„Te Leith daar, dobberde de boot;
De wind blies langs de zee;
En ginds, bij Englands sterke vloot,
Lag ’t schip voor Berwicks ree.”
„Vaarwel, Kolonel! moogt gij alles vinden, naar wensch. Misschien
zullen wij elkander eer ontmoeten, dan gij verwacht: men spreekt van
een onmiddellijken inval in Engeland.”
„Zeg er mij niets van,” zeide Talbot; „ik wensch geen tijding van uwe
bewegingen over te brengen.”
„Eenvoudig dan, vaarwel! Zeg, met duizend vriendelijke groeten, al wat
plicht en liefde eischen, aan Sir Everhard en tante Rachel – Denk zoo
vriendschappelijk aan mij, als gij kunt. – Spreek zoo toegevend van
mij, als uw geweten het toelaat, en nu nogmaals: vaarwel!”
„Vaarwel insgelijks, mijn waarde Waverley: hartelijk, hartelijk dank
voor uw goedheid. Ontdoe u bij de eerste gelegenheid de beste van uw
plaid. Ik zal altijd met erkentelijkheid aan u denken, en mijn ergste
berisping zat zijn: Que diable allait il faire dans cette galère?”
En zoo scheidden zij. Kolonel Talbot stapte in de boot, en Waverley
keerde naar Edinburgh terug.