ZEVEN-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

Dit is mijn eigen huis niet,

Of hemel, wat ’s ’t verfraaid!

Oud liedeke.

De jonggehuwden reisden op een grooten voet. Daar was een koets met zes

paarden, van het nieuwste fatsoen, die door haar luister de oogen van

half Schotland verblindde, en door Sir Everard aan zijn neef geschonken

was; daar was de familiekoets van den heer Rubrick, – beide waren vol

dames; voorts heeren te paard, met hun bedienden, tot een twintigtal

toe. En toch, zonder dat de vrees voor hongersnood hem bekroop, kwam de

rentmeester Mackwheeble hun te gemoet met het onderdanig verzoek, wel

zoo goed te willen zijn, om zijn huis, Klein Veolan, niet voorbij te

gaan. De Baron zette groote oogen op en zeide, dat hij en zijn zoon

niet in gebreke zouden blijven te Klein Veolan op te houden en hun

compliment bij den rentmeester af te leggen: maar dat er niet aan te

denken viel, om den geheelen comitatus nuptialis, of huwelijksstoet

mede te brengen. Hij voegde er bij, dat, daar hij vernomen had dat de

baronie door haar onwaardigen eigenaar was verkocht, hij zich

verheugde, dat zijn oude vriend Duncan zijn post onder den nieuwen

Dominus of eigenaar had terug gekregen. De rentmeester knikte, boog en

strijkvoette, en drong daarna weder op zijn uitnoodiging aan, tot de

Baron, ofschoon eenigzins gebelgd over het hardnekkig volhouden van

zijn verzoek, niet nalaten kon het aan te nemen, zonder zekere

gewaarwordingen te laten blijken, die hij liefst verbergen wilde.

Hij verviel in diep nadenken, toen ze den ingang van de laan naderden,

en werd alleen daarin gestoord door de opmerking, dat de kanteelen

hersteld waren, de puinhoopen opgeruimd, en, wat nog het wonderlijkst

van alles scheen, dat de twee groote steenen Beeren, deze verminkte

afgoden, door hem aangebeden, hun post boven de poort weder hadden

betrokken.

„Nu, deze nieuwe eigenaar,” zeide hij tot Eduard, „heeft meer gusto

getoond, zoo als de Italianen het noemen, in den korten tijd dat hij

dit goed bezit, dan die hond van een Malcolm, hoewel ik hem zelf hier

opkweekte, vita adhuc durante, verkregen heeft. – En nu ik van honden

spreek, komen daar niet Ban en Buscar de laan afdraven, met Davie

Gellatley?”

„Ik stel voor, hun te gemoet te gaan, mijnheer; want ik geloof dat

kolonel Talbot de tegenwoordige eigenaar van het huis is, en hij een

bezoek van ons wacht. Wij aarzelden eerst om u te zeggen, dat hij uw

oudvaderlijke bezitting had gekocht; en thans nog kunnen wij, indien

gij niet verlangt hem te bezoeken, regelrecht naar den rentmeester

gaan.”

De Baron had thans behoefte aan al zijn grootmoedigheid. Hij haalde

echter diep adem, nam met veel omslag een snuifje en maakte de

opmerking, dat, daar ze hem zoo ver gebracht hadden, hij de deur van

den kolonel niet kon voorbijgaan; hij zou zich gelukkig rekenen den

nieuwen meester van zijn voormalige pachters te zien. Hij trad dus,

even als de andere heeren en dames, het rijtuig uit, gaf zijn arm aan

zijn dochter, en terwijl zij de laan opwandelden, wees hij haar aan,

hoe spoedig de Diva Pecunia van den zuideling, – hij mocht haar wel

diens beschermgodheid noemen, – alle sporen van verwoesting had doen

verdwijnen.

Inderdaad waren niet slechts de gevelde boomen weggeruimd, maar nadat

men hunne stompen uitgegraven en de aarde rondom bespit en met gras

bezaaid had was het blijkbaar, dat de sporen der vernieling, behalve

voor een oog, dat van nabij met de plaats bekend was, reeds geheel

uitgewischt waren. Er had een dergelijke hervorming plaats gehad met

betrekking tot Davie Gellatleys uiterlijk, die hun te gemoet kwam en

ieder oogenblik stilstond, om het nieuwe pak te bewonderen, dat zijn

gestalte versierde, en van dezelfde kleuren was als eertijds, maar zoo

fraai afgezet, dat Touchstone zelf [186] er gerust in had mogen voor

den dag komen. Hij kwam aandansen met zijn gewone belachelijke

sprongen, eerst naar den Baron, en toen naar Rose, terwijl hij met de

handen over zijn kleederen streek en uitriep: „Schoon, Davie,” en

nauwelijks in staat, door de buitensporige vreugde, die hem geheel

buiten adem gebracht had, om een enkele slotrijm van zijn duizend en

één liedjes uit te galmen. Desgelijks herkenden de honden hun ouden

meester, met duizenderlei blijde sprongen.

