Dit is mijn eigen huis niet,
Of hemel, wat ’s ’t verfraaid!
Oud liedeke.
De jonggehuwden reisden op een grooten voet. Daar was een koets met zes
paarden, van het nieuwste fatsoen, die door haar luister de oogen van
half Schotland verblindde, en door Sir Everard aan zijn neef geschonken
was; daar was de familiekoets van den heer Rubrick, – beide waren vol
dames; voorts heeren te paard, met hun bedienden, tot een twintigtal
toe. En toch, zonder dat de vrees voor hongersnood hem bekroop, kwam de
rentmeester Mackwheeble hun te gemoet met het onderdanig verzoek, wel
zoo goed te willen zijn, om zijn huis, Klein Veolan, niet voorbij te
gaan. De Baron zette groote oogen op en zeide, dat hij en zijn zoon
niet in gebreke zouden blijven te Klein Veolan op te houden en hun
compliment bij den rentmeester af te leggen: maar dat er niet aan te
denken viel, om den geheelen comitatus nuptialis, of huwelijksstoet
mede te brengen. Hij voegde er bij, dat, daar hij vernomen had dat de
baronie door haar onwaardigen eigenaar was verkocht, hij zich
verheugde, dat zijn oude vriend Duncan zijn post onder den nieuwen
Dominus of eigenaar had terug gekregen. De rentmeester knikte, boog en
strijkvoette, en drong daarna weder op zijn uitnoodiging aan, tot de
Baron, ofschoon eenigzins gebelgd over het hardnekkig volhouden van
zijn verzoek, niet nalaten kon het aan te nemen, zonder zekere
gewaarwordingen te laten blijken, die hij liefst verbergen wilde.
Hij verviel in diep nadenken, toen ze den ingang van de laan naderden,
en werd alleen daarin gestoord door de opmerking, dat de kanteelen
hersteld waren, de puinhoopen opgeruimd, en, wat nog het wonderlijkst
van alles scheen, dat de twee groote steenen Beeren, deze verminkte
afgoden, door hem aangebeden, hun post boven de poort weder hadden
betrokken.
„Nu, deze nieuwe eigenaar,” zeide hij tot Eduard, „heeft meer gusto
getoond, zoo als de Italianen het noemen, in den korten tijd dat hij
dit goed bezit, dan die hond van een Malcolm, hoewel ik hem zelf hier
opkweekte, vita adhuc durante, verkregen heeft. – En nu ik van honden
spreek, komen daar niet Ban en Buscar de laan afdraven, met Davie
Gellatley?”
„Ik stel voor, hun te gemoet te gaan, mijnheer; want ik geloof dat
kolonel Talbot de tegenwoordige eigenaar van het huis is, en hij een
bezoek van ons wacht. Wij aarzelden eerst om u te zeggen, dat hij uw
oudvaderlijke bezitting had gekocht; en thans nog kunnen wij, indien
gij niet verlangt hem te bezoeken, regelrecht naar den rentmeester
gaan.”
De Baron had thans behoefte aan al zijn grootmoedigheid. Hij haalde
echter diep adem, nam met veel omslag een snuifje en maakte de
opmerking, dat, daar ze hem zoo ver gebracht hadden, hij de deur van
den kolonel niet kon voorbijgaan; hij zou zich gelukkig rekenen den
nieuwen meester van zijn voormalige pachters te zien. Hij trad dus,
even als de andere heeren en dames, het rijtuig uit, gaf zijn arm aan
zijn dochter, en terwijl zij de laan opwandelden, wees hij haar aan,
hoe spoedig de Diva Pecunia van den zuideling, – hij mocht haar wel
diens beschermgodheid noemen, – alle sporen van verwoesting had doen
verdwijnen.
Inderdaad waren niet slechts de gevelde boomen weggeruimd, maar nadat
men hunne stompen uitgegraven en de aarde rondom bespit en met gras
bezaaid had was het blijkbaar, dat de sporen der vernieling, behalve
voor een oog, dat van nabij met de plaats bekend was, reeds geheel
uitgewischt waren. Er had een dergelijke hervorming plaats gehad met
betrekking tot Davie Gellatleys uiterlijk, die hun te gemoet kwam en
ieder oogenblik stilstond, om het nieuwe pak te bewonderen, dat zijn
gestalte versierde, en van dezelfde kleuren was als eertijds, maar zoo
fraai afgezet, dat Touchstone zelf [186] er gerust in had mogen voor
den dag komen. Hij kwam aandansen met zijn gewone belachelijke
sprongen, eerst naar den Baron, en toen naar Rose, terwijl hij met de
handen over zijn kleederen streek en uitriep: „Schoon, Davie,” en
nauwelijks in staat, door de buitensporige vreugde, die hem geheel
buiten adem gebracht had, om een enkele slotrijm van zijn duizend en
één liedjes uit te galmen. Desgelijks herkenden de honden hun ouden
meester, met duizenderlei blijde sprongen.
