II.

Met loffelijke getrouwheid hield dominé ook met de knapen een vol

uur catechisatie, maar was ook toch zeker zelf niet minder in zijn

schik dan zijne leerlingen, toen hij ook dezen hun afscheid kon geven,

na eene korte vermaning om zich toch wat behoorlijk te gedragen bij

het heengaan!

Of zij diep ter harte werd genomen is twijfelachtig, maar het

was de laatste leering voor dien dag, botsing tusschen komenden en

gaanden kon er dus niet ontstaan en de jongens gingen minder woest en

jolig uiteen dan ze gekomen waren, enkelen zelfs, de allerlaatsten,

slopen druiloorig door de gang onder een gedempt knorrend gemompel,

dat alleen maar de poes van de juffrouw deed opschrikken, die zich,

voor haar zelve zeer ten ontijde, in de gang had gewaagd.

Dominé was als altijd de eerste geweest om de muffe catechisatiekamer

den rug toe te wenden en zijn vroolijk, luchtig studeervertrek op

te zoeken. Voldaan met de betrekkelijke kalmte, naar zijn gevoelen

door zijne krachtige allocutie veroverd, en met het genoegelijke

vooruitzicht van eenige uren vrijen tijd, liet hij zich in zijn

gemakkelijken armstoel neervallen, en zat eene wijle mijmerend neer

zonder eene pen op te nemen of een boek in te zien. Maar welhaast

scheen hij zich zelf dat toegeven aan het zoete _far niente_ te

verwijten; met zekeren schrik hief hij zich op, halfluid mompelend:

»Hm ja! de woensdagspreek! van de liefhebberij kan weer niets

komen. Van avond rekent Sanne op mij, morgenochtend weer twee

catechisaties, het gaat niet, ik moet op mijn tekst denken!" en

gehoorzamend aan de inspraak van zijn plichtgevoel nam hij plaats

aan zijne schrijftafel, trok met zekere lusteloosheid een foliant

naar zich toe, die bij 't openslaan bleek een Statenbijbel te zijn,

bladerde daarin eenige oogenblikken met zichtbare onbeslistheid

waar hij eigenlijk wezen wilde, en schoof dien daarna met een

verdrietelijk voorhoofdsrimpelen ter zijde, weer zich lucht gevend

in eene tusschenpoozende alleenspraak.

»Lastig! een tekst te vinden voor eene avond-weekbeurt! Hm, hm, om

een paar dozijn hoorders." Na wat peinzens: »Ik zou nog wel eens die

... over de zachtmoedigheid, nu met een beetje verandering.... Neen,

neen! dat gaat toch niet, alweer een oude preek, en daarbij de

douairière van Klingelberg komt altijd 's Woensdags bij mij. 't Is

zoo'n scherpe slimme feeks, zij mocht eens denken dat ik het expres

op haar gemunt had.... ik wil niet voor piquant doorgaan, en waar

men de hoofden tellen kan, en weet wat er al zoo in omgaat als men

ze voor zich ziet, daar is het wijsheid zich te onthouden; die zijn

mond en zijne tong bewaart, bewaart zijne ziel van benauwdheden,

en er is verstoring voor wie zijne lippen wijd open doet. Salomo zal

mij niet tevergeefs gewaarschuwd hebben.--Salomo! dat's een heerlijke

inval!.... een van diens gulden spreuken ... en dan.... Van der Palm

er eens eventjes op nagezien.... Wacht eens.... ik zal.... er wel

komen! ik ben er al!" en zoo fier en verheugd als Archimedes toen

hij zijn: »Ik heb het gevonden!" uitriep, rees dominé op om een der

pas herdrukte Verhandelingen van den Leidschen hoogleeraar uit zijne

boekenkast te halen, ten einde met diens vernuft en veelzijdige kennis

zijne winst te doen. Arme beroemde redenaar! de geurige specerij en

't fijne attische zout dat uwe kernachtige vertoogen over de spreuken

bevatte, werd bedreigd overgoten en verzwolgen te worden met het

langnat van eens anders wijdloopigheid.... maar eer nog hoofd en

hand zich tot het plegen van de schennis konden bereiden, hoorde

men den dreunenden tred van de goede oude dienstmaagd door de gang

slepen, de trap opkomen en weldra werd er eer driftig dan bescheiden

aan de deur getikt. De ongelukkige man sidderde van zenuwachtig

_malaise_. Stoornis, juist op het oogenblik dat hij noodig had al zijne

aandacht onverdeeld te wijden aan den arbeid. Is het te verwonderen

dat hij een knorrig »binnen!" hooren liet, en met zekeren wrevel vroeg:

»Wat is er Antje?"

»Dominé daar is vrouw Snibs, de uitdraagster, die u absoluut spreken

wil."

»Och! dat lastige meubel, zij komt mij zeker weer een

quasi-antiquiteitje opdringen. Luister Antje! vraag aan mijne vrouw

of zij het niet voor mij kan afdoen?"

»Heel goed, dominé!" en Antje trok af.