„Op mijn geweten, Rose, de dankbaarheid van die stomme dieren en van

dien armen hals brengen mij de tranen in de oude oogen, terwijl die

schelm van een Malcolm – maar ik heb verplichting aan kolonel Talbot,

dat hij zoo goed voor mijn honden heeft gezorgd, en ook voor Davidje.

Maar, Rose, wij moeten niet toelaten, dat zij het landgoed als met een

lijfrente blijven bezwaren.”

Terwijl hij sprak, kwam lady Emilia, aan den arm haars echtgenoots, het

gezelschap aan de binnenpoort met duizend welkomstgroeten tegen. Nadat

de plechtigheid der voorstelling van de onderscheidene personen voorbij

was, niet weinig verkort door de voorkomendheid en uitnemende toon van

lady Emilia, verontschuldigde zij zich dat zij zich een list

veroorloofd had, om hen terug te brengen naar een plaats die licht

eenige smartelijke herinneringen kon opwekken. „Maar daar deze van

eigenaar moest veranderen, verlangden wij zeer dat de Baron – –”

„De heer Bradwardine, mevrouw, als ’t u belieft,” zei de oude heer.

„De heer Bradwardine dan, en de heer Waverley mochten zien, wat wij

gedaan hebben, om het verblijf uwer vaderen in zijn vorigen toestand te

herstellen.”

De Baron antwoordde met een diepe buiging. Inderdaad, toen hij het

voorplein opkwam, scheen – met uitzondering van de lompe stallen, die

afgebrand en door gebouwen van een lichter en bevalliger voorkomen

vervangen waren – alles zoo veel mogelijk in den toestand hersteld,

waarin hij het verlaten had, toen hij, slechts eenige maanden geleden

te velde getrokken was. Het duivenhok was op nieuw bevolkt; de fontein

zond weder met haar gewone vlugheid een waterstraal naar boven, en niet

alleen de beer, die over het bekken stond, maar al de oude beeren, hoe

zij er ook hadden uitgezien, waren naar hunne plaatsen teruggebracht,

en met zoo veel zorg verniewd of hersteld, dat zij geen sporen van het

geweld droegen, hetwelk hen nog zoo kort geleden getroffen had. Daar

men in deze kleinigheden zoo zorgvuldig te werk was gegaan, is het

nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het huis zelf, zoowel als de

tuinen, weder volkomen in orde gebracht waren, met inachtneming van het

oorspronkelijke karakter van beide, en om, zoo veel mogelijk, alle

sporen van de verwoesting weg te ruimen, die zij ondergaan hadden. De

Baron staarde vol stille bewondering in het rond; eindelijk sprak hij

kolonel Talbot aan.

„Terwijl ik u mijn dank betuig voor de herstelling van het wapen van

onze familie, kan ik niet nalaten mij te verwonderen, dat gij nergens

uw eigen wapen hebt aangebracht, kolonel Talbot, dat, naar ik meen, een

bulhond is, van ouds een „talbot” genoemd. Ten minste, zulk een hond is

het wapen der krijgshaftige en beroemde graven van Shrewsbury, aan wie

uwe familie waarschijnlijk in den bloede bestaat.”

„Ik geloof,” zei de kolonel glimlachende, „dat onze honden, welpen zijn

uit hetzelfde nest. Wat mij betreft, indien de wapens elkander den

voorrang moesten betwisten, zou ik, zoo als het Engelsche spreekwoord

zegt, „beeren en honden met elkander laten vechten.””

