VOETNOOTEN

[1] Advocaat, plaatsvervangend sheriff der Orcadische eilanden, rechter

in het hof, met den titel van Lord Kinnedder; dezelfde aan wien de

inleiding van den derden zang van „Marmion” is opgedragen; hij overleed

in 1822.

[2] Een personage uit de „Medeminnaars” van Sheridan. Haar naam duidt

aan, dat zij gewoon is mal à propos allerlei woorden en toespelingen te

gebruiken.

[3] Letters from the Highlands. Er is hier sprake van de „Brieven van

Kapitein Burt,” waarin hij van den beruchten hoofdman Barasdale

gewaagt, dien men algemeen houdt voor den type van Fergus Mac-Ivor.

[4] Al de leden der familiën van Marr en van Williamson werden, kort

voor het verschijnen van deze voorrede, te Londen ter dood gebracht.

[5] Een verhaal van de gebeurtenissen dier dagen, in eenvoudige rijmen

vervat, maar waarin een aantal treffende bijzonderheden voorkomen, en

hetwelk nog tegenwoordig door het volk wordt gezongen, geeft een

nauwkeurig verslag, zoowel van de krijgsbedrijven der Hooglanders als

van hunne uitspattingen, en daar de verzen weinig bekend en lang niet

kwaad zijn, wagen wij het ze hierin te vlechten.

[6] Willem, de zoon van George, Hertog van Cumberland.

[7] Licencie voor Linton-bridge, Linton-brug.

[8] Zinspeling op den welbekenden roman „Het kasteel van Udolpho,”

[9] Een der meest fashionable gedeelten van Londen.

[10] Een club bestaande uit rijke jongelieden, die allen uitmunten

moeten in het rijden met den „vierspan.”

[11] Een policiebureau te Londen.

[12] Waverley, in 1805 geschreven, verscheen eerst in 1811–14.

[13] Bondstreet, in de dagen toen deze inleiding geschreven werd,

dagelijks tusschen drie en vijf ure de wandelplaats der Engelsche

dandies en schoonen.

[14] Helaas! die kleeding, in 1805 of daaromstreeks, achtenswaardig en

voor een gentleman passend, is evenzeer verouderd als de schrijver van

Waverley zelf sedert dien tijd. De lezer uit de groote wereld zij zoo

goed het kostuum aan te vullen met een geborduurd vest van purper

fluweel of zijde en een gekleurden rok, zoo als hij zelf verkiest. Noot

van den Schr.

[15] In het Hollandsch Waverleys-eer, naam van het kasteel der

Waverleys.

[16] Waar de Ridder Saint George, of, zoo als hij genoemd werd, de Oude

Pretendent, als balling zijn hof hield, al naar de omstandigheden hem

noodzaakten van residentie te veranderen.

[17] Lang het orakel van den tot de Torypartij behoorenden landadel.

Het oude nieuwsblad verscheen in handschrift, en werd door klerken

overgeschreven, die de afschriften er van aan de inteekenaren

verzonden. De staatkundige, door wien het werd opgesteld, verzamelde de

stof er voor in de koffiehuizen, en deed meenigmaal een beroep op de

beurs zijner inteekenaren, omdat hij genoodzaakt was extrauitgaven te

doen, door het bezoeken van dergelijke door de aanzienlijkste lieden

bezochte plaatsen.

[18] Eene zinspeling op de aristocratische denkbeelden der kindermeiden

uit deze beide landen.

[19] De blauwe mantel behoort bij het costuum der ridders van den

Kouseband.

[20] Zie Aanteekening A. De terugkomst der kruisvaarders.

[21] Zie Hoppner’s vertelling van de „zeven minnaars.” W. S.

[22] Duizend en éen nacht.

[23] Deze inleidende hoofdstukken heeft men als vervelend en noodeloos

afgekeurd. Echter bevatten ze eenige bijzonderheden, die de schrijver

gemeend heeft niet te mogen weglaten of veranderen. W. S.

[24] Zie Aanteekening B. Titus Livius.

[25] Het Schotsche pond was niet meer dan een shilling, zestig cents

van onze munt.

[26] Sancroft, aartsbisschop van Canterbury, in 1677.

[27] Zie Aanteekening C, Nicolaas Amhurst.

[28] Zie Aanteekening D. Kolonel Gardiner.

[29] Zie Aanteekening E. Schotsche herbergen.

[30] Zie Aanteekening F. Huis van Tully-Veolan.