Dominé luisterde nog eenige minuten in pijnlijke onzekerheid of zijne

uitvlucht had gebaat, ten laatste werd hij rustig en haalde ruimer

adem in de overtuiging dat zijne vrouw werkelijk dien lastpost had

overgenomen. Daarna werd zijne gewenschte rust niet weer gestoord,

voordat Antje opnieuw de trap opslofte om hem te waarschuwen dat

het »eten klaar was." Waartoe hem langer te bespieden en dieper in

te dringen in de geheimenissen zijner voorbereiding, wij hebben het

reeds begrepen dat het voor dominé Willems (zoo heet onze man) gansch

geene gemakkelijke taak was eene preek te maken. Gelijk dan ook zijne

roeping tot zijn ambt gansch geene onweerstandelijke was geweest,

de omstandigheden, eigen besluiteloosheid, gebrek aan wilskracht

tegenover den drang zijner familie, hadden hem naar de academie gevoerd

om theologie te studeeren, en later »op den stoel gebracht," zooals men

destijds zeide, zonder dat schitrende gaven, of een speciale aanleg hem

daartoe hadden aangewezen. Na een vierjarig verblijf op een dorp had

hij een beroep gekregen naar de kleine welvarende stad, waar wij hem nu

nog aantreffen, en waar hij sinds twintig jaar het ambt van predikant

vervult, het herderlijk werk ingesloten, met de stipte goede trouw van

een eerlijk daglooner, maar zonder iets van die heilige geestdrift,

die hem een recht zou gegeven hebben om de profetische uitspraak op

zich toe te passen: »De ijver van uw Huis heeft mij verslonden." Toch

had hij er zwak op, hoe zwaar het hem ook viel, om »een goed stuk"

te leveren, trachtte zijne hoorders te doordringen van het »nuttige

en plichtmatige van een redelijken godsdienst," zorgde bij hen de

overtuiging te vestigen van de altijd wijze en liefderijke wegen der

Voorzienigheid, hun al het schadelijke en dwaze van de ondeugd voor te

houden, op de »beminnenswaardigheid en de voordeelen van de deugd" te

wijzen, en had in den regel het voorrecht zijne gemeente wel voldaan

over hem naar huis te zien keeren, vooral dán, als hij het niet te

lang had gemaakt, iets dat hem wel eens gebeurde, daar hij zoomin

de gave van puntigheid als die der oorspronkelijkheid bezat, en de

moeite die het hem kostte zijne gedachten of.... die van anderen met

juistheid weer te geven, hem verplichtte om er eenige malen om heen te

draaien, eer hij zich verzekerd achtte haar uitgesproken te hebben,

iets wat zijne hoorders naïefweg deed zeggen, dat hij in herhalingen

verviel! Hij had maar één collega, zijn jongere, in menig opzicht zijn

tegenvoeter, met wien hij desniettemin in goede verstandhouding leefde,

hetgeen hem reeds karakteriseert als een goedaardig, vredelievend

man; ook werd hij in en buiten zijne gemeente geprezen als een braaf

achtenswaardig mensch, op wiens handel en wandel niemand één vlek kon

aanwijzen. Wij ook hebben niets op hem aan te merken dan dit eene,

dat hij geen dominé had moeten worden. Zeker zou de heer Willems een

verdienstelijk ambtenaar, een onberispelijk winkelier, mogelijk zelfs

een niet verwerpelijk kunstenaar zijn geweest, maar dominé Willems--al

was hij geen wolf in de schaapskooi--is niets meer dan de handwerksman,

die de driestheid had gehad op te treden in een ambt dat profetische

bezieling eischt, en als zoodanig is hij eene erbarmelijke figuur,

eene treurige verschijning, mochten wij zeggen eene uitzondering. In

zijn tijd, het eerste kwartaal van de 19de eeuw, was hij het niet,

in den onzen zal hij het meer en meer worden. Uit licht verklaarbare

oorzaak. Wie nú den predikstoel beklimt, weet dat hij _niet_ in een

vasten burcht trekt waar hij onaangevochten zal blijven, maar dat hij

den wal bestijgt eener vesting, die aan alle zijden blootligt en door

tal van vijanden wordt bedreigd. Weerbaarheid, moedige kleinachting

des gevaars, waakzame ijver zijn de eerste eischen die hem worden

gedaan. Hetzij hij als aanvaller tegen de oude muren zal stormloopen,

hetzij hij als verweerder die aanvallen heeft te weerstaan en de

gewijde kerkelijke banier omhoog heffend, de stormloopers tegengaat,

en de bresse vult, desnoods met zijn lijf. Flauwheid en gemakzucht

vinden bij zulke stelling hunne rekening niet, er moet geestdrift,

er moet wilskracht, er moet overtuiging, er moet gewilligheid tot

zelfverloochening, er moet levendig gevoelde roeping zijn, of men

zal zich teruggeschrikt zien van een ambt, dat als _beroep_ zooveel

van zijne aantrekkelijkheid heeft verloren.