Terwijl hij dit zeide, waarbij de Baron nogmaals een lang snuifje nam,

waren zij het huis binnengetreden: namelijk, de Baron, Rose, en lady

Emilia, met den jongen Stanley en den rentmeester; want Eduard en het

overige gezelschap bleven op het terras, om een nieuwe oranjerie te

bezichtigen, die van de uitgezochtste planten voorzien was. De Baron

kwam op zijn geliefkoosd onderwerp terug: „Hoezeer het u behagen moge,

de eer van uw afkomst te kort te doen, kolonel Talbot, hetgeen zeker

een zonderlingheid is, zoo als ik bij meer heeren van aanzien en

geboorte in uw land heb waargenomen, zoo moet ik nogmaals herhalen, dat

het eer zeer oud en aanzienlijk wapen is, zoowel als dat van mijn

jongen vriend, Frans Stanley, hetwelk bestaat in een arend en een

kind.”

„„De vogel en het jongetje”, wordt het in Derbyshire genoemd,

mijnheer,” zei Stanley.

„Ge zijt een spotvogel, mijnheer,” zei de Baron, die veel met den

jongeling ophad, misschien omdat hij hem somtijds plaagde, – „Ge zijt

een spotvogel, en ik moet u eens onder handen nemen,” terwijl hij hem

met zijn groote bruine vuist dreigde. „Maar wat ik zeggen wilde,

kolonel Talbot, is, dat uw prosapia, dat wil zeggen, afkomst, zeer oud

is, en daar gij dit landgoed goed en wettig hebt verkregen voor uw

nakomelingen, terwijl ik het voor mij en de mijnen verloren heb, zoo

wensch ik, dat het even vele eeuwen in uw familie moge blijven, als het

in die der vorige bezitters geweest is.”

„Dat is inderdaad zeer beleefd, mijnheer Bradwardine, inderdaad zeer

beleefd.”

„En toch verwondert het mij zeer, kolonel, dat gij, van wien ik, toen

wij elkander te Edinburgh ontmoetten, heb opgemerkt, dat de amor patriæ

zelfs zoo ver ging, dat gij andere landen eenigzins minachttet,

verkozen hebt uw Lares of huisgoden, te plaatsen procul a patriæ

finibus, en in zekeren zin u uit uw vaderland te verbannen.”

„Wel inderdaad, Baron, ik zie niet waarom, – door het geheim van deze

dwaze knapen, Waverley en Stanley en van mijn vrouw, die geen zier

wijzer is, te verzwijgen – waarom, zeg ik, de eene oude soldaat den

ander langer om den tuin zou leiden. Gij moet dan weten, dat ik zoo

zeer bezield ben met het vooroordeel ten gunste van mijn eigen land dat

de som gelds, door mij tot den aankoop dezer uitgebreide baronie

besteed, mij slechts een klein landgoed in **shire heeft bezorgd,

Brerewood-lodge genaamd, met omtrent twee honderd en vijftig bunders

land, en welks voornaamste verdienste daarin bestaat, dat het slechts

op korten afstand van Waverley-Honour gelegen is.”

„En wie dan, in ’s Hemels naam, heeft dit goed gekocht?”

„De uitlegging hiervan,” zei de Kolonel, „is de zaak van dezen heer.”

De rentmeester, op wien deze woorden betrekking hadden, had al gedurig

van ongeduld van den een op den anderen voet staan springen, „even als

een kuiken,” gelijk hij daarna zeide, „op een heeten rooster,” en

terwijl hij van tijd tot tijd lachte, mocht hij er wel hebben

bijgevoegd, gelijk de genoemde kip om haar blijdschap uit te kakelen,

dat ze een ei leggen moest – de rentmeester dan trad nu vooruit. „Dat

kan ik, dat kan ik – Baron;” en dit zeggende, haalde hij uit zijn zak

een pak papier, en maakte het roode band los, met een hand die van

ongeduld beefde. „Hier is de overdracht en afstand van Malcolm

Bradwardine van Inchgrabbit, goed en degelijk geteekend, en bekrachtigd

volgens de eischen der wet, waarbij hij voor zekere som, bij de

overdracht en naar genoegen in ponden sterling betaald, verkocht,

afstand gedaan en overgedragen heeft het geheele landgoed en de baronie

van Bradwardine en Tully-Veolan, enz: met de huizinge en gebouwen –”

„Om Gods wil, kom tot de zaak, mijnheer;” zei de Kolonel, „ik ken dit

alles van buiten”

„Aan den heer Cosmo Comyne Bradwardine,” vervolgde de rentmeester,

„zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, eenvoudig en zonder meer – om

gehouden te worden hetzij a me vel de me –”

„Ik bid u, maak het kort, mijnheer!”

