Of het vervullen der avondbeurt door dominé Roestink de meerderheid
der E....sche gemeente stichtte dan wel ontstemde, ergernis gaf of
voldoening, zal door ons niet nagespoord worden. Het is ons voornemen
niet de opkomende geloofsverdeeldheid van dat tijdperk te schetsen
in eene vertelling als deze; de stof zou zeker belangrijk genoeg
zijn, vooral als zij gecompleteerd werd door eene voorstelling der
vervolgingen onder 't vaderlijk bestuur van Koning Willem I tegen
de afgescheidenen ingesteld op aandrijving der Synode; vervolgingen
waarvan wij, levende onder het régime der volstrekte ongebondenheid
in de Gereformeerde Kerk, ons nauwelijks een denkbeeld kunnen vormen;
maar wij hebben een ander doel op het oog en zoo wij de vermoedelijke
richting van Dr. Roestink even hebben geïndiceerd, is het alleen
geweest om zijne persoonlijkheid eenigszins scherper om te trekken en
zijne verhouding tot collega Willems daardoor te meer aanschouwelijk
te maken.
Dit alleen kunnen wij van den jongen predikant getuigen, dat hij
dien avond sprak omdat hij wat te zeggen had, omdat hij zelf het
eerst overtuigd was van 't geen hij anderen zocht aan te bevelen,
wat natuurlijk moest medewerken om zijne toespraak die zekere
welsprekendheid te geven, die tot in de harten doordringt als een
snijdend zwaard en er de levensdeelen raakt. En dit verschil met
den zoetvoerigen, breedsprakigen, goelijk gemoedelijken, maar in
de oppervlakkigheid wegdrijvenden preektoon van Willems moest als
vanzelve scheiding maken tusschen het gevoelen der hoorders. Wie
gewoon waren zich door den laatsten zoetelijk te laten inwiegelen,
voelden zich zeker onaangenaam wakker geschud, geprikkeld, verbitterd,
ontstemd, maar toch huns ondanks gedwongen om even wakker te blijven
en na te denken. Hoe zij dit nadenken gebruikten, of het alleen was
om den rustverstoorder te beschuldigen en te hekelen, dan wel om met
zekere ongewenschte ontdekkingen hunne winst te doen, dat is niet
aan ons om uit te maken.
Roestink zelf had wellicht later gelegenheid om zijne waarnemingen te
doen, maar hij was niet de man om zulke zegenpralen uit te trompetten
en de rustliefde van Willems vond er hare rekening bij, dat de
scheuring die er mogelijk bij een afrukken van zekeren blinddoek had
kunnen ontstaan, beloken werd door den ruimen mantel der liefde,
wier banen hij zoo wijd mogelijk ontplooide om er alle spleten en
gaten mee te bedekken, in den waan dat verholen zijn en geheeld zijn
synoniem was!
Hij zelf had zich dien avond »wat onpasselijk gevoeld" en was dus maar
niet onder 't gehoor van Roestink gekomen. Zijne wederhelft daarentegen
had _acte de présence_ gedaan, had voor twee geluisterd en zich voor
drie geërgerd, »daar was tegen haar man gepreekt," dat liet zij zich
niet ontzeggen, maar tevergeefs trachtte zij die overtuiging en hare
ergernis in den boezem van haar echtgenoot over te storten.
»Gij zult verkeerd verstaan hebben, lieve!" was zijne onveranderlijke
uitspraak, »zoo iets zou Roestink nooit zeggen, althans van mij
niet," en inderdaad daar was in hare teruggave van het gehoorde
genoeg verwarring en onjuistheid om hem in dezen het recht te geven
Oost-Indisch doof te zijn, en zich buiten de kwestie te houden.
»Het zou wel zoo erg niet gemeend zijn als Santje het voorstelde,
en dat Roestink voor zijne opinie uitkwam op den stoel kon niemand
hem kwalijk nemen." Meer hinderde het hem, dat er reeds eenige dagen
na den bewusten avond verloopen waren zonder dat hij bericht kreeg
van het ingestelde onderzoek bij vrouw Snibs en zoon. Eindelijk
kreeg hij Zaterdagsavonds een kort en naar het hem voorkwam wat
strak briefje, waarin Roestink meldde, dat hij nog niet in staat was
voldoende ophelderingen te geven omtrent de bewuste zaak, dat hij
desniettemin wel moed had op een eindelijk gunstig resultaat, maar
dat hij collega raadde geduld te oefenen en zich zelf niet verder met
onderzoek te vermoeien bij zijne catechisanten, daar hij, dus doende,
hen in verzoeking zou brengen om listen en uitvluchten te bedenken
tot schade van hunne consciëntie.