[31] Zie Aanteekening G. De tuin van Tully-Veolan.

[32] Ariosto: de twee snapsters.

[33] Innocent, Zie Aanteekening H. Familie gekken.

[34] Hoog en laag recht, van kerker en van kaak.

[35] Epulæ (feestmaal) is voor den Senaat; prandium (maaltijd) is voor

het volk.

[36] De vaas zal lang den geur bewaren.

[37] Zwarte wacht. Vier-en-twintig jaren lang is dit corps bekend

geweest onder den titel van het 42ste regiment. Maar bij de oprichting

haalde dit 42ste en het Gaelsch freicudan dhu, en black-watch, „zwarte

wacht” in het Engelsch, een naam, die zijn ontstaan verschuldigd was

aan de donkere kleur der uniform (zwart, groen en blauw) die erg afstak

bij het scharlakenrood der linietroepen. De onafhankelijke compagniën

van de „black-watch,” waren samengesteld uit personen die in andere

regimenten een hoogeren rang bekleedden; over het algemeen waren het

allen jonge edellieden of edellieden zonder fortuin; men had er zelfs

onder die er bedienden op nahielden om hunne wapenen te dragen.

[38] Zie Aanteekening I. Episcopale kerk van Schotland.

[39] Wheedle. To wheedle, verleiden, met mooie woorden fleemen.

Quibble, haarklooverij, woordenspel. De baron vermaakte zich door dit

woordenspel, met zijn baljuw en de advocaten bijeen te nemen.

[40] Verwisselen wij van schild en trekken wij der Grieken wapenrusting

aan.

[41] Oude wijvepraatjes.

[42] Zie Aanteekening K. De afscheidsdronk.

[43] Suum cuique. Dit fragment eener ballade werd gedicht door Andreas

MacDonald, den geestigen en ongelukkigen auteur van Vimonda. W. S.

[44] John o’ Groat’s. Het noordelijke punt van Schotland, in het

graafschap Caithness.

[45] Bacchus.

[46] De in keukenzaken ervarenen zijn niet van baron Bradwardine’s

gevoelen, en houden het er voor dat dit wild droog en slecht is,

behalve in de soep en als Schotsche karbonnaden gebruikt. W. S.

[47] De Baron had hier in herinnering moeten brengen, dat de vroolijke

Allan in regte lijn afstamde uit het huis van den edelen graaf, dien

hij aldus beschrijft:

Dalhousie van een oud geslacht,

Mijn trots, mijn lust, mijn grootste pracht. W. S.

[48] Dryden.

[49] Zie aanteekeening L. Tooverij.

[50] Sprekende wapens.

[51] Zie Aanteekening M. Sprekende wapens. W. S.

[52] Danaïden, dochters van Belus.

[53] Zijne oogen zijn hem uit het hoofd gescheurd; het bloed vloot hem

ten gorgel uit.

[54] De bergbewoners zijn in stammen of clans verdeeld, die wederom

verschillende onderdeelen hebben. Iedere clan heeft zijn hoofd, iedere

onderafdeling haar „chieftain,” aanvoerder.

[55] Zinspeling op de parkementen van den adel.

[56] De Edinburgsche stedelijke politie was nog niet zeer lang geleden

aldus gewapend. Aan het einde van den bijl had men een haak, waarvan de

oude Hooglanders zich plachten te bedienen bij het beklimmen der

wallen, door den haak er in vast te slaan, en zich langs den steel op

te werken. Men veronderstelt, dat de bijl, die ook veel door de

vroegste bewoners van Ierland gebezigd werd, in beide landen uit

Scandinavië is overgebracht. W. S.

[57] De hanchman of henchman is een soort van geheimschrijver, die zijn

chef als zijn schaduw volgt, en zich aan tafel aan zijn zijde bevindt,

gereed om al zijn bevelen ten uitvoer te leggen. Deze betrekking is

soms het deel van den zoogbroeder. Deze naam werd ook aan den

vertrouwden page of aan den bevelhebber der wacht van een edele

gegeven.

[58] De bard is de geschiedschrijver der familie, soms de onderwijzer

van den jongen edele, terwijl hem is opgedragen de liederen op te

stellen ter eere van den stam; in éen woord de dichter van den clan.

[59] Het woord bladier stamt waarschijnlijk van bladarie, een Schotsch

woord, af, hetwelk „snoeverij” beteekent, omdat dezen ambtenaar was

opgedragen de daden en de grootheid van zijn meester aan den volke te

verkondigen.

