W. S.

[102] Zie Aanteekening AA. Hooglandsche jacht. W. S.

[103] Overeenkomende met het Laaglandsche gezegde: Menigeen vraagt naar

de poort, die hij maar al te goed kent. W. S.

[104] Uit het eerste boek der avonturen van Don Quichot.

[105] In „Veel leven om niets” van Shakespeare.

[106] Een Schotsch spreekwoord.

[107] Dit woord duidde den naam aan waaronder de tories of

Stuartsgezinden bekend waren.

[108] De stem van Selma, dat wil zeggen de muziek van het paleis van

Fingal. Selma was de zaal waar de barden bijeenkwamen.

[109] Deze verzen maken het referein uit eener oude ballade, waaraan

Burns nieuwe verzen heeft toegevoegd. W. S.

[110] Ook deze regels behooren tot een oud lied. W. S.

[111] In een Hooglandsch rijm met betrekking tot Glencairn’s expeditie

vindt men:

Wij blijven in ’t midden der koolzwarte kraaien,

Wij spannen den boog en wij trekken het zwaard. W. S.

[112] De Oggam is een type van het oude Iersche karakter. De

overeenkomst tusschen het Keltisch en het Punische dialect, op een

tooneel bij Plautus gegrond, werd niet opgemerkt voordat de generaal

Valencey zijn meening hierover, lang na Fergus Mac-Ivor, had

geopenbaard. W. S.

[113] De opgewonden Jacobieten hielden gedurende de aan gebeurtenissen

zoo rijke jaren 1745–46 de gemoederen hunner partij in spanning door

geruchten omtrent landingen uit Frankrijk, ten behoeve van den ridder

van St. George. W. S.

[114] De Hooglander, van vroeger dagen, bezat altijd een hoogen dunk

van zijn beleefdheid, en was er gestadig op uit dengene met wien hij

omging, daarvan te overtuigen. Zijne gesprekken vloeiden altijd over

van beleefdheden en complimenten, en de gewoonte om wapenen te dragen,

zoomede de omgang met hen, die dat eveneens deden, maakten het

allerwenschelijkst dat ze in hun onderling verkeer de hoogst mogelijke

beleefdheid in acht namen. W. S.

[115] De Presbyterianen vieren den sabbath, dien ze den Zondag noemen,

met joodsche gestrengheid; maar ze hebben van de Roomsch-Katholieke

plechtigheden er rog een overgehouden. Dit feest is het sacrament van

het Heilig Avondmaal, dat slechts eens in het jaar plaats heeft, en

dikwijls in de open lucht, ter herinnering aan het martelaarschap der

eerste proselieten van John Knox. De Donderdag en de Zaterdag die den

grooten Zondag voorafgaan; zijn heilige dagen, waarop men ten minste

eene predikatie bijwoont. De Donderdag vooral wordt als een soort van

Zondag gevierd, en vasten- en biddag genoemd. De plechtigheid van het

Avondmaal wordt in Schotland een „gelegenheid” geheeten, en volgens

Burns, wiens satyren tegen de Schotsche kerk bekend zijn, wel eens een

gelegenheid ook tot uitspanning, in plaats van een tot vasten en

boetedoening.

[116] Partridge is een der koddigste personages uit Fieldings

onovertreffelijk werk: Tom Jones.

[117] De eerwaarde John Erskine, doctor in de godgeleerdheid, een

uitstekend Schotsch geestelijke zoowel door zijn godsdienstige kennis

als zijn bijzondere deugden, was het hoofd der Evangelische partij in

de kerk van Schotland, op het tijdstip waarin de beroemde doctor

Robertson, de geschiedschrijver, aan het hoofd der gematigde partij

stond. Deze beide voortreffelijke mannen waren ambtgenooten te

Edinburgh, en, in weerwil van hunne theologische verschillen, leefden

zij in de volmaaktste overeenstemming als vrienden en als predikanten,

die dezelfde kerkdienst waarnamen. W. S.

[118] Het benificium clericorum dagteekent van de vroegste tijden. De

leden der geestelijkheid, welke misdaad ze ook bedreven hadden, waren

van de doodstraf bevrijd. In het vervolg werd dit privilegie

uitgestrekt tot al wie lezen kon. Maar later bleek de noodzakelijkheid

om dit te beperken en werd het voorrecht alleen in zekere door de

Engelsche wetten aangeduide gevallen erkend.

[119] Drumclog, waar de dragonders van Claverhouse de nederlaag leden.

[120] Zie Aanteekening BB. Mac Farlane’s lantaarn. W. S.

