook misschien mijn zoontje hier gisteren avond
gezien?” vroeg hij den stationschef vervaard en buiten adem. »Overal
rond bij zijn speelmakkers heb te vergeefs naar de ondeugd gezocht.
Zeg mij toch, was hij niet misschien op het perron in den nacht?”
De chef liet zijne gedachten gaan en na een korte pauze viel het hem
te binnen, dat hij een jongen meer dan eens op het perron bemerkt had.
Mogelijk was _dat_ het mannetje, dat absent was zonder verlof! Hij uitte
eenige woorden in dien zin en—eenige seconden later werd de kwâjongen
levensgroot door zijn eigen vader ontdekt!
Het beste deel van de grap kwam echter eerst later voor den dag.
De kleine deugniet wist het heel spoedig met vader in orde te
krijgen,—vooral toen de moeder van blijdschap over den terugkeer van
haar verloren zoon in tranen uitbarstte. Hij had echter een speelmaat in
zijn vertrouwen genomen en, zelf aan alle gevaar van straf zoo heerlijk
ontkomen, besloot hij zijn onschuldigen vriend een prettige poets te
bakken. Die trouwe medeplichtige had hem plechtig beloofd, om vroeg op
den morgen na zijne vlucht het heele geheim aan zijn ouders te komen
bekend maken. Daar kwam hij ook werkelijk aangestapt, tot barstens toe
vol van de gewichtige tijding, die hem als lood op het gemoed drukte.
De held van ons verhaal bevond zich toen juist in den tuin vóór de
ouderlijke woning, in 't gezelschap van zijn verzoenden en verheugden
vader. Ongemerkt verdween hij achter een boom, zonder een woord te
spreken. Alzoo hoorde hij, hoe zijn boezemvriend het pijnlijke nieuws
omtrent zijne ontvluchting naar de commando's met bevende stem bekend
stelde, met de hoop eindigende, dat de vader den weglooper toch
zou vergeven, daar hij stellig met roem beladen naar huis zou
terugkeeren!—Ha! Ha! Ha! schaterde ons levendig ventje het meteen uit,
terwijl hij te voorschijn kwam en zijn verlegen vriend de hand drukte.
De wakkere, levendige jongen kreeg later toch zijn zin. Hij ging naar
Ladysmith, met goedkeuring zijner ouders, en gedroeg zich bijzonder knap
in menig gevecht, zonder iemands verlof daartoe te vragen.
Zulke en dergelijke gevallen kwamen er dikwijls in die tijden voor.
Schoolknaapjes van twaalf en dertien sprongen binnen in de wagens,
op opene »trucks” staande, gereed om met de burgers naar het front te
gaan. Sommige werden ontdekt en moesten weêr naar de schoolbanken terug;
enkelen wisten op die wijze te ontsnappen, om later tot verbazing van
ouder of voogd bij een of ander commando weêr opteduiken. Heel kleine
jongens wisten een rijpaard te bemeesteren—mogelijk te stelen!—en
weenden bitterlijk, toen het dier hun ontnomen en aan oudere en grootere
burgers gegeven werd. In Natal zag ik telkenmale twee kleine zonen van
Erin, geen tien jaar oud, onder het Iersche Corps bij Ladysmith. Zij
waren onopgemerkt in een bagagewagen te Johannesburg geklommen, werd
mij verteld, en later stonden hun vaders (die leden van 't corps
waren) verstomd, toen de kleine snaken als 't ware uit een meelzak te
Zandspruit vielen.