Het gevoel van afgrijzen, waarmede Waverley Carlisle verliet,
veranderde langzamerhand in een zachte droefgeestigheid, een overgang,
verhaast door de pijnlijke, maar toch troostrijke taak die hij te
vervullen had met aan Rose te schrijven. Hij kon het smartelijke gevoel
niet verbergen, dat deze rampzalige gebeurtenis in hem opwekte; maar
hij wenschte ze in zulk een licht te plaatsen, dat haar verbeelding,
hoe zeer ze zelve er ook door getroffen mocht worden, er niet al te
zeer door geschokt werd. Trapsgewijs gewende hij zich meer en meer aan
het tafereel dat hij voor Rose had geschetst om haar gevoeligheid te
sparen, en zijn volgende brieven werden opgeruimder, en zinspeelden op
de vooruitzichten op hoop en geluk, die zich voor hen ontsluierden.
Maar, ofschoon zijn eerste verschrikkelijke aandoeningen in zachte
droefgeestigheid waren overgegaan, toch had Eduard zijn vaderland reeds
bereikt, eer hij, zoo al bij vroegere gelegenheden, zijn blikken met
vreugde kon laten weiden over de schoonheden der alles bezielende
natuur.
Nu begon hij, voor het eerst sedert hij Edinburgh verlaten had, het
genot te smaken, dat bijna door allen wordt ondervonden, die naar een
welig, volkrijk en uitnemend bebouwd land terugkeeren, uit streken waar
woestheid en eenzame en treurige grootheid met elkander om den voorrang
dingen. Maar hoe zeer werden deze gewaarwordingen verhoogd, toen hij
het grond-eigendom betrad, zoo lang door zijn voorvaderen bezeten – de
oude eiken van Waverley-park herkende – zich voor den geest riep, met
welk genoegen hij Rose naar al zijn lievelingsplekjes geleiden zou –
eindelijk de torens van het grijze slot zich zag verheffen boven het
geboomte, dat het omringde, en zich in de armen wierp van de dierbare
bloedverwanten, aan wie hij zoo veel eerbied en liefde verschuldigd
was.
Het geluk hunner ontmoeting werd door geen enkel woord van verwijt
verstoord. Integendeel, hoe veel angst Sir Everard en Freule Rachel
gedurende Waverleys gevaarlijken tocht met den jongen Prins uitgestaan
hadden, stemde die toch te goed met de beginselen waarin ze waren
opgevoed, om er hem een bestraffing, of zelfs eenige berisping over te
doen hooren. Bovendien had kolonel Talbot den weg met groot beleid voor
Waverley geëffend, door uit te weiden over zijn moedig gedrag als
krijgsman, bijzonder over zijn dapperheid en edelmoedigheid te Preston;
tot de verbeelding van den Baronet en zijn zuster, ontvlamd door het
denkbeeld, dat hun neef man tegen man had gevochten met zulk een
uitnemenden krijgsman als de Kolonel zelf, hem gevangen gemaakt en van
den dood gered had, Eduards krijgsverrichtingen op een lijn stelden met
die van Wilibert, Hildebrand en Nigel, de zoo hoog geroemde helden van
hun geslacht.
Waverleys gestalte, gehard door oefening, en veredeld door het
krijgsmansberoep, had een krachtiger en gespierder voorkomen verkregen,
waardoor niet alleen het verhaal van den Kolonel bevestigd werd, maar
tegelijk al de bewoners van Waverley-Honour verrast en verrukt werden.
Ze verdrongen zich om hem te zien, te hooren en zijn lof te vermelden.
De heer Pembroke, die, gelijk men wel zal gelooven, in het geheim zijn
verstand en moed verhief, wegens het omhelzen van het ware belang der
kerk van Engeland, berispte echter zijn kweekeling vriendschappelijk,
dat hij zoo achteloos met zijn handschriften te werk gegaan was,
hetwelk hem, zoo als hij zeide, inderdaad eenige persoonlijke
onaangenaamheden berokkend had; daar hij, toen de Baronet door een
koningsbode was gevangen genomen, het voorzichtig had geoordeeld, een
schuilplaats op te zoeken, die wegens het gebruik, dat er in vroeger
dagen van gemaakt was, „Het priesterhol” geheeten werd. Onze geleerde
verzekerde dat de keldermeester er slechts eenmaal daags met voedsel
komen durfde; zoodat hij herhaalde keeren genoodzaakt was geweest zijn
middagmaal met spijzen te doen, die, òf geheel koud, òf, hetgeen nog
erger was, slechts half warm waren; gezwegen van de omstandigheid, dat
zijn bed soms in geen twee dagen werd opgemaakt. Waverley dacht
onwillekeurig aan de schuilplaats van den baron van Bradwardine, die
wél te vreden was met Janets onthaal en eenige bossen stroo in een
rotshol; maar hij maakte geen aanmerkingen over een tegenstelling, die
zijn waardigen leermeester slechts smartelijk hadden kunnen aandoen.