„Op mijn geweten, Rose, de dankbaarheid van die stomme dieren en van
dien armen hals brengen mij de tranen in de oude oogen, terwijl die
schelm van een Malcolm – maar ik heb verplichting aan kolonel Talbot,
dat hij zoo goed voor mijn honden heeft gezorgd, en ook voor Davidje.
Maar, Rose, wij moeten niet toelaten, dat zij het landgoed als met een
lijfrente blijven bezwaren.”
Terwijl hij sprak, kwam lady Emilia, aan den arm haars echtgenoots, het
gezelschap aan de binnenpoort met duizend welkomstgroeten tegen. Nadat
de plechtigheid der voorstelling van de onderscheidene personen voorbij
was, niet weinig verkort door de voorkomendheid en uitnemende toon van
lady Emilia, verontschuldigde zij zich dat zij zich een list
veroorloofd had, om hen terug te brengen naar een plaats die licht
eenige smartelijke herinneringen kon opwekken. „Maar daar deze van
eigenaar moest veranderen, verlangden wij zeer dat de Baron – –”
„De heer Bradwardine, mevrouw, als ’t u belieft,” zei de oude heer.
„De heer Bradwardine dan, en de heer Waverley mochten zien, wat wij
gedaan hebben, om het verblijf uwer vaderen in zijn vorigen toestand te
herstellen.”
De Baron antwoordde met een diepe buiging. Inderdaad, toen hij het
voorplein opkwam, scheen – met uitzondering van de lompe stallen, die
afgebrand en door gebouwen van een lichter en bevalliger voorkomen
vervangen waren – alles zoo veel mogelijk in den toestand hersteld,
waarin hij het verlaten had, toen hij, slechts eenige maanden geleden
te velde getrokken was. Het duivenhok was op nieuw bevolkt; de fontein
zond weder met haar gewone vlugheid een waterstraal naar boven, en niet
alleen de beer, die over het bekken stond, maar al de oude beeren, hoe
zij er ook hadden uitgezien, waren naar hunne plaatsen teruggebracht,
en met zoo veel zorg verniewd of hersteld, dat zij geen sporen van het
geweld droegen, hetwelk hen nog zoo kort geleden getroffen had. Daar
men in deze kleinigheden zoo zorgvuldig te werk was gegaan, is het
nauwelijks noodig er bij te voegen, dat het huis zelf, zoowel als de
tuinen, weder volkomen in orde gebracht waren, met inachtneming van het
oorspronkelijke karakter van beide, en om, zoo veel mogelijk, alle
sporen van de verwoesting weg te ruimen, die zij ondergaan hadden. De
Baron staarde vol stille bewondering in het rond; eindelijk sprak hij
kolonel Talbot aan.
„Terwijl ik u mijn dank betuig voor de herstelling van het wapen van
onze familie, kan ik niet nalaten mij te verwonderen, dat gij nergens
uw eigen wapen hebt aangebracht, kolonel Talbot, dat, naar ik meen, een
bulhond is, van ouds een „talbot” genoemd. Ten minste, zulk een hond is
het wapen der krijgshaftige en beroemde graven van Shrewsbury, aan wie
uwe familie waarschijnlijk in den bloede bestaat.”
„Ik geloof,” zei de kolonel glimlachende, „dat onze honden, welpen zijn
uit hetzelfde nest. Wat mij betreft, indien de wapens elkander den
voorrang moesten betwisten, zou ik, zoo als het Engelsche spreekwoord
zegt, „beeren en honden met elkander laten vechten.””
