Met loffelijke getrouwheid hield dominé ook met de knapen een vol
uur catechisatie, maar was ook toch zeker zelf niet minder in zijn
schik dan zijne leerlingen, toen hij ook dezen hun afscheid kon geven,
na eene korte vermaning om zich toch wat behoorlijk te gedragen bij
het heengaan!
Of zij diep ter harte werd genomen is twijfelachtig, maar het
was de laatste leering voor dien dag, botsing tusschen komenden en
gaanden kon er dus niet ontstaan en de jongens gingen minder woest en
jolig uiteen dan ze gekomen waren, enkelen zelfs, de allerlaatsten,
slopen druiloorig door de gang onder een gedempt knorrend gemompel,
dat alleen maar de poes van de juffrouw deed opschrikken, die zich,
voor haar zelve zeer ten ontijde, in de gang had gewaagd.
Dominé was als altijd de eerste geweest om de muffe catechisatiekamer
den rug toe te wenden en zijn vroolijk, luchtig studeervertrek op
te zoeken. Voldaan met de betrekkelijke kalmte, naar zijn gevoelen
door zijne krachtige allocutie veroverd, en met het genoegelijke
vooruitzicht van eenige uren vrijen tijd, liet hij zich in zijn
gemakkelijken armstoel neervallen, en zat eene wijle mijmerend neer
zonder eene pen op te nemen of een boek in te zien. Maar welhaast
scheen hij zich zelf dat toegeven aan het zoete _far niente_ te
verwijten; met zekeren schrik hief hij zich op, halfluid mompelend:
»Hm ja! de woensdagspreek! van de liefhebberij kan weer niets
komen. Van avond rekent Sanne op mij, morgenochtend weer twee
catechisaties, het gaat niet, ik moet op mijn tekst denken!" en
gehoorzamend aan de inspraak van zijn plichtgevoel nam hij plaats
aan zijne schrijftafel, trok met zekere lusteloosheid een foliant
naar zich toe, die bij 't openslaan bleek een Statenbijbel te zijn,
bladerde daarin eenige oogenblikken met zichtbare onbeslistheid
waar hij eigenlijk wezen wilde, en schoof dien daarna met een
verdrietelijk voorhoofdsrimpelen ter zijde, weer zich lucht gevend
in eene tusschenpoozende alleenspraak.
»Lastig! een tekst te vinden voor eene avond-weekbeurt! Hm, hm, om
een paar dozijn hoorders." Na wat peinzens: »Ik zou nog wel eens die
... over de zachtmoedigheid, nu met een beetje verandering.... Neen,
neen! dat gaat toch niet, alweer een oude preek, en daarbij de
douairière van Klingelberg komt altijd 's Woensdags bij mij. 't Is
zoo'n scherpe slimme feeks, zij mocht eens denken dat ik het expres
op haar gemunt had.... ik wil niet voor piquant doorgaan, en waar
men de hoofden tellen kan, en weet wat er al zoo in omgaat als men
ze voor zich ziet, daar is het wijsheid zich te onthouden; die zijn
mond en zijne tong bewaart, bewaart zijne ziel van benauwdheden,
en er is verstoring voor wie zijne lippen wijd open doet. Salomo zal
mij niet tevergeefs gewaarschuwd hebben.--Salomo! dat's een heerlijke
inval!.... een van diens gulden spreuken ... en dan.... Van der Palm
er eens eventjes op nagezien.... Wacht eens.... ik zal.... er wel
komen! ik ben er al!" en zoo fier en verheugd als Archimedes toen
hij zijn: »Ik heb het gevonden!" uitriep, rees dominé op om een der
pas herdrukte Verhandelingen van den Leidschen hoogleeraar uit zijne
boekenkast te halen, ten einde met diens vernuft en veelzijdige kennis
zijne winst te doen. Arme beroemde redenaar! de geurige specerij en
't fijne attische zout dat uwe kernachtige vertoogen over de spreuken
bevatte, werd bedreigd overgoten en verzwolgen te worden met het
langnat van eens anders wijdloopigheid.... maar eer nog hoofd en
hand zich tot het plegen van de schennis konden bereiden, hoorde
men den dreunenden tred van de goede oude dienstmaagd door de gang
slepen, de trap opkomen en weldra werd er eer driftig dan bescheiden
aan de deur getikt. De ongelukkige man sidderde van zenuwachtig
_malaise_. Stoornis, juist op het oogenblik dat hij noodig had al zijne
aandacht onverdeeld te wijden aan den arbeid. Is het te verwonderen
dat hij een knorrig »binnen!" hooren liet, en met zekeren wrevel vroeg:
»Wat is er Antje?"
»Dominé daar is vrouw Snibs, de uitdraagster, die u absoluut spreken
wil."
»Och! dat lastige meubel, zij komt mij zeker weer een
quasi-antiquiteitje opdringen. Luister Antje! vraag aan mijne vrouw
of zij het niet voor mij kan afdoen?"
»Heel goed, dominé!" en Antje trok af.