„Op het geweten van een eerlijk man, Kolonel, ik bekort mij zoo veel

als bestaanbaar is met den stijl. – Onder verband en behoudens echter

–”

„Mijnheer Mackwheeble, dit zou langer duren dan, een Russische winter –

veroorloof mij! In het kort, mijnheer Bradwardine, uw familielandgoed

is nog eenmaal het uwe in vollen eigendom, en wel ter uw volkomene

beschikking, maar alleen belast met de betaalde som om het weêr in te

koopen, die, naar ik vermeen, ver beneden de waarde is.”

„Voor een appel en een ei! Kijkt, als ’t u belieft, mijne heeren, in

het renteboek!” riep Mackwheeble, terwijl hij zich in de handen wreef.

„En welke som,” voegde de Kolonel er bij, „voldaan zijnde door den heer

Eduard Waverley, hoofdzakelijk uit de gelden van zijn, reeds genoemd en

door mij van hem gekocht, vaderlijk eigendom, verzekerd wordt aan zijn

vrouw, uw dochter en haar kinderen.”

„Het is een formeele overdracht;” dus viel de rentmeester met zijn

rechtsgeleerde taal weder in, „aan Rose Comyne Bradwardine, thans

Waverley, als lijfrente en voor de kinderen van gezegd huwelijk in

leen; en ik heb een kleine minuut voor een huwelijksvoorwaarde

opgemaakt, intuitu matrimonii, zoodat het hierna niet aan terugneming

onderworpen zijn kan, als een gifte inter virum et uxorem.”

Het zou moeielijk te zeggen zijn, of de waardige Baron meer ingenomen

was met het terugkrijgen van zijn familie-eigendom, dan wel met de

kieschheid en edelmoedigheid, die hem vrij liet geheel zijn eigen wil

te volgen, door er over te beschikken na zijn dood, en die zoo veel

mogelijk zelfs den schijn vermeed, van hem geldelijke verplichtingen op

te leggen. Toen de eerste opwelling van vreugde en verbazing een weinig

geweken was, vielen zijn gedachten op den onwaardigen mannelijken

erfgenaam, die, zoo als hij zeide, zijn geboorterecht, als Ezau, voor

een schotel moes had verkocht.

„Maar wie kookte de pot voor hem?” riep de rentmeester, „dat zou ik wel

eens willen weten! – wie, dan mijnheers onderdanige Duncan Mackwheeble?

De jonge mijnheer Waverley gaf het mij in handen van den beginne af –

van den eersten aanleg af, mag ik wel zeggen. Ik heb hen in het net

gekregen. Ik heb het hun gebakken. Ik heb hun van onze woeste boeren en

van de Mac-Ivors gesproken, die nog maar gedeeltelijk tot onderwerping

gebracht waren, totdat ze geen voet over den drempel durfden zetten,

uit vrees voor John Heatherblutter, of soortgelijke waaghalzen. En van

den anderen kant overblufte ik iedereen met kolonel Talbot. Zou iemand

het durven ondernemen, om het goed op te jagen tegen den vriend des

Hertogs? Wisten ze dan niet, wie thans meester was? Hadden ze niet

genoeg gezien in het voorbeeld van menigen ongelukkigen, misleiden

persoon –”

„Die naar Derby ging, bij voorbeeld, mijnheer Mackwheeble?” fluisterde

de Kolonel hem toe.

„Stil, Kolonel, om ’s hemels wil! Haal geen oude koeien uit de sloot!

Daar waren ook brave menschen te Derby, en,” dus besloot hij, „men

spreekt niet graag van de galg,” – terwijl hij een zijdelingschen blik

op den Baron wierp, die in gepeins verdiept stond.

Op eens ontwaakte de Baron daaruit, nam Mackwheeble bij den knoop van

zijn rok, en voerde hem naar een van de verste ramen, vanwaar slechts

enkele woorden van hun gesprek het overige gezelschap bereikten. Het

had gewis betrekking op gezegeld papier en perkament; want geen ander

onderwerp, zelfs uit den mond van zijn patroon, en al was hij ook zelf

weder een persoon van aanzien geworden, kon des rentmeesters eerbiedige

en diepe aandacht zoo geboeid hebben.

„Ik versta mijnheer volkomen; het kan even gemakkelijk worden gedaan,

als iedere andere notarieele acte.”

