I.

»De catechisatie was uitgegaan," zooals de geijkte term luidde;

»uitgevlogen" ware juister geweest, want een zwerm meisjes, kleine,

groote, welgekleede, schraaltjes uitgedoste, stoven als joelende bijen

wier korf werd verstoord, het huis van den dominé uit, en hortten in

haar woeste vaart tegen een troep jongens aan die op hunne beurt de

catechisatiekamer gingen innemen. De haast die ze hadden om de plaats

binnen te dringen, waar menig hunner licht een _mauvais quart d'heure_

te wachten stond, mogen wij tot ons leedwezen niet aan vromen ijver

en weetgierigheid toeschrijven, dat zou eene psychologische en eene

historische onwaarheid zijn tegelijk--maar de woeste knapen hadden

eene andere drijfveer. Als ze zich wat haastten, troffen ze al licht

samen met enkele achterblijfstertjes en dat gaf dan aanleiding tot

gestoei en pretmakerij.... ze hadden een vol uur strak en stemmig

neer te zitten onder het oog van dominé, het was niet vreemd dat ze

het oogenblik waarnamen, waarin deze een ommezientje naar zijne vrouw

was gegaan en eene versche pijp stopte, om nog eens wat rumoer te

maken! Nu! daaraan lieten zij het zich dan ook heden niet ontbreken,

daar was een gedreun of er krijgertje werd gespeeld rondom de banken,

ten laatste lieten zich een paar gesmoorde gillen uit meisjeskeelen

hooren, waarvan het moeielijk was te beslissen of ze uit werkelijk

leed dan wel uit schalke bangmakerij werden geslaakt.

Dominé was geabsorbeerd door zijne koffie en--»even de krant,"

daarbij te veel gewend aan allerlei geluiden om tusschenbeide te

komen. In allen gevalle _hij_ was geen schoolmeester en voordat het

nieuwe leeruur geslagen had, achtte hij het niet oorbaar en beneden

zijne waardigheid om de catechisatiekamer binnen te treden. Ook was

men daar gansch niet op zijne tusschenkomst gesteld, en liever dan

die in te roepen vlogen een paar kleine juffertjes met gloeiende

gezichtjes als gejaagde reeën de gang door om op den stoep door de

wachtende dienstmeisjes, die intusschen met de groote jongens hadden

geginnegapt--ontvangen te worden met eene gemaakte grimmigheid.

»Wel Saartje is me dat laten wachten!"

»Ik kan het niet helpen, Mie! zoo waar niet...."

»Mooi! kan _ik_ het dan helpen? en straks als je mama gromt, krijg

ik de schuld dat ik zoo lang uitblijf."

»Neen, want ik zal zeggen zooals het is, de jongens waren zoo

ondeugend en Dientje.... dag Dientje tot Maandag!" maar reeds werd

het praatstertje door hare onvriendelijke _bonne_ wat ruw bij de hand

gevat, en haastig voortgetrokken, er was niets meer te verstaan. Haar

vriendinnetje werd weer op andere wijze begroet.

»Heden mijn tijd, Dientje! wat ziet uwé d'r haveluinig uit. Wat zal

uwées tante knorren dat u zoo uit de leering komt!" was de uitroep

met verwijt gemengd der tweede gedienstige, terwijl zij inmiddels

het mogelijke deed om het scheefstaande hoedje recht te zetten en

het omgeknoopte merinosche doekje wat ordelijk te schikken.

»Och, Trijntje! je weet niet hoe ik verschrikt ben," was het antwoord

der kleine blonde met een stemmetje hijgend van agitatie en hoogroode

wangen; »de jongens zijn weer zoo woest geweest, ze hebben gevochten,

en ik ben in 't gedrang geraakt, omdat...."

»Ja! ja! juffertje wildzang--de jongens krijgen de schuld, maar de

meisjes willen wel zoo, of waarom zijn Saartje en Dientje niet met

de eersten mee weggegaan?" voegde Trijntje haar lachende toe, maar

niet zonder een afkeurend hoofdschudden.

»Ik kon niet eerder Trijntje, heusch!"

»Als onze Dientje heusch zegt, dán is het waar; maar waarom kon dat

dan ook niet?"

»O! dat's te lang om je nu op straat te vertellen...."

»Bestig, als het een geheim is laten we dan maar gauw maken dat we

thuis komen, dan zal tante het er wel uit krijgen," en voort gingen

ook die twee, de laatsten van het drukke troepje, dat de anders stille

straat voor een oogenblik had verlevendigd.

Frits Millioen en zijne vrienden · 第 8 / 39 题