De begroeting tusschen de collega's was niet zoo joviaal en hartelijk
als zij dat van elkaar gewoon waren. Roestink was niet in de stemming
om ditmaal met zijn »ambtsbroeder" de banaliteiten te wisselen,
die gemeenlijk het fonds van hunne conversatie uitmaakten, daar de
goelijke man te laag stond in zijne schatting, om over belangrijke
onderwerpen ernstige discussies met hem aan te vangen, en hij hem
tevens te veel hart toedroeg, om hem door tegenspraak te verbitteren
of te krenken; hij ware hem dus heden liefst ontgaan, en dat gaf aan
zijne houding iets gedwongens, terwijl Willems nog onder den slag
van zijn onverklaarbaar verlies kennelijk worstelde met de zucht,
om vriendelijk en voorkomend te zijn te midden zijner gedruktheid.
»Wel, collega! daar doet gij goed aan; blijf je een pijp rooken:
twaalf blaadjes, hè?"
»Dank-je, vriend! ik...."
»'t Is waar ook, gij rookt niet; nu dan, vrouwlief, maak den theeboel
aan kant, Roestink zal wel een glas wijn met mij willen drinken."
»Verschoon me ditmaal, ik heb mijn bezoek reeds te lang gemaakt,"
hernam Roestink wat strak, en onwillekeurig naar juffrouw Willems
heenziende, die nog haar breiwerk niet had opgevat, dat zij van
verbazing in haar schoot had laten vallen.
»Ja! ja! als men met mijn vrouwtje aan de praat raakt, is een uurtje
om eer men 't weet," hernam Willems met eene poging tot scherts,
die zeer weinig bijval vond.
Sanne kneep de lippen samen, en snoot nog eens de kaarsen, _par manière
de contenance_. Roestink scheen met strakke aandacht de drie kanten
van zijn hoed te bezichtigen.
»Gijlieden hebt toch niets samen gehad?" vroeg Willems, getroffen
over dat zwijgen en hen beurtelings aanziende.
»_Ik_ weet althans geene oorzaak gegeven te hebben," viel juffrouw
Willems uit; »dominé Roestink had het over de _recensies_,
en.... en...."
»Ik kwam informeeren naar Pieter Snibs," viel Roestink in, ras het
woord nemende; »ik wilde weten waarom gij hem wegzond vóór ik hem nam."
»En toen heb ik als vanzelf spreekt, het geval met de teekening
verteld, en toen, hoe het bijgekomen is weet ik niet recht, maar het
eene woord haalde het andere uit, toen kwam dominé Roestink op...."
»Ja! och ja! dát's een onaangenaam geval van die teekening," viel
Willems in, tot Roestink gewend, om den vloed van zijn vrouws woorden
te breken, waarvan hij niets goeds duchtte, en tegelijk verheugd dat
hij zijne innerlijke kwelling lucht kon geven, »en het verdrietigste
van alles is nog, dat ik er niet achter kan komen, wàt er eigenlijk
gebeurd is, en wie het gedaan heeft; den ganschen namiddag heb ik
rondgeloopen bij de ouders der leerlingen, die in 't laatste leeruur
hier waren. Welnu, 't is alles vergeefs; ze vinden het allen heel erg,
het spijt hen, dat er zoo iets is voorgevallen; maar niemand schijnt
iets van de zaak te weten, ze helpen mij ten minste meer van den weg
af dan er op: de welwillendsten vragen mij waarmee ze mij pleizier
kunnen doen, om het verlorene te vergoeden. Weet-je Sanne? dat vroeg
de tante van Dientje Verburg; mijnheer zelf was niet thuis."
»En wat zei vrouw Snibs?" vroeg Roestink levendig, en zijne groote
zwarte oogen uitvorschend op hem richtende.
»Vrouw Snibs!" herhaalde de goede Willems, verrast en getroffen of hij
zelf van een misdrijf overtuigd werd; »om u de waarheid te zeggen, bij
vrouw Snibs ben ik niet geweest, ik had daartoe eigenlijk zoo geene
aanleiding, en.... en...." Hij zweeg, tot over de ooren kleurend,
want hij voelde wel dat hij struikelen ging over zijne eigene woorden.
»Nu, goed papa Willems! dan zal ik dat wel voor u waarnemen," hernam
Roestink, met moeite een glimlach bedwingende over de flauwheid
en menschenvrees van den man, die een beroep had aanvaard, waarbij
zedelijke moed een der eerste vereischten was. »Ik zal vrouw Snibs en
haar zoon in scherp verhoor nemen, en de zaak tot helderheid brengen,
dat beloof ik u."
»Wil-je dat voor mij doen?" riep Willems, als verruimd en zijne
hand drukkende.
»Wel zeker, wil ik. En nu nog ééne vraag," hervatte Roestink, »hecht
gij aan uwe Woensdag-avondbeurt voor deze week?"
»Hechten.... hm.... hechten, ik ben er natuurlijk op gesteld de
plichten van mijn ambt niet te verzuimen, maar om de waarheid te
zeggen, ik heb mij nog niet tot eigenlijke studie daartoe kunnen
zetten, en nu die onaangename historie mij door het hoofd maalt...."