Dominé luisterde nog eenige minuten in pijnlijke onzekerheid of zijne
uitvlucht had gebaat, ten laatste werd hij rustig en haalde ruimer
adem in de overtuiging dat zijne vrouw werkelijk dien lastpost had
overgenomen. Daarna werd zijne gewenschte rust niet weer gestoord,
voordat Antje opnieuw de trap opslofte om hem te waarschuwen dat
het »eten klaar was." Waartoe hem langer te bespieden en dieper in
te dringen in de geheimenissen zijner voorbereiding, wij hebben het
reeds begrepen dat het voor dominé Willems (zoo heet onze man) gansch
geene gemakkelijke taak was eene preek te maken. Gelijk dan ook zijne
roeping tot zijn ambt gansch geene onweerstandelijke was geweest,
de omstandigheden, eigen besluiteloosheid, gebrek aan wilskracht
tegenover den drang zijner familie, hadden hem naar de academie gevoerd
om theologie te studeeren, en later »op den stoel gebracht," zooals men
destijds zeide, zonder dat schitrende gaven, of een speciale aanleg hem
daartoe hadden aangewezen. Na een vierjarig verblijf op een dorp had
hij een beroep gekregen naar de kleine welvarende stad, waar wij hem nu
nog aantreffen, en waar hij sinds twintig jaar het ambt van predikant
vervult, het herderlijk werk ingesloten, met de stipte goede trouw van
een eerlijk daglooner, maar zonder iets van die heilige geestdrift,
die hem een recht zou gegeven hebben om de profetische uitspraak op
zich toe te passen: »De ijver van uw Huis heeft mij verslonden." Toch
had hij er zwak op, hoe zwaar het hem ook viel, om »een goed stuk"
te leveren, trachtte zijne hoorders te doordringen van het »nuttige
en plichtmatige van een redelijken godsdienst," zorgde bij hen de
overtuiging te vestigen van de altijd wijze en liefderijke wegen der
Voorzienigheid, hun al het schadelijke en dwaze van de ondeugd voor te
houden, op de »beminnenswaardigheid en de voordeelen van de deugd" te
wijzen, en had in den regel het voorrecht zijne gemeente wel voldaan
over hem naar huis te zien keeren, vooral dán, als hij het niet te
lang had gemaakt, iets dat hem wel eens gebeurde, daar hij zoomin
de gave van puntigheid als die der oorspronkelijkheid bezat, en de
moeite die het hem kostte zijne gedachten of.... die van anderen met
juistheid weer te geven, hem verplichtte om er eenige malen om heen te
draaien, eer hij zich verzekerd achtte haar uitgesproken te hebben,
iets wat zijne hoorders naïefweg deed zeggen, dat hij in herhalingen
verviel! Hij had maar één collega, zijn jongere, in menig opzicht zijn
tegenvoeter, met wien hij desniettemin in goede verstandhouding leefde,
hetgeen hem reeds karakteriseert als een goedaardig, vredelievend
man; ook werd hij in en buiten zijne gemeente geprezen als een braaf
achtenswaardig mensch, op wiens handel en wandel niemand één vlek kon
aanwijzen. Wij ook hebben niets op hem aan te merken dan dit eene,
dat hij geen dominé had moeten worden. Zeker zou de heer Willems een
verdienstelijk ambtenaar, een onberispelijk winkelier, mogelijk zelfs
een niet verwerpelijk kunstenaar zijn geweest, maar dominé Willems--al
was hij geen wolf in de schaapskooi--is niets meer dan de handwerksman,
die de driestheid had gehad op te treden in een ambt dat profetische
bezieling eischt, en als zoodanig is hij eene erbarmelijke figuur,
eene treurige verschijning, mochten wij zeggen eene uitzondering. In
zijn tijd, het eerste kwartaal van de 19de eeuw, was hij het niet,
in den onzen zal hij het meer en meer worden. Uit licht verklaarbare
oorzaak. Wie nú den predikstoel beklimt, weet dat hij _niet_ in een
vasten burcht trekt waar hij onaangevochten zal blijven, maar dat hij
den wal bestijgt eener vesting, die aan alle zijden blootligt en door
tal van vijanden wordt bedreigd. Weerbaarheid, moedige kleinachting
des gevaars, waakzame ijver zijn de eerste eischen die hem worden
gedaan. Hetzij hij als aanvaller tegen de oude muren zal stormloopen,
hetzij hij als verweerder die aanvallen heeft te weerstaan en de
gewijde kerkelijke banier omhoog heffend, de stormloopers tegengaat,
en de bresse vult, desnoods met zijn lijf. Flauwheid en gemakzucht
vinden bij zulke stelling hunne rekening niet, er moet geestdrift,
er moet wilskracht, er moet overtuiging, er moet gewilligheid tot
zelfverloochening, er moet levendig gevoelde roeping zijn, of men
zal zich teruggeschrikt zien van een ambt, dat als _beroep_ zooveel
van zijne aantrekkelijkheid heeft verloren.