[60] Het woord gilly beteekent page, knecht, en more groot. Dit

bijvoegelijk naamwoord veredelt het geheele woord gilly-more. De andere

beambten worden genoegzaam in den tekst omschreven.

[61] De pijper, die zich voor een edelman uitgaf, droeg zelf zijn

instrument niet, en ontdeed er zich van zoodra hij gespeeld had; hij

had derhalve een page, een gilly, om zijn doedelzak (bagpipe) te

dragen.

[62] Pibroch. Een soort van liedje aan de muziek der Hooglanders eigen,

en dat, naar het zeggen der Schotten, al de gewaarwordingen der ziel

uitdrukt. Deze benaming wordt bij voorkeur aan krijgszangen gegeven.

[63] Hiermede werd een Engelsch soldaat of officier, naar zijn uniform

aangeduid, in tegenstelling met die van black watch, zwarte regimenten,

zooals de ongeregelde troepen der Hooglanders genoemd werden.

[64] Het is niet de treurberk, een soort die het meest in de Hooglanden

voorkomt, maar de wollige, bladerige berk der Laaglanden, welke deze

geur verspreidt. W. S.

[65] De roem dezer beide helden berust op de overleveringen en

volksballaden; in de geschiedenis komen ze slechte als een paar

vogelvrij verklaarden voor.

[66] Zie Aanteekening O. Rob Roy.

[67] Dit was het gerecht, hetwelk Rob Roy den Laird van Tullibody

aanbood. W. S.

[68] Iemand met een tweede gezicht begaafd.

[69] Zie Aanteekening P. Vroolijke galg van Crieff. W. S.

[70] Zie Aanteekening Q. Caterans. W. S.

[71] De Schotten zijn buitengewoon mild, wanneer ze hun land en drank

berekenen. De Schotsche pint komt zoowat met vier Engelsche overeen;

wat hun geld betreft, iedereen kent het tweeregelig versje:

Zijn op den naam van leeperts die rekels nog gesteld?

Hun pond is twintig stuivers, berekend naar ons geld. W. S.

[72] Met dezen pluim tooiden zich slechts de hoofden van den hoogsten

rang.

[73] Een burlesk personage uit Shakespeare’s Veel leven om niets.

[74] Zie Aanteekening R. Wederinkoop van Schotsche verbeurd verklaarde

goederen. W. S.

[75] Een der makkers van Falstaff (in Shakespeare’s Hendrik IV).

[76] Zie Aanteekening S, Hooglandsche Staatkunde. W. S.

[77] Stowe behoort aan den markies van Buckingham. Deze in Engeland

beroemde tuinen zijn voor een groot gedeelte het schoone, waardoor zij

zich onderscheiden, verplicht aan hetgeen lord Cobham er aan ten koste

legde. – Blenheim is het kasteel van den hertog van Marlborough, te

Woodstock in het graafschap Oxford, opgetrokken op het terrein van het

koninklijk buiten van Woodstock, anders gezegd van de „Schoone

Rosamunde.”

[78] Zie Aanteekening T. Hooglandsche krijgstucht. W. S.

[79] In het Schotsch is een wadsetter iemand die den eigendom van een

ander bezit, onder verplichting van dien na een bepaalden termijn terug

te geven, even als een wadset, in den rechterlijken stijl, een acte

beteekent, waardoor de schuldenaar zijn goed aan zijn schuldeischer

afstaat, opdat deze zich met de inkomsten er van betale. Onder tacksman

verstaat men een pachter van den eersten rang.

De Clan Cinnidh, of opperste, was de eigenaar van het geheele district,

dat door den clan bewoond werd; hij behield er voor zich een gedeelte

van, waarop de lieden van zijn gevolg leefden. Die gedeelten, welke de

hoofdman zelf niet onmiddellijk bestuurde, werden door hem afgestaan

aan de oudste en voornaamste leden van den clan, bloedverwanten van den

hoofdman, die een weinig meer „heeren” waren dan de anderen; deze waren

de tacksmen. Deze verdeelden hun grond weder in kleine boerderijen, die

zij aan een familie van landgebruikers (tenants) afstonden, en op de

landgebruikers volgden de kleine landgebruikers, die een eenvoudige hut

bewoonden, en weder voor gene arbeidden. Zoodanig was de hierarchie der

eigenaren en erfelijke pachters van den clan, die, behalve dat ze

eenige schattingen in geld, of in voortbrengselen van den grond moesten

opbrengen, verplicht waren den hoofdman in persoon te dienen. Maar de

hoofdman bezat ook, als de vader van het groote gezin, wederkeerig

verplichtingen; en de gastvrijheid jegens alle leden van zijn clan

behoorde onder het aantal der op hem rustende verplichtingen.