Dit bericht was verre van bevredigend en Willems was er dan ook
zeer ontevreden over. Nu eens verdacht hij Roestink van geheime
samenspanning met de Snibs die nu zijne cliënten waren geworden, dan
weer van onvruchtbare bemoeizucht die zich den schijn gaf veel te
zullen doen terwijl zij niets teweegbracht. Hij durfde zijne vrouw
zelfs geene deelgenoote maken van dit briefje, uit vreeze door haar
gedreven te worden om eene nadere opheldering te vragen aan Roestink
zelf, die hij liefst nu vermeed hoe meer hij in 't geheim tegen hem
verbitterd was, uit zeker opzien tegen »onmoeite," die intusschen
verre was van wezenlijke zucht tot vrede. Hij hoopte wel dat Sanne niet
vragen zou als hij zelf zweeg, het was toch immers eene zaak die haar
eigenlijk niet schelen kon. Van Zaterdag tot Zondag deze belangrijke
vraagstukken met zich zelven overwegend, kwam hij ten laatste tot
het besluit om toch maar den raad van Roestink te volgen en aan zijne
catechisanten geene vragen te doen die hen òf tot verklikkers òf tot
leugenaars zouden maken. Hij verkropte dus zijn leed en zweeg. Ééne
wraakoefening moest hij zich gunnen, hij nam alle teekeningen uit
de catechisatiekamer weg als een zwijgend verwijt aan den pleger van
het feit, als een sprekend bewijs van zijn rechtmatig wantrouwen. Dat
het meerendeel der leerlingen zich door dit gemis pijnlijk getroffen
voelden, zouden wij niet durven verzekeren, wel dat het niemands
aandacht ontging, en bovenal dat ieder voor zich en allen gezamenlijk
de opmerking maakten, dat dominé erg uit zijn humeur was en dat hij
onder anderen Frits Millioen, die anders nogal een potje breken mocht,
ditmaal zoo knorrig aangekeken had, als hij eene vraag tot hem richtte,
dat de arme jongen al was hij nog zoo'n hachje, er verlegen onder
werd en zulke verwarde antwoorden gaf of hij verkeerd apropos speelde;
daarbij bleef het echter van dominé's zijde, en van die der leerlingen
lekte er niets uit. Roestink liet verder ook niets van zich hooren
en Willems vermeed hem opzettelijk; maar zijn innerlijke wrok, zijn
verborgen leed nam toe in die mate, dat zijne gewone opgeruimdheid
voor diepe neerslachtigheid plaats maakte; hij verloor den eetlust,
zijn slaap werd ongeregeld, het pijpje zelfs smaakte hem niet meer;
gelukkig dat juffrouw Willems juist in die dagen een aanvang maakte
met het zoogenaamde herfststoffen," eene herhaling in verzachten graad
van de »groote schoonmaak," hetgeen haar genoeg bezigheid gaf en te
zeer preoccupeerde om oogen te hebben voor haars echtgenoots sombere
zielsstemming daarbij te lichter voor haar verborgen, daar deze,
staande het tijdperk van zulk eene reinigings-kuur zich meestal als
Ajax onder zijne tent, in de studeerkamer terugtrok en overigens zoo
zacht en haast zoo onzichtbaar als een schim door het huis sloop om
geen oogenblik aanstoot te geven noch te lijden!
Daar meldde zich op een voormiddag, terwijl juist de beurt was aan de
groote huiskamer en de juffrouw zoo maar staandevoets met haar oude
Antje een kopje koffie dronk in de keuken, en dominé zijn twaalf
uurtje boven kreeg--daar meldde zich dominé Roestink aan om zijn
collega te spreken.
Groote desperatie van huisvrouw en dienstbode; de bezoeker moest een
gang door die met stoelen en tapijten als gebarricadeerd was, en een
trap op die nog niet eens was »gedaan," zooals Antje met leedwezen
bekende, maar hij moest worden toegelaten, daar was niets tegen
te doen. En de jonge predikant even glimlachend over de ontzetting
van Antje, stapte onbekommerd over alle hindernissen heen, scheen
zich volstrekt niet te ergeren aan een »ongedanen" trap en trad bij
collega binnen die de deur al vast wijd open hield en die, zich zelf
niet meer meester, hem verwelkomde met de vraag:
»Welnu, welnu! zoo weet gij toch wat, anders zoudt gij niet zijn
gekomen?"