In de dagen van dominé Willems was dat nog zoo niet. In zijn kring

werd hij gansch niet voor een droevige figuur aangezien--zeker

bestond er eene kleine minderheid in den lande, die andere wenschen

had, andere eischen deed dan door _hem en de zijnen_ te vervullen

waren--maar zij was nog te zwak en te bescheiden om hare stem te

verheffen. De laag van stof, waarmee de 18de eeuw het ijvervuur van

de 16de en 17de had gedoofd--was niet op eenmaal afgeschud met het

slaan van de 19de--de zon van den nieuwen dag ging op, onder wolken

en nevelen, en schoot slechts hier en daar stralen uit, die leven

en gloed beloofden. Men sprak veel van licht, maar men had geene

kracht, men had niets zoo lief als de ruste; het wakker worden ging

langzaam en moeielijk, wie maar even aan de alarmklok trok, werd als

een lastige rustverstoorder uitgejouwd. In de kleine stad E.--ook,

was men onder de leiding van dominé Willems behagelijk ingedommeld;

hij zelf, die ter goeder trouw zijne volle instemming had gegeven

aan het onderteekenings-formulier zooals het door de Synode van

1816 gewijzigd was, hield het er voor, dat de gouden eeuw voor de

Nederlandsche Hervormde kerk was aangebroken.

Eene betamelijke vrijheid met verstandige beperking--ruimte voor

alles en allen naar de eischen der beschaving en verlichting--alle

rechten en vrijheden gewaarborgd en gehandhaafd door de bescherming

van den Staat, eene zachte voogdij uitgeoefend door eene vaderlijke en

welwillende regeering. Waarlijk, men kon niet meer verlangen, zonder

te overvragen en te overdrijven, en van niets had de goede bezadigde

man zulk een afkeer als van overdrijving in 't godsdienstige. Hij

achtte zich zelf te zijn in de gezonde leer, en tot hiertoe waren er

in zijne gemeente nog geen ijveraars en rustverstoorders opgestaan,

om hem uit dit aangenaam zelfvertrouwen op te schrikken; daarbij

was hij eenigszins hardhoorend op dit punt, en de stemmen hadden

wel luid en ruw moeten zijn, om zoo terstond door hem verstaan te

worden. Wij ook kunnen ons de moeite besparen, om hem de oogen voor

zich zelf te openen; wij hebben gelukkig niet met den predikant te

doen, maar met den mensch! met den liefhebber der kunst bovenal. Want

de goede heer Willems had één zwak--zijne sterkte wellicht--zin voor

de beeldende kunst. Of hij een juist oog had op hare voortbrengselen

durven wij niet beslissen, maar hij had er groote liefde voor, dat

is zeker. Hij teekende met vrij wat meer vaardigheid dan hij stelde,

en zijne gelukkigste uren waren die, waarin hij zijne boeken en

zijne preeken ter zijde kon schuiven, om zich neer te zetten voor

eene tafel met portefeuilles en teekengereedschap, waar hij zich dan

wijdde aan oefeningen in zijne geliefde kunst. Hetgeen zijn jongere

collega, als hij hem in zoo'n uitspanningsuur betrapte, wel eens het

(mogelijk wat malicieuse compliment) in den mond legde: »Gij hadt

schilder moeten worden, collega!"

»Dat heb ik mij zelven óok wel eens gezegd, mijn waarde!" was dan zijn

goelijk antwoord; »maar ziet ge, in mijne familie werd dat zoo niet

voor een beroep aangemerkt! Iedereen raadde het mij af. Zoo'n beetje

voor liefhebberij, ja, dàt kon er door, voerde men mij te gemoet,

maar zulk een onzeker bestaan.... en als men dan geene middelen

heeft.... gij begrijpt mij.'"

»Ja, ik begrijp wel dat men in uw kring er zoo over dacht, maar toch

om alleen in onzen tijd te blijven, men kan wijzen op P. en K. en

menig ander nog, die 't vaderland en de kunst tot sieraad strekken,

en die er zelf wèl bij varen...."

»Gij hebt volkomen gelijk, Roestink, maar--ik.... was

gepredestineerd om dominé te worden," bekende de goede man dan in

zijne openhartigheid. »Mijn peetoom was zelf predikant, bezat eene

belangrijke bibliotheek, die hij beloofde mij te vermaken als ik

theologie studeeren wilde; ik kon daarbij op zijne vrijgevigheid

rekenen in de academiejaren en zoolang ik geen beroep had."

»En.... zoo werd aan Pictura een priester ontfutseld, die misschien

als een parel aan haar muzen-kroon zou hebben geschitterd."

»Hm! ja! maar dat is lang zoo zeker niet, en ziet gij, zoo ik een

broddelaar ware geworden.... de kunst duldt geene middelmatigheid."

Om Roestinks mond plooide zich een satyriek glimlachje en hij wilde

iets zeggen.

»Neen! het is zóó beter," vervolgde Willems. »Ik ben daarbij tevreden

in mijn stand, met mijn lot en...."

»'t Was all' te vreên op God na," had dominé Roestink zijn collega

kunnen toevoegen, maar hij deed dit niet.

»En ik, heb er een goeden collega bij gewonnen," zei hij met een

handdruk tot afscheid, »en dàt was meenens."

Frits Millioen en zijne vrienden · 第 9 / 39 题