„Aan haar en hem, na mijn overlijden, en hun mannelijke erfgenamen –

maar bij voorkeur aan den tweeden zoon, indien God hen met twee mag

zegenen, die den naam en het wapen zal voeren van deze plaats, zonder

eenigen anderen naam of wapen, hoedanig ook.”

„Akkoord! Ik zal morgen een klein stukje opmaken: het zal maar een acte

van afstand in favorem kosten, en ik zal het in orde brengen tegen de

volgende zitting van het Hof.”

Na dit afzonderlijk gesprek, werd de Baron geroepen, om de honneurs van

Tully-Veolan jegens de nieuwe gasten waar te nemen. Deze waren majoor

Melville van Cairnvreckan en de eerwaarde heer Morton, gevolgd door nog

eenige bekenden van den Baron, die bericht ontvangen hadden, dat hij

het landgoed zijner vaderen terug erlangd had. Ook liet zich het

vreugdegejuich der dorpelingen beneden op het voorplein hooren; want

Saunders Saunderson, die het geheim, gedurende verscheidene dagen, met

loffelijke voorzichtigheid had bewaard, had zijn tong den vrijen teugel

gelaten toen hij de rijtuigen zag aankomen.

Maar, terwijl Eduard, Melville met beleefdheid, en den predikant met de

dankbaarste en hartelijkste genegenheid ontving, werd zijn schoonvader

een weinig verlegen, daar hij niet wist hoe hij zich van de

onvermijdelijke plichten der gastvrijheid jegens zijn bezoekers zou

kwijten en de vreugde zijner pachters verhoogen. Lady Emilia hielp hem

uit dezen nood, door hem te kennen te geven, dat zij, ofschoon in vele

opzichten zeker een slechte plaatsvervangster van mevrouw Eduard

Waverley, evenwel hoopte de goedkeuring van den Baron te zullen

wegdragen, met betrekking tot het onthaal waarvoor zij, in afwachting

van zoo vele gasten, de noodige voorzorgen had genomen; en dat deze

zich op een wijze zouden zien ontvangen, waardoor de eer der oude

gastvrijheid van Tully-Veolan eenigermate zou worden opgehouden. Het is

onmogelijk het genoegen te beschrijven, dat deze verzekering den Baron

verschafte, die, met een galanterie, waarin iets van den stijven

Schotschen edele en van den officier in Fransche dienst lag, zijn arm

aan de schoone spreekster bood, en den tocht naar de ruime eetzaal

opende, met een stap, die het midden hield tusschen een menuet en een

marsch, terwijl hij door het overige gezelschap gevolgd werd.

Door Saundersons aanwijzingen en inspanning, was alles hier, zoowel als

in de andere vertrekken, zoo veel mogelijk op den ouden voet ingericht;

en waar het noodzakelijk was geweest nieuw huisraad aan te brengen, was

dit gekozen in denzelfden smaak als het oude. Er was echter iets nieuws

in dit fraaije oude vertrek aangebracht, dat den ouden Baron de tranen

uit de oogen perste. Het was een groote en schoone schilderij, Fergus

Mac-Ivor en Waverley in hun Hooglandsche kleeding voorstellende; het

tooneel verbeeldde een wilden, rotsachtigen bergpas, en op den

achtergrond zag men den clan der Mac-Ivors in het dal afdalen. Deze

schilderij was vervaardigd naar een schets, door een jong mensch van

groot talent ontworpen, terwijl ze te Edinburgh waren, en levensgroot

door een voornaam kunstenaar te Londen geschilderd. Raeburn zelf, wiens

Hooglandsche opperhoofden allen op het doek schijnen te leven, had het

onderwerp niet beter hebben kunnen behandelen en het vurige, trotsche

en onstuimige karakter van het ongelukkige opperhoofd van Glennaquoich

was goed in tegenstelling gebracht met de peinzende, afgetrokkene en

dweepachtige uitdrukking van zijn gelukkiger vriend. Naast dit

schilderstuk hingen de wapens, door Waverley in den ongelukkigen

burgeroorlog gedragen. Het geheel droeg de algemeene bewondering weg,

terwijl het tevens een nog diepere aandoening opwekte.