[121] Zie Aanteekening CC. Kasteel van Doune.

[122] Nog heden noemt het landvolk, bij wijze van spreken, de rechters

van het hoogste „De vijftien”, naar hun aantal.

[123] Zie Aanteekening DD. W. S.

[124] Zie Aanteekening EE. W. S.

[125] Karel Eduard scheepte zich den 20sten Juni naar Schotland in,

landde den 24sten Juli te Loch Sunar en werd in het huis van Macdonald

van Kinloch Moidart, in het graafschap Argyle, opgenomen. Hij was

vergezeld door den hertog van Athole, meer algemeen de markies van

Tullibardine genoemd, die sedert 1715 gebannen en van zijn titel

vervallen verklaard was; door Macdonald, een Ier; door Kelly een Ier,

die geheimschrijver van den bisschop van Rochester geweest was; door

Sullivan en Sheridan, Ieren; door Macdonald, een Schot; door Striklen

een Ier, of volgens Hume een Engelschman, en door Michel, een Italiaan,

zijn kamerdienaar. Spoedig voegde Cameron Lochiel met zijn clan

Camerons zich bij hem, alsmede Macdonald van den clan Ronald, enz.

[126] Zie Aanteekening FF. W. S.

[127] De nail is een maat van omstreeks 6 duim.

[128] Geruimen tijd lang hebben de arbeiders in de kolenmijnen van

Schotland in wezenlijke slavernij verkeerd. De Schotten van 1745

geloofden dat dit in Engeland eveneens het geval was; want, toen de

maarschalk Wade zich niet uit New-Castle durfde verwijderen, tegen den

Pretendent, dacht men in het leger van dezen dat hij bevreesd was

geweest, dat de twintigduizend kolenwerkers de gelegenheid te baat

zouden hebben genomen om zich te bevrijden.

[129] Een oude wijk van de oude stad.

[130] High-Street. Deze straat is de voornaamste van de oude stad te

Edinburgh.

[131] Een held uit de Ossiansche overlevering.

[132] Een soort van kapsel, aan weerszijden met bandjes, van de slapen,

waar ze zijn vastgehecht, tot aan het middel af hangende.

[133] De Doutelle was een schip dat, ten behoeve der insurgenten, geld

en wapenen uit Frankrijk aanbracht, zegt Walter Scott, maar het was

eigenlijk meer. De Doutelle was het fregat waarop Karel Eduard zich had

ingescheept.

[134] Oude vrouwen, belast met het zingen der klaagzangen voor de

afgestorvenen, wat men in Ierland onder keening verstaat. W. S.

[135] Officier van justitie van lageren rang, min of meer gelijk agent

van politie, vulgo „diender.”

[136] Ik heb deze verzen, of daarmede overeenkomende, in een der

Magazines van dien tijd gevonden. W. S.

[137] De hoofdkerk van St. Giles, te Edinburgh, is in vier afdeelingen

gescheiden, waarvan de eene den naam voert van het hol van Haddo, omdat

men vooronderstelt, dat de kelder, waarop ze gebouwd is, eertijds aan

een zekeren Lord Haddo tot kerker verstrekte.

[138] Deze regels komen voor in het roerende vers van mejufvrouw

Steward, hetwelk aldus aanvangt:

O stormige rotsen van Lanow, vaartwel! W. S.

[139] Het is, of was eertijds, het oude liedje: „Good night, and joy be

wi’ you a’!” (Goeden nacht en zij de vreugde met u allen!) W. S.

[140] Het hoofdkorps van de Hooglandsche armee was gelegerd of liever

gebivakkeerd in dat gedeelte van het Konings Park, hetwelk zich naar

den kant van het dorp Duddingston uitstrekt.

[141] Het was den 20sten September.

[142] Eindelijk zegevierend.

[143] Zie Aanteekening GG. Veldstuk van het Hooglandsche leger. W. S.

[144] Duivels! honderd duizend zwakke zielen!

[145] Volgens een aantal mededeelingen komt aan lord Murray al de eer

van dezen veldtocht toe.

[146] De haggis is een soort van Schotsche pudding, die men, hetzij met

vleesch, hetzij met gerstenmeel en andere bestanddeelen gereed maakt,

en een lievelingsgerecht is in Schotland. Burns heeft er een ode op

vervaardigd, waarin hij haar beschrijft als:

„Het edele hoofd van ’t puddingvolk.”

[147] Hendrik IV, van Shakespeare.

[148] Zie Aanteekening HH. Anderson van Whitburgh. W. S.

[149] Hylax (klassieke naam van een hond) huilt op den drempel van de

deur.