Terwijl hij dit zeide, waarbij de Baron nogmaals een lang snuifje nam,
waren zij het huis binnengetreden: namelijk, de Baron, Rose, en lady
Emilia, met den jongen Stanley en den rentmeester; want Eduard en het
overige gezelschap bleven op het terras, om een nieuwe oranjerie te
bezichtigen, die van de uitgezochtste planten voorzien was. De Baron
kwam op zijn geliefkoosd onderwerp terug: „Hoezeer het u behagen moge,
de eer van uw afkomst te kort te doen, kolonel Talbot, hetgeen zeker
een zonderlingheid is, zoo als ik bij meer heeren van aanzien en
geboorte in uw land heb waargenomen, zoo moet ik nogmaals herhalen, dat
het eer zeer oud en aanzienlijk wapen is, zoowel als dat van mijn
jongen vriend, Frans Stanley, hetwelk bestaat in een arend en een
kind.”
„„De vogel en het jongetje”, wordt het in Derbyshire genoemd,
mijnheer,” zei Stanley.
„Ge zijt een spotvogel, mijnheer,” zei de Baron, die veel met den
jongeling ophad, misschien omdat hij hem somtijds plaagde, – „Ge zijt
een spotvogel, en ik moet u eens onder handen nemen,” terwijl hij hem
met zijn groote bruine vuist dreigde. „Maar wat ik zeggen wilde,
kolonel Talbot, is, dat uw prosapia, dat wil zeggen, afkomst, zeer oud
is, en daar gij dit landgoed goed en wettig hebt verkregen voor uw
nakomelingen, terwijl ik het voor mij en de mijnen verloren heb, zoo
wensch ik, dat het even vele eeuwen in uw familie moge blijven, als het
in die der vorige bezitters geweest is.”
„Dat is inderdaad zeer beleefd, mijnheer Bradwardine, inderdaad zeer
beleefd.”
„En toch verwondert het mij zeer, kolonel, dat gij, van wien ik, toen
wij elkander te Edinburgh ontmoetten, heb opgemerkt, dat de amor patriæ
zelfs zoo ver ging, dat gij andere landen eenigzins minachttet,
verkozen hebt uw Lares of huisgoden, te plaatsen procul a patriæ
finibus, en in zekeren zin u uit uw vaderland te verbannen.”
„Wel inderdaad, Baron, ik zie niet waarom, – door het geheim van deze
dwaze knapen, Waverley en Stanley en van mijn vrouw, die geen zier
wijzer is, te verzwijgen – waarom, zeg ik, de eene oude soldaat den
ander langer om den tuin zou leiden. Gij moet dan weten, dat ik zoo
zeer bezield ben met het vooroordeel ten gunste van mijn eigen land dat
de som gelds, door mij tot den aankoop dezer uitgebreide baronie
besteed, mij slechts een klein landgoed in **shire heeft bezorgd,
Brerewood-lodge genaamd, met omtrent twee honderd en vijftig bunders
land, en welks voornaamste verdienste daarin bestaat, dat het slechts
op korten afstand van Waverley-Honour gelegen is.”
„En wie dan, in ’s Hemels naam, heeft dit goed gekocht?”
„De uitlegging hiervan,” zei de Kolonel, „is de zaak van dezen heer.”
De rentmeester, op wien deze woorden betrekking hadden, had al gedurig
van ongeduld van den een op den anderen voet staan springen, „even als
een kuiken,” gelijk hij daarna zeide, „op een heeten rooster,” en
terwijl hij van tijd tot tijd lachte, mocht hij er wel hebben
bijgevoegd, gelijk de genoemde kip om haar blijdschap uit te kakelen,
dat ze een ei leggen moest – de rentmeester dan trad nu vooruit. „Dat
kan ik, dat kan ik – Baron;” en dit zeggende, haalde hij uit zijn zak
een pak papier, en maakte het roode band los, met een hand die van
ongeduld beefde. „Hier is de overdracht en afstand van Malcolm
Bradwardine van Inchgrabbit, goed en degelijk geteekend, en bekrachtigd
volgens de eischen der wet, waarbij hij voor zekere som, bij de
overdracht en naar genoegen in ponden sterling betaald, verkocht,
afstand gedaan en overgedragen heeft het geheele landgoed en de baronie
van Bradwardine en Tully-Veolan, enz: met de huizinge en gebouwen –”
„Om Gods wil, kom tot de zaak, mijnheer;” zei de Kolonel, „ik ken dit
alles van buiten”
„Aan den heer Cosmo Comyne Bradwardine,” vervolgde de rentmeester,
„zijn erfgenamen en rechtverkrijgenden, eenvoudig en zonder meer – om
gehouden te worden hetzij a me vel de me –”
„Ik bid u, maak het kort, mijnheer!”