Men moest nogtans, in weerwil van zoo veel bewondering en zulke

herinneringen, de eischen der maag laten gelden; en de Baron, die zelf

zich aan het lager einde der tafel zette, stond er op, dat lady Emilia

de honneurs aan het hooger einde op zich zou nemen, om, gelijk hij zich

uitdrukte, het jonge volk een betamelijk voorbeeld te geven. Na een

oogenblik gepeinsd te hebben over de vraag omtrent den voorrang

tusschen de Presbyteriaansche en de Episcopale kerk in Schotland,

verzocht hij, dat de heer Morton, als vreemdeling, het gebed zou doen,

terwijl hij er de aanmerking bijvoegde, dat de heer Rubrick, die te

huis was; na tafel danken zou voor het uitstekende geluk waarmede hij

gezegend was geworden.

De maaltijd was uitnemend. Saunderson bediende in groot costuum, met al

de mindere knechts, die men op nieuw vereenigd had, uitgenomen een

paar, van wie men sedert den slag van Culloden niets had vernomen. De

kelders waren van wijn voorzien, die algemeen als uitmuntend werd

geprezen; en er was de noodige schikking gemaakt, dat de Beer van de

Fontein, op de binnenplaats, voor dezen enkelen avond, goede

brandewijnpunsch ten beste van de mindere klassen geven zou.

Toen de maaltijd afgeloopen was, sloeg de Baron, terwijl hij een dronk

wilde instellen, een min of meer treurigen blik op het buffet, dat

echter het grootste gedeelte van zijn zilver bevatte, voor zoover het

óf verborgen geweest, óf door den naburigen adel van de soldaten

opgekocht, en met innige blijdschap aan den eersten eigenaar terug

bezorgd was.

„In deze tijden,” zeide hij, „moeten zij dankbaar zijn, die hun lijf en

goed behouden hebben, en echter, nu ik dezen dronk wil uitbrengen, kan

ik niet nalaten over het gemis van een oud erfstuk te klagen, lady

Emilia – een poculum potatorium, kolonel Talbot –”

Hier werd de Baron zachtjes aan den arm gestooten door zijn majordomo,

en zag hij, in handen van Alexander Ab Alexandro, den beroemden beker

van St. Duthac, den gezegenden Beer van Bradwardine! Ik geloof bijna

niet dat het terug erlangen van zijn landgoed hem meer vreugde

verschafte. „Op mijn eer, lady Emilia,” zeide hij, „men zou bijna in uw

tegenwoordigheid aan heksenwerk en toovergodinnen gelooven.”

„Ik ben recht gelukkig,” zei kolonel Talbot, „dat het, door het

terugkrijgen van dit familie-erfstuk, in mijn macht geweest is, u een

blijk te geven van mijn overgroote belangstelling in alles, wat mijn

jongen vriend Eduard betreft. Maar, opdat gij lady Emilia niet voor een

toovenares moogt houden, noch mij voor een heksenmeester, waarmede in

Schotland niet te spotten valt, zoo moet ik u zeggen, dat de jonge

Stanley, uw vriend, die, sedert hij Eduards verhalen van oud Schotsche

zeden heeft gehoord, door een tartankoorts is geplaagd geweest, ons

toevallig een beschrijving uit de tweede hand gegeven heeft van dezen

merkwaardigen beker. Mijn knecht, Spontoon, die, als een echt oud

soldaat, alles opmerkt en weinig spreekt, berichtte mij naderhand, dat

hij het door Stanley vermelde stuk, gezien had in handen van zekere

mevrouw Nosebag, die, daar ze eertijds een uitdragerij gehad had,

gedurende de treurige tooneelen in Schotland, in de gelegenheid was

geweest, om nog het een of ander in haar voormaligen handel te doen,

waardoor ze de verzamelaarster was geworden van het kostbaarste

gedeelte van den buit der halve armee. Gij kunt u verbeelden, dat de

beker weêr spoedig ingekocht was, en het zal mij groot genoegen doen,

indien gij mij vergunt het daarvoor te houden, dat de waarde er van

niet verminderd is, omdat hij u uit mijn handen is terug bezorgd.”

Een traan mengde zich onder den wijn, dien de Baron inschonk, terwijl

hij een glas van dankbaarheid wijdde aan kolonel Talbot, en, „den

voorspoed der vereenigde huizen van Waverley-Honour en Bradwardine.”

Er blijft voor mij nog slechts te zeggen over, dat, daar nooit een

wensch met inniger hartelijkheid geuit werd, er weinige zijn, die, de

noodwendige wisselvalligheid der menschelijke zaken daargelaten, over

het geheel, gelukkiger zijn vervuld geworden.

Waverley(#75933) · 第 148 / 156 题