[150] Het tweede regiment Engelsche dragonders, dat bij den slag van

Prestonpans streed, werd door den kolonel Hamilton aangevoerd. Zie

Aanteekening II. Dood van kolonel Gardiner. W. S.

[151] Sheriff-Muir nabij Stirling, is een vlakte, beroemd door den daar

in 1715 geleverden slag, tusschen de troepen van den graaf van Mar voor

de partij der Stuarts, en die van den hertog van Argyle voor het huis

van Hannover.

[152] Zie Aanteekening, KK. Laird van Balmawhapple.

[153] Assythment, een geijkte rechtsterm van de Schotsche balie, en die

wettige vergoeding beteekent, compensatie. Brieven van slains of

doodsbrieven noemde men die brieven, welke door hem, wiens bloedverwant

verslagen was, geschreven werden aan den moordenaar, om hem te

verklaren, dat hij voldaan was, alsmede de brieven, waarin de

moordenaar een vergoeding aanbood.

[154] Sir Thomas Craig, een uitstekend rechtsgeleerde van de zestiende

eeuw. Zijn verhandeling over het Jus feodale wordt nog altijd in waarde

gehouden.

[155] De dienst om den koning na den slag de laarzen uit te trekken.

[156] Een ander ik, een andere koning.

[157] Trews, Schotsche pantalons, en brogues voetzolen van kalfsleer.

[158] Omdat hij in zijn jeugd, bij het leger van zijn vader Germanicus,

ligte sandalen droeg.

[159] Over de kleeding.

[160] Een klein uur afstands van Prestonpans.

[161] Whittington is een van de helden der Engelsche nijverheid. Van

eenvoudig leerling klom hij op tot hoogen stand en groote rijkdommen,

onder de regeering van Hendrik V. Nadat hij zonder geld en hulpmiddelen

van zijn meester te Londen was weggeloopen, hoorde hij, of meende hij

duidelijk de kerkklok te hooren luiden:

„Keer terug Whittington, keer terug,

Driemaal lord-mayor van Londen.”

[162] Het zinnebeeld van de partij der Stuarts.

[163] Zie Aanteekening LL, Andrea de Ferrara. W. S.

[164] De vlakte van Gladsmuir was inderdaad het eigenlijke tooneel van

den slag.

[165] De naam van dezen prediker was Mac-Vicar. Beschermd door het

geschut van het kasteel, predikte hij iederen zondag in de Westerkerk,

terwijl Edinburgh in de handen der Hooglanders was; en het was in

tegenwoordigheid van een aantal Jacobieten, dat hij het gebed voor

Prins Karel deed, waarvan wij hier de woorden in den tekst hebben

aangehaald. W. S.

[166] Zie Aanteekening MM.

[167] Parietaria officinalis. Glaskruid, een zeer broos plantje.

[168] „Men moet zich vermommen, mijnheer.”

[169] Zie Aanteekening NN. Prins Karel Eduard. W. S.

[170] Berg en meer van Westmoreland.

[171] Zie Aanteekening OO. Schermutseling te Clifton. W. S.

[172] Zie Aanteekening PP. Eed op den dolk. W. S.

[173] Een der karakters door Shakespeare in zijn Hendrik V geschetst.

[174] Op den 16den April 1746 maakte de slag te Culloden, een einde aan

den inval van den Pretendent.

[175] De vlakte van Culloden is niet ver van Inverness.

[176] Er bevonden zich op Invergarry-Castle, het verblijf van

Mac-Donald van Glengary, twee verwoeste kastanjeboomen, de een geheel,

de ander gedeeltelijk, door een dergelijke boosaardige en kinderachtige

wraakzucht vernield. W. S.

[177] De zes eerste regels zijn ontleend aan een oude ballade, Klacht

der weduwe op de grenzen getiteld. W. S.

[178] Hij is vertrokken, hij is ontsnapt, hij heeft zich gered, hij is

gevlucht.

[179] Wij hebben geleden, wat in den loop der menschelijke dingen ligt.

[180] Dit vers is een soort van referein in Wordsworths ballade The

idiot boy getiteld.

[181] Het is met ons gedaan Trojanen.

[182] Laatste woning – graf.

[183] Hij sterft, en stervend lispelt hij den zoeten naam van Argos

nog.

Virgilius.

[184] Ook van een ijdelen plicht zal ik mij kwijten.

Virgilius.

[185] Walter Scott doelt hier op den dichter Crabbe.

[186] Touchstone is een der oorspronkelijkste hofnarren van

Shakespeare.

Waverley(#75933) · 第 156 / 156 题