„Op het geweten van een eerlijk man, Kolonel, ik bekort mij zoo veel
als bestaanbaar is met den stijl. – Onder verband en behoudens echter
–”
„Mijnheer Mackwheeble, dit zou langer duren dan, een Russische winter –
veroorloof mij! In het kort, mijnheer Bradwardine, uw familielandgoed
is nog eenmaal het uwe in vollen eigendom, en wel ter uw volkomene
beschikking, maar alleen belast met de betaalde som om het weêr in te
koopen, die, naar ik vermeen, ver beneden de waarde is.”
„Voor een appel en een ei! Kijkt, als ’t u belieft, mijne heeren, in
het renteboek!” riep Mackwheeble, terwijl hij zich in de handen wreef.
„En welke som,” voegde de Kolonel er bij, „voldaan zijnde door den heer
Eduard Waverley, hoofdzakelijk uit de gelden van zijn, reeds genoemd en
door mij van hem gekocht, vaderlijk eigendom, verzekerd wordt aan zijn
vrouw, uw dochter en haar kinderen.”
„Het is een formeele overdracht;” dus viel de rentmeester met zijn
rechtsgeleerde taal weder in, „aan Rose Comyne Bradwardine, thans
Waverley, als lijfrente en voor de kinderen van gezegd huwelijk in
leen; en ik heb een kleine minuut voor een huwelijksvoorwaarde
opgemaakt, intuitu matrimonii, zoodat het hierna niet aan terugneming
onderworpen zijn kan, als een gifte inter virum et uxorem.”
Het zou moeielijk te zeggen zijn, of de waardige Baron meer ingenomen
was met het terugkrijgen van zijn familie-eigendom, dan wel met de
kieschheid en edelmoedigheid, die hem vrij liet geheel zijn eigen wil
te volgen, door er over te beschikken na zijn dood, en die zoo veel
mogelijk zelfs den schijn vermeed, van hem geldelijke verplichtingen op
te leggen. Toen de eerste opwelling van vreugde en verbazing een weinig
geweken was, vielen zijn gedachten op den onwaardigen mannelijken
erfgenaam, die, zoo als hij zeide, zijn geboorterecht, als Ezau, voor
een schotel moes had verkocht.
„Maar wie kookte de pot voor hem?” riep de rentmeester, „dat zou ik wel
eens willen weten! – wie, dan mijnheers onderdanige Duncan Mackwheeble?
De jonge mijnheer Waverley gaf het mij in handen van den beginne af –
van den eersten aanleg af, mag ik wel zeggen. Ik heb hen in het net
gekregen. Ik heb het hun gebakken. Ik heb hun van onze woeste boeren en
van de Mac-Ivors gesproken, die nog maar gedeeltelijk tot onderwerping
gebracht waren, totdat ze geen voet over den drempel durfden zetten,
uit vrees voor John Heatherblutter, of soortgelijke waaghalzen. En van
den anderen kant overblufte ik iedereen met kolonel Talbot. Zou iemand
het durven ondernemen, om het goed op te jagen tegen den vriend des
Hertogs? Wisten ze dan niet, wie thans meester was? Hadden ze niet
genoeg gezien in het voorbeeld van menigen ongelukkigen, misleiden
persoon –”
„Die naar Derby ging, bij voorbeeld, mijnheer Mackwheeble?” fluisterde
de Kolonel hem toe.
„Stil, Kolonel, om ’s hemels wil! Haal geen oude koeien uit de sloot!
Daar waren ook brave menschen te Derby, en,” dus besloot hij, „men
spreekt niet graag van de galg,” – terwijl hij een zijdelingschen blik
op den Baron wierp, die in gepeins verdiept stond.
Op eens ontwaakte de Baron daaruit, nam Mackwheeble bij den knoop van
zijn rok, en voerde hem naar een van de verste ramen, vanwaar slechts
enkele woorden van hun gesprek het overige gezelschap bereikten. Het
had gewis betrekking op gezegeld papier en perkament; want geen ander
onderwerp, zelfs uit den mond van zijn patroon, en al was hij ook zelf
weder een persoon van aanzien geworden, kon des rentmeesters eerbiedige
en diepe aandacht zoo geboeid hebben.
„Ik versta mijnheer volkomen; het kan even gemakkelijk worden gedaan,
als iedere andere notarieele acte.”
