De volgende bladzijden zijn tijdens den oorlog te Pretoria begonnen en
te Oudtshoorn verder voortgezet. Zij zijn niet geschreven, om de eene of
andere geliefkoosde stelling, in verband met de groote Zuid-Afrikaansche
worsteling, te verdedigen of te wederleggen. Aan de critiek en de
politiek heb ik mij zooveel mogelijk onthouden. Ik heb slechts willen
verhalen, uit een en ander door mij gezien en ondervonden, gedacht en
gevoeld gedurende de eerste negen maanden van den strijd, waaraan ook
ik, als Transvaalsche burger, heb deelgenomen. Met verstand en geweten,
zoowel als met hart en bloed, sta ik aan de zijde der Republikeinen.
Ik maak derhalve geene aanspraak op de schoon-klinkende, maar voor de
meeste menschen onmogelijke onpartijdigheid. Daarbij echter, heb ik
mijne oogen niet willens en wetens voor het goede en het edele in de
tegenpartij gesloten. De klove tusschen de twee groote blanke rassen
van ons land is reeds zóó groot, en eene mannelijke verzoening en
samenwerking tusschen die beide is zóó noodzakelijk voor de stoffelijke,
intellectuëele, zedelijke en godsdienstige welvaart van Zuid-Afrika, dat
het de plicht van elken waren patriot is, om zoo veel mogelijk die klove
te dempen en de gewenschte harmonie te bevorderen. Zelfs Sir Alfred
Milner—die, onzes inziens, in vele opzichten »de teekenen der tijden”
in ons zuidhoek verkeerdelijk gelezen heeft—heeft moeten erkennen, dat
het heil van Zuid-Afrika in de wederkeerige achting der Hollandsche en
Engelsche bevolking voor elkander gelegen is. Daartoe heb ik ook het
mijne willen bijdragen, door de eenvoudige en ongekunstelde waarheid en
werkelijkheid, zoo als die aan mij duidelijk geworden zijn, zonder vrees
of gunst—maar niet zonder liefde, en gastvrijheid van geest—bekend te
maken.