Alles was nu in de weer met het maken van toebereidselen voor Eduards
huwelijk, een gebeurtenis, die de goede Baronet en Freule Rachel
beschouwden als een vernieuwing hunner eigene jeugd. Deze
echtverbintenis was hun, gelijk kolonel Talbot reeds had te kennen
gegeven, allerverkieslijkst voorgekomen, daar zij in alle opzichten,
uitgezonderd wat het geld betrof, wenschelijk was, en zij zelven meer
dan overvloedig met tijdelijke middelen gezegend waren. De heer
Clippurse werd dus op Waverley-Honour ontboden, onder betere
voorteekenen dan bij den aanvang van ons verhaal. Maar de heer
Clippurse kwam niet alleen; want, daar hij nu in jaren gevorderd was,
had hij zich verbonden met een neef, een jonger gier, gelijk onze
hedendaagsche Juvenalis [185] aan wien wij het verhaal van Swallow den
procureur te danken hebben, hem wellicht genoemd zou hebben – en zij
dreven thans hunne zaken onder de firma van Clippurse en Hookem. Deze
brave mannen kregen bevel om de noodige huwelijksvoorwaarden op te
stellen, en wel op zulk een milden en onbekrompen voet alsof Eduard de
eenige erfgename van een pair, met hare vaderlijke erfgoederen aan haar
hermelijnen mantel gehecht, zou trouwen.
Maar, alvorens een onderwerp te beginnen, welks langdradigheid
spreekwoordelijk is geworden, moet ik den lezer herinneren aan een
steen, door een ledigloopenden, speelzieken knaap een heuvel afgerold
(een tijdkorting, waarmede ik zelf, in mijn jeugdige jaren, zeer goed
vertrouwd was). De steen beweegt zich eerst langzaan, terwijl hij, door
af te wijken, elk beletsel van eenig belang vermijdt; maar als hij zijn
vollen loop heeft verkregen, en het einde van zijn loopbaan nadert,
jaagt en dondert hij naar beneden, met ellenlange sprongen, bekommert
zich om heggen en sloten evenmin als een Yorkshiresche jager, en
bereikt zijn grootste snelheid, als hij op het punt is om voor eeuwig
tot rust te komen. Evenzoo is de loop van een verhaal, gelijk dat,
hetwelk gij hier aantreft; de eerste gebeurtenissen zijn met zorg tot
in de minste bijzonderheden beschreven, opdat gij, vriendelijke lezer,
met het karakter van ieder persoon door zijn handelingen zoudt bekend
worden, liever dan door het vervelender middel van rechtstreeksche
beschrijving; maar nu de geschiedenis ten einde loopt, springen wij
over al zulke omstandigheden heen, die, hoe belangrijk ook, reeds door
uw verbeelding zijn vooruit gezien, en wij laten u al datgene
veronderstellen, wat, indien wij het verhaalden, terecht zou worden
beschouwd, alsof wij misbruik van uw geduld wenschten te maken.