In de dagen van dominé Willems was dat nog zoo niet. In zijn kring
werd hij gansch niet voor een droevige figuur aangezien--zeker
bestond er eene kleine minderheid in den lande, die andere wenschen
had, andere eischen deed dan door _hem en de zijnen_ te vervullen
waren--maar zij was nog te zwak en te bescheiden om hare stem te
verheffen. De laag van stof, waarmee de 18de eeuw het ijvervuur van
de 16de en 17de had gedoofd--was niet op eenmaal afgeschud met het
slaan van de 19de--de zon van den nieuwen dag ging op, onder wolken
en nevelen, en schoot slechts hier en daar stralen uit, die leven
en gloed beloofden. Men sprak veel van licht, maar men had geene
kracht, men had niets zoo lief als de ruste; het wakker worden ging
langzaam en moeielijk, wie maar even aan de alarmklok trok, werd als
een lastige rustverstoorder uitgejouwd. In de kleine stad E.--ook,
was men onder de leiding van dominé Willems behagelijk ingedommeld;
hij zelf, die ter goeder trouw zijne volle instemming had gegeven
aan het onderteekenings-formulier zooals het door de Synode van
1816 gewijzigd was, hield het er voor, dat de gouden eeuw voor de
Nederlandsche Hervormde kerk was aangebroken.
Eene betamelijke vrijheid met verstandige beperking--ruimte voor
alles en allen naar de eischen der beschaving en verlichting--alle
rechten en vrijheden gewaarborgd en gehandhaafd door de bescherming
van den Staat, eene zachte voogdij uitgeoefend door eene vaderlijke en
welwillende regeering. Waarlijk, men kon niet meer verlangen, zonder
te overvragen en te overdrijven, en van niets had de goede bezadigde
man zulk een afkeer als van overdrijving in 't godsdienstige. Hij
achtte zich zelf te zijn in de gezonde leer, en tot hiertoe waren er
in zijne gemeente nog geen ijveraars en rustverstoorders opgestaan,
om hem uit dit aangenaam zelfvertrouwen op te schrikken; daarbij
was hij eenigszins hardhoorend op dit punt, en de stemmen hadden
wel luid en ruw moeten zijn, om zoo terstond door hem verstaan te
worden. Wij ook kunnen ons de moeite besparen, om hem de oogen voor
zich zelf te openen; wij hebben gelukkig niet met den predikant te
doen, maar met den mensch! met den liefhebber der kunst bovenal. Want
de goede heer Willems had één zwak--zijne sterkte wellicht--zin voor
de beeldende kunst. Of hij een juist oog had op hare voortbrengselen
durven wij niet beslissen, maar hij had er groote liefde voor, dat
is zeker. Hij teekende met vrij wat meer vaardigheid dan hij stelde,
en zijne gelukkigste uren waren die, waarin hij zijne boeken en
zijne preeken ter zijde kon schuiven, om zich neer te zetten voor
eene tafel met portefeuilles en teekengereedschap, waar hij zich dan
wijdde aan oefeningen in zijne geliefde kunst. Hetgeen zijn jongere
collega, als hij hem in zoo'n uitspanningsuur betrapte, wel eens het
(mogelijk wat malicieuse compliment) in den mond legde: »Gij hadt
schilder moeten worden, collega!"
»Dat heb ik mij zelven óok wel eens gezegd, mijn waarde!" was dan zijn
goelijk antwoord; »maar ziet ge, in mijne familie werd dat zoo niet
voor een beroep aangemerkt! Iedereen raadde het mij af. Zoo'n beetje
voor liefhebberij, ja, dàt kon er door, voerde men mij te gemoet,
maar zulk een onzeker bestaan.... en als men dan geene middelen
heeft.... gij begrijpt mij.'"
»Ja, ik begrijp wel dat men in uw kring er zoo over dacht, maar toch
om alleen in onzen tijd te blijven, men kan wijzen op P. en K. en
menig ander nog, die 't vaderland en de kunst tot sieraad strekken,
en die er zelf wèl bij varen...."
»Gij hebt volkomen gelijk, Roestink, maar--ik.... was
gepredestineerd om dominé te worden," bekende de goede man dan in
zijne openhartigheid. »Mijn peetoom was zelf predikant, bezat eene
belangrijke bibliotheek, die hij beloofde mij te vermaken als ik
theologie studeeren wilde; ik kon daarbij op zijne vrijgevigheid
rekenen in de academiejaren en zoolang ik geen beroep had."
»En.... zoo werd aan Pictura een priester ontfutseld, die misschien
als een parel aan haar muzen-kroon zou hebben geschitterd."
»Hm! ja! maar dat is lang zoo zeker niet, en ziet gij, zoo ik een
broddelaar ware geworden.... de kunst duldt geene middelmatigheid."
Om Roestinks mond plooide zich een satyriek glimlachje en hij wilde
iets zeggen.
»Neen! het is zóó beter," vervolgde Willems. »Ik ben daarbij tevreden
in mijn stand, met mijn lot en...."
»'t Was all' te vreên op God na," had dominé Roestink zijn collega
kunnen toevoegen, maar hij deed dit niet.
»En ik, heb er een goeden collega bij gewonnen," zei hij met een
handdruk tot afscheid, »en dàt was meenens."