»Voelt gij u ongeschikt om met hart en ziel bij 't werk te zijn, dat
begrijp ik; zoo biede ik mij aan om de beurt voor u over te nemen; ik
heb juist wat op 't gemoed, dat ik der gemeente wensch voor te houden."
»Nu, als gij om zoo te spreken uw schets al klaar hebt, dan doet ge
er mij een grooten dienst mee, ik wil het niet ontkennen."
»Daarbij blijft het dan. En zie, daar valt me iets in; ik schijn van
avond wel niet te kunnen scheiden, nu moet ik u nog eene inlichting
vragen, die mij haast vergeten was; het betreft mede een uwer
catechisanten, zekeren Frits Rosemeijer."
»Frits Millioen bijgenaamd, wat hebt gij daarmee uitstaande?"
»Is die hier ook al niet meer tevreden!" verzuchtte juffrouw Willems
halfluid en met ergernis.
Roestink zag haar even glimlachend aan. »Wees gerust, juffrouw! _ik_
persoonlijk heb niets met hem te maken, maar mijn zwager is hier,
zooals gijlieden mogelijk gehoord zult hebben, tot rijks-ontvanger
aangesteld en verlangt een jong klerkje, dat hem eenige handreiking
kan doen; genoemde Frederik Rosemeijer heeft zich aangemeld, zijne
bekwaamheden schijnen voldoende, maar bij een post als dien van
mijn zwager zijn eerlijkheid en accuratesse onmisbare voorwaarden,
de jonkman dien wij niet kennen, heeft zich op u beroepen als die
voor zijne moraliteit zou willen getuigen; wat zegt gij van hem,
is hij betrouwbaar, kan mijn zwager hem nemen?"
»Wel zeker! wel zeker! laat hij dat doen, 't is een beste jongen
waar hij pleizier van zal hebben, wat jolig, wat levendig, ook nog
wel wat jong naar 't mij voorkomt, maar toch...."
»Hij is de zestien gepasseerd, en al is 't jammer voor hem zelf,
de levendigheid en de jool gaan er wel af als zoo'n arme jongen uren
lang voor een lessenaar moet zitten tusschen de vier muren van een
kantoor. Maar waarom geeft iedereen hem toch dien bijnaam op zulke
wijze, dat ik hier en daar onder zijn waren naam van hem sprekende,
niet werd verstaan."
»Ja, mijn waarde! dat's een lange en droeve geschiedenis, die al van
zijn vader dagteekent. Als ik je die vertellen zal, moet gij mij het
avondje schenken."
»Dan is het beter dat ik mijne nieuwsgierigheid bedwing en op een
anderen keer eens bij u kom aankloppen. Ik moet nu naar vrouw Snibs,
en gij begrijpt mij: als ik preeken zal, heb ik mij toch ook voor
te bereiden!"
Willems had geen voegzaam argument om hem tegen te houden en zijne
wederhelft slaakte een zucht van verlichting, toen de _fâcheux
troisième_ was heengegaan. Die man verwekte bij haar in gelijke mate
ontzag en ergernis.
»Dat trof nu al wonderlijk dat ik heden juist getuigenis moest
geven van Frits," sprak Willems zijne gade wat aarzelend en onrustig
aanziende, toen zij alleen waren.
»Hoe zoo! dat kondt gij toch in gemoede doen. Frits is immers een
beste, eerlijke jongen?"
»Daarvoor heb ik hem tot heden toe ten minste gehouden, maar toch
zonderling inderdaad."
»Welnu! wat is zonderling? Gij maakt mij nieuwsgierig met al die
twijfelachtige uitdrukkingen."
»In één woord, ik heb nu suspicie gekregen dat Frits...."
»De teekening zou gestolen hebben? Dát geloof ik nooit."
»Hola vrouwtje, zoo ras moet je niet doorhollen, maar ik kan 't niet
helpen, de manier waarop Dientje's tante sprak, heeft mij op het
denkbeeld gebracht, dat Frits althans medeplichtig is aan 't gebeurde."
»En waarom dan aan Roestink niet ronduit de waarheid gezegd?"
»De waarheid? Het kon er wel gansch bezijden zijn; het is niets dan
een vermoeden."
»En als de heer van Hogenstein hem nu op het kantoor neemt op uwe
getuigenis, en als het daar bleek dat hij niet eerlijk was?"
»O! als hij meegedaan heeft zal het nu wel uitkomen, daar Roestink
zich met de zaak bemoeit, en dan springt het plan met het kantoor
vanzelf af, en als hij onschuldig is, dan zou ik niet graag door
eene voorbarige beschuldiging oorzaak wezen dat men twijfelachtig
over hem dacht en dat hij voor 't hoofd werd gestooten."
Juffrouw Willems was het niet geheel met hem eens, maar daar zij
haast had haar hart over Roestink lucht te geven, bestreed zij dit
punt niet verder.