Wij zijn er dus niet toe gestemd, om u al de vervelende werkzaamheden
van de heeren Clippurse en Hookem, of die hunner ambtgenooten, door wie
de zaak van Eduard Waverley en zijn aanstaanden schoonvader moest
bepleit worden, breedvoerig te schilderen, integendeel, wij willen u
alleen met meer uitlokkende onderwerpen kort bezig houden. De brieven,
bij voorbeeld, die tusschen sir Everard en den Baron, bij deze
gelegenheid, werden gewisseld, ofschoon in hun soort, voorbeeldelooze
staaltjes van welsprekendheid, moeten wij aan de meêdoogenlooze
vergetelheid prijs geven. Ook kan ik u niet uitvoerig vertellen, hoe de
waardige tante Rachel, niet zonder een kiesche en teerhartige
toespeling op het door Rose gebrachte offer, waardoor haar
bruidsdiamanten in handen van Donald Bean Lean gekomen waren, haar
juweelkistje van een stel voorzag, dat de afgunst eener hertogin zou
hebben kunnen opwekken. Verder zal de lezer de goedheid gelieven te
hebben, om zich te verbeelden, dat Job Houghton en zijn vrouw
behoorlijk verzorgd werden; hoewel men hun nooit aan het verstand heeft
kunnen brengen, dat hun zoon op een andere wijze gevallen was, dan
vechtende aan de zijde van zijn jongen meester; zoo dat Alick, die, als
een voorstander der waarheid, menige noodelooze poging had gedaan, om
hun de ware omstandigheden te verklaren, ten laatste bevel kreeg, geen
woord meer van de zaak te reppen. Hij stelde zich echter schadeloos,
door allerhande verhalen van wanhopige gevechten, afgrijselijke
schavotstraffen en spook- en moordgeschiedenissen, waardoor hij de
verbazing van den geheelen bediendenkring opwekte.
Maar ofschoon deze gewichtige zaken zich, in een verhaal, spoedig laten
vertellen, even als het verslag van een rechtsgeding in een nieuwsblad,
zoo was echter, in weerwil van al den haast, dien Waverley maken kon,
de tijd, door de rechterlijke behandeling gevorderd, gevoegd bij het
oponthoud door de manier van reizen dier dagen oorzaak, dat er nog ruim
twee maanden verliepen, eer Waverley, na Engeland verlaten te hebben,
nog eens ten huize van den heer van Duchran afstapte, om de hand zijner
verloofde bruid te vragen.
De dag van de voltrekking zijns huwelijks werd op den zesden na zijn
aankomst bepaald. De baron van Bradwardine, bij wien huwen, doopen en
begraven feesten waren van hooge en plechtige beteekenis, voelde
eenigen spijt, dat, de familie van Duchran daaronder begrepen, benevens
al de naaste buren, die aanspraak konden maken om bij zulk een
gelegenheid tegenwoordig te zijn, er niet meer dan dertig personen
konden bijeen gebracht worden. „Toen hij zelf trouwde,” zeide hij,
„waren er drie honderd geboren edellieden te paard, benevens hun
bedienden, en nog een veertigtal Hooglandsche edelen, die nooit te
paard zitten, tegenwoordig.”
Maar zijn trots vond eenigen troost in het denkbeeld, dat, daar hij en
zijn schoonzoon zoo kort geleden onder de wapens waren geweest tegen
het bewind, het stof tot gegronde vrees en aanstoot aan de bestaande
overheid zou kunnen geven, wanneer de vrienden, nabestaanden en
verbondenen hunner huizen, zich als in optocht tot den krijg hier
verzamelden, gelijk anders het oude gebruik van Schotland bij
dergelijke gelegenheden medebracht. – „En zonder twijfel,” dus besloot
hij met een zucht, „een groot aantal van diegenen, die zich het meest
op deze gewenschte bruiloft zouden hebben verheugd, zijn òf vertrokken
naar betere gewesten, òf zwerven thans rond als ballingen buiten hun
vaderland.”
Het huwelijk greep op den bepaalden dag plaats. De eerwaardige heer
Rubrick, bloedverwant van den eigenaar der gastvrije woning, waar het
gevierd werd, en kapelaan van den baron van Bradwardine, had het
genoegen het jonge paar in te zegenen. Frans Stanley was
bruigoms-jonker, daar hij zich, met dat oogmerk, bij Eduard gevoegd
had, kort na diens aankomst te Duchran. Lady Emilia en kolonel Talbot
waren voornemens geweest, de plechtigheid bij te wonen, doch, toen de
tijd daar was, bleek het dat haar gezondheid haar niet veroorloofde
zulk een verre reis te doen. Ter vergoeding daarvan werd er bepaald,
dat Eduard Waverley en zijn echtgenoot, die, benevens den Baron, van
plan waren terstond een bezoek op Waverley-Honour af te leggen, op hun
tocht derwaarts eenige dagen zouden doorbrengen op een landgoed, dat
kolonel Talbot, verlokt door den goedkoopen prijs, in Schotland had
gekocht, en waar hij voornemens was eenigen tijd te verblijven.