„Aan haar en hem, na mijn overlijden, en hun mannelijke erfgenamen –
maar bij voorkeur aan den tweeden zoon, indien God hen met twee mag
zegenen, die den naam en het wapen zal voeren van deze plaats, zonder
eenigen anderen naam of wapen, hoedanig ook.”
„Akkoord! Ik zal morgen een klein stukje opmaken: het zal maar een acte
van afstand in favorem kosten, en ik zal het in orde brengen tegen de
volgende zitting van het Hof.”
Na dit afzonderlijk gesprek, werd de Baron geroepen, om de honneurs van
Tully-Veolan jegens de nieuwe gasten waar te nemen. Deze waren majoor
Melville van Cairnvreckan en de eerwaarde heer Morton, gevolgd door nog
eenige bekenden van den Baron, die bericht ontvangen hadden, dat hij
het landgoed zijner vaderen terug erlangd had. Ook liet zich het
vreugdegejuich der dorpelingen beneden op het voorplein hooren; want
Saunders Saunderson, die het geheim, gedurende verscheidene dagen, met
loffelijke voorzichtigheid had bewaard, had zijn tong den vrijen teugel
gelaten toen hij de rijtuigen zag aankomen.
Maar, terwijl Eduard, Melville met beleefdheid, en den predikant met de
dankbaarste en hartelijkste genegenheid ontving, werd zijn schoonvader
een weinig verlegen, daar hij niet wist hoe hij zich van de
onvermijdelijke plichten der gastvrijheid jegens zijn bezoekers zou
kwijten en de vreugde zijner pachters verhoogen. Lady Emilia hielp hem
uit dezen nood, door hem te kennen te geven, dat zij, ofschoon in vele
opzichten zeker een slechte plaatsvervangster van mevrouw Eduard
Waverley, evenwel hoopte de goedkeuring van den Baron te zullen
wegdragen, met betrekking tot het onthaal waarvoor zij, in afwachting
van zoo vele gasten, de noodige voorzorgen had genomen; en dat deze
zich op een wijze zouden zien ontvangen, waardoor de eer der oude
gastvrijheid van Tully-Veolan eenigermate zou worden opgehouden. Het is
onmogelijk het genoegen te beschrijven, dat deze verzekering den Baron
verschafte, die, met een galanterie, waarin iets van den stijven
Schotschen edele en van den officier in Fransche dienst lag, zijn arm
aan de schoone spreekster bood, en den tocht naar de ruime eetzaal
opende, met een stap, die het midden hield tusschen een menuet en een
marsch, terwijl hij door het overige gezelschap gevolgd werd.
Door Saundersons aanwijzingen en inspanning, was alles hier, zoowel als
in de andere vertrekken, zoo veel mogelijk op den ouden voet ingericht;
en waar het noodzakelijk was geweest nieuw huisraad aan te brengen, was
dit gekozen in denzelfden smaak als het oude. Er was echter iets nieuws
in dit fraaije oude vertrek aangebracht, dat den ouden Baron de tranen
uit de oogen perste. Het was een groote en schoone schilderij, Fergus
Mac-Ivor en Waverley in hun Hooglandsche kleeding voorstellende; het
tooneel verbeeldde een wilden, rotsachtigen bergpas, en op den
achtergrond zag men den clan der Mac-Ivors in het dal afdalen. Deze
schilderij was vervaardigd naar een schets, door een jong mensch van
groot talent ontworpen, terwijl ze te Edinburgh waren, en levensgroot
door een voornaam kunstenaar te Londen geschilderd. Raeburn zelf, wiens
Hooglandsche opperhoofden allen op het doek schijnen te leven, had het
onderwerp niet beter hebben kunnen behandelen en het vurige, trotsche
en onstuimige karakter van het ongelukkige opperhoofd van Glennaquoich
was goed in tegenstelling gebracht met de peinzende, afgetrokkene en
dweepachtige uitdrukking van zijn gelukkiger vriend. Naast dit
schilderstuk hingen de wapens, door Waverley in den ongelukkigen
burgeroorlog gedragen. Het geheel droeg de algemeene bewondering weg,
terwijl het tevens een nog diepere aandoening opwekte.