»Om de waarheid te zeggen, ik kom eigenlijk om iets van u te weten."
»Dus nog altijd niets van de teekening, nog altijd geene zekerheid wie
't gedaan heeft?"
»Mijn waardige vriend bedwing nog eene wijle uw ongeduld en laat die
vragen rusten. Geloof mij dat zal wel terechtkomen, maar ik heb nu
noodig om over iets anders te spreken, ik zou zoo graag het naaste
weten van dien zoogenaamden Frits Millioen."
»Ga zitten, collega!"
»Ik ben niet ongezind u de beloofde inlichtingen te geven, maar iets
moet gij mij vooraf verzekeren of.... ik.... ik zou niet ten volle
oprecht kunnen zijn."
»Welke verzekering verlangt gij?"
»Deze, dat die Frits mijn Judas niet is."
»Uw Judas, in welken zin?"
»Niet de verrader, de dief, die mijne teekening...." de stem stokte,
tranen blonken den goeden man in de oogen.
»Ik geef er u de hand op, mijn vriend! dat de knaap in dezen zin rein
is van alle schuld tegen u."
»Nu, Gode zij gedankt! Weet gij, ik heb van den jongen gehouden,
hij was zoo levendig, zoo vlug, zoo dienstvaardig, en dan te moeten
denken, dat hij tot zulk een slechte streek bekwaam was. Het hinderde
mij geweldig, meer dan ik zeggen kan, meer dan het verlies van de
geheele teekening."
»Nu wees dan getroost; zoo hij eenige schuld heeft, is het zeker
deze niet."
»Zoo is het dan toch Piet Snibs?"
»Eilieve collega! dat is tegen de overeenkomst," viel Roestink in,
»ik laat me zoo niet bij verrassing overvleugelen."
»Dat is uw recht, maar toch zult gij mij wel rondborstig willen
antwoorden op eene vraag, die buiten de kwestie omgaat."
»Wat wilt gij weten?"
»Of gij nu voort kunt komen met dien dommen jongen?"
»Piet Snibs is zoo dom niet, hij is zelfs zeer slim en gevat als hij
maar eens iets begrijpt."
»Precies! hij is sluw en heeft ze achter den mouw."
»Daar zal wel iets van aan zijn, vreeze ik, bovenal is hij schuw
en gedrukt, maar dat alles is niet te verwonderen, hij heeft zulk
eene erbarmelijke opvoeding gehad--als men opvoeding noemen mag,
een opgroeien tusschen duwen en stooten in, zonder eenige zedelijke
vorming van geest en hart."
»Wat vertelt gij mij nu! Die vrouw Snibs, die voor vroom wil doorgaan,
die mij met bijbelteksten de les komt lezen; die zal zeker den
huiselijken godsdienst wel niet verzuimen."
»Dat vertrouw ik met u, Piet zal wel in de gelegenheid zijn dagelijks
een kapittel te hooren of te moeten voorlezen en menige preek daarbij;
maar wat zegt huiselijke godsdienst zonder heiligen zin, zonder dat men
handel en wandel daarnaar regelt. Als Piet zijne moeder de vroomheid
ziet aannemen en afleggen als een zondagspak, als hij haar met teksten
hoort schermen terwijl zij hem ruwe en onbillijke verwijten doet en
klappen uitdeelt in hare onbeteugelde drift, of hare klanten bedriegt
voor zijne oogen op den eigen dag dat zij samen gehoord hebben hoe
eene bedriegelijke weegschaal den Heere een gruwel is, dan verliezen
de uitspraken der Schrift voor hem hunne beteekenis, of erger, ze
worden hem valsche munt, waarmee hij op zijne beurt zal betalen,
zoo niet onder Gods voorzienige leiding gunstige omstandigheden
dezen schadelijken invloed komt veronzijdigen. Dan genoeg, gij hebt
mij uitgelokt over Piet te spreken, terwijl gij mij de geschiedenis
schuldig zijt waaraan Frits Millioen zijn schitterenden bijnaam heeft
te danken, die echter, naar ik hoor, op hem steeds de uitwerking doet
eener snijdende ironie."
»Ja, hij wordt er altijd boos over als hij dien hoort, nu dat is
niet te verwonderen. Luister! Maar gun me eerst eene versche pijp
te stoppen."