[80] Zie Aanteekening U. Afkeer der Schotten van varkensvleesch.

[81] Zie Aanteekening X. Een Schotsche tafel. W. S.

[82] De rok die tot het nationale costuum behoort.

[83] Shakespeare’s Viola, die de kleederen van haar broeder aantrekt en

zich voor hem laat doorgaan.

[84] Hier wordt niet de beroemde treurspelspeelster mevrouw Henry

Siddons, te Edinburgh, bedoeld.

[85] De kleindochter van den grooten Sobieski. Haar vader Jacobus

Sobieski, haalde zich de ongenade van Oostenrijk op den hals, door zijn

toestemming tot haar huwelijk met den Pretendent te geven.

[86] Zie Aanteekening Y. Conan de Hofnar. W. S.

[87] De Hooglandsche dichter was bijna altijd een improvisator.

Kapitein Burt ontmoette een hunner aan Lovat’s tafel. W. S.

[88] Een Engelschman is voor een Schot a Southern, iemand uit het

zuiden.

[89] Zie Aanteekening Z. Waterval.

[90] De jeugdige en stoutmoedige Karel Eduard landde te Glenaladale

(Moidart) en plantte zijn standaard in de vallei van Glenfinnan,

terwijl hij de Macdonalds, de Camerons en andere minder talrijke clans

rondom zich verzamelde. In deze vallei treft men een monument aan met

een door docter Gregory in het Latijn vervaardigd opschrift. W. S.

[91] De oudste broeder van den markies van Tullibardine, die na een

geruimen tijd als balling te hebben rondgezworven, in 1745 met Karel

Eduard in Schotland terugkeerde.

[92] Mac-Lean, Mac-Kenzie, Mac-Gregor. Het Gaelsche woord mac,

beteekent zoon van.

[93] Ik stoor mij weinig aan den Helicon.

Drink water al wie wil; ik gun hem graag de bron.

[94] Dit oude Gaelsche lied is nog heden ten dage algemeen, zoo wel in

de Hooglanden als in Ierland, bekend. Het is in het Engelsch vertaald,

en als ik mij niet bedrieg, onder het toezicht van den pseudoniem Tom

d’ Urfey, uitgegeven onder den titel van Coley, my cow.

[95] Sir Robert Lindsay van Pitscottie, van wien Sir Walter Scott de

volgende aanhaling ontleent, leefde in de vijftiende eeuw; hij is de

schrijver van een geschiedenis, of liever van een kroniek van

Schotland, die men ook aan Sir David Lindsay, zijn tijdgenoot,

toeschrijft. De jacht, waarvan hier sprake is, was een der groote

jachtpartijen van Jacobus V, in 1528.

[96] John Taylor, bijgenaamd de waterpoëet, omdat hij leerjongen bij

een schuitvoerder op de Theems was. Taylor diende ook op de vloot van

den graaf van Essex, bij het beleg van Cadix (1596).

[97] De wonden, door de hoorns van een hert toegebracht, werden over

het algemeen voor veel gevaarlijker gehouden dan die door de slagtanden

van een wild zwijn veroorzaakt:

Zijt gij door hoorn of hert gewond,

het brengt u op de baar;

Maar trof een wilde zwijns-tand u,

dan dreigt u geen gevaar.

[98] Dit gewaad, dat veel op dat vaak door kinderen in Schotland

gedragene, geleek, en potonie (dat wil zeggen polonaise) geheeten werd,

is een vrij oude wijziging aan de Hooglandsche kleeding.

[99] De oude Hooglanders maken nog den deasil rondom lieden in wie ze

belangstellen. Om iemand in een tegenovergestelde richting, of met

swither sins, (in het Duitsch wider-sins) heengaan, is een soort van

betoovering, die ongeluk aanbrengt. W. S.

[100] Deze metrische bezweering, of iets dat daar veel mede

overeenkomt, is door Reginald Scott, in zijn werk over Tooverij aan de

vergetelheid ontrukt. W. S.

[101] ’s Morgens vlochten zij hun draagbaar

Beide uit berk en hazelaar. Chery Chase.

Waverley(#75933) · 第 155 / 156 题