Men moest nogtans, in weerwil van zoo veel bewondering en zulke
herinneringen, de eischen der maag laten gelden; en de Baron, die zelf
zich aan het lager einde der tafel zette, stond er op, dat lady Emilia
de honneurs aan het hooger einde op zich zou nemen, om, gelijk hij zich
uitdrukte, het jonge volk een betamelijk voorbeeld te geven. Na een
oogenblik gepeinsd te hebben over de vraag omtrent den voorrang
tusschen de Presbyteriaansche en de Episcopale kerk in Schotland,
verzocht hij, dat de heer Morton, als vreemdeling, het gebed zou doen,
terwijl hij er de aanmerking bijvoegde, dat de heer Rubrick, die te
huis was; na tafel danken zou voor het uitstekende geluk waarmede hij
gezegend was geworden.
De maaltijd was uitnemend. Saunderson bediende in groot costuum, met al
de mindere knechts, die men op nieuw vereenigd had, uitgenomen een
paar, van wie men sedert den slag van Culloden niets had vernomen. De
kelders waren van wijn voorzien, die algemeen als uitmuntend werd
geprezen; en er was de noodige schikking gemaakt, dat de Beer van de
Fontein, op de binnenplaats, voor dezen enkelen avond, goede
brandewijnpunsch ten beste van de mindere klassen geven zou.
Toen de maaltijd afgeloopen was, sloeg de Baron, terwijl hij een dronk
wilde instellen, een min of meer treurigen blik op het buffet, dat
echter het grootste gedeelte van zijn zilver bevatte, voor zoover het
óf verborgen geweest, óf door den naburigen adel van de soldaten
opgekocht, en met innige blijdschap aan den eersten eigenaar terug
bezorgd was.
„In deze tijden,” zeide hij, „moeten zij dankbaar zijn, die hun lijf en
goed behouden hebben, en echter, nu ik dezen dronk wil uitbrengen, kan
ik niet nalaten over het gemis van een oud erfstuk te klagen, lady
Emilia – een poculum potatorium, kolonel Talbot –”
Hier werd de Baron zachtjes aan den arm gestooten door zijn majordomo,
en zag hij, in handen van Alexander Ab Alexandro, den beroemden beker
van St. Duthac, den gezegenden Beer van Bradwardine! Ik geloof bijna
niet dat het terug erlangen van zijn landgoed hem meer vreugde
verschafte. „Op mijn eer, lady Emilia,” zeide hij, „men zou bijna in uw
tegenwoordigheid aan heksenwerk en toovergodinnen gelooven.”
„Ik ben recht gelukkig,” zei kolonel Talbot, „dat het, door het
terugkrijgen van dit familie-erfstuk, in mijn macht geweest is, u een
blijk te geven van mijn overgroote belangstelling in alles, wat mijn
jongen vriend Eduard betreft. Maar, opdat gij lady Emilia niet voor een
toovenares moogt houden, noch mij voor een heksenmeester, waarmede in
Schotland niet te spotten valt, zoo moet ik u zeggen, dat de jonge
Stanley, uw vriend, die, sedert hij Eduards verhalen van oud Schotsche
zeden heeft gehoord, door een tartankoorts is geplaagd geweest, ons
toevallig een beschrijving uit de tweede hand gegeven heeft van dezen
merkwaardigen beker. Mijn knecht, Spontoon, die, als een echt oud
soldaat, alles opmerkt en weinig spreekt, berichtte mij naderhand, dat
hij het door Stanley vermelde stuk, gezien had in handen van zekere
mevrouw Nosebag, die, daar ze eertijds een uitdragerij gehad had,
gedurende de treurige tooneelen in Schotland, in de gelegenheid was
geweest, om nog het een of ander in haar voormaligen handel te doen,
waardoor ze de verzamelaarster was geworden van het kostbaarste
gedeelte van den buit der halve armee. Gij kunt u verbeelden, dat de
beker weêr spoedig ingekocht was, en het zal mij groot genoegen doen,
indien gij mij vergunt het daarvoor te houden, dat de waarde er van
niet verminderd is, omdat hij u uit mijn handen is terug bezorgd.”
Een traan mengde zich onder den wijn, dien de Baron inschonk, terwijl
hij een glas van dankbaarheid wijdde aan kolonel Talbot, en, „den
voorspoed der vereenigde huizen van Waverley-Honour en Bradwardine.”
Er blijft voor mij nog slechts te zeggen over, dat, daar nooit een
wensch met inniger hartelijkheid geuit werd, er weinige zijn, die, de
noodwendige wisselvalligheid der menschelijke zaken daargelaten, over
het geheel, gelukkiger zijn vervuld geworden.