INSPANNING.

Toen kolonel Talbot den volgenden morgen aan het ontbijt kwam, vernam

hij van Waverleys bediende, dat onze held al vroeg uitgegaan en nog

niet terug gekomen was. Het was reeds tamelijk laat in den voormiddag,

toen hij eindelijk geheel buiten adem, maar met zulk een verheugd

gelaat kwam opdagen, dat de Kolonel er verbaasd over stond.

„Ziedaar,” zeide hij, terwijl hij een papier op de tafel wierp,

„ziedaar mijn morgenwerk. Alick! pak de kleederen van den Kolonel in.

Haast u, haast u!”

De Kolonel bezag het papier met de grootste verbazing. Het was een pas

van den Prins voor kolonel Talbot naar Leith, of elke andere haven door

de troepen van Zijn Koninklijke Hoogheid bezet, om zich daar scheep te

begeven naar Engeland of elders, waarheen het hem goed zou dunken, mits

hij alleen zijn woord van eer gaf, om, gedurende een tijdverloop van

twaalf maanden, de wapens niet te voeren tegen het Huis van Stuart.

„In ’s Hemels naam,” zei de kolonel, terwijl zijn oogen van

nieuwsgierigheid glinsterden, „hoe hebt gij dit verkregen?”

„Ik was bij den Prins, op het uur dat hij gewoonlijk opstaat. Hij was

naar het kamp van Duddingston gegaan. Ik volgde hem derwaarts; –

verzocht en verkreeg een afzonderlijk gehoor – maar ik zeg u geen woord

meer, als ik u geen begin zie maken met pakken.”

„Voor dat ik weet, of ik van dezen pas gebruik kan maken, en hoe die

verkregen is?”

„O, gij kunt immers uw goed weder uit uw valies nemen? – Ha! nu ik u

aan het werk zie, zal ik voortgaan. Toen ik eerst uw naam noemde,

schitterden zijn oogen bijna, even sterk als de uwe twee minuten

geleden. „Heeft de Kolonel,” vroeg hij met drift, „eenige gunstige

gevoelens voor onze zaak getoond?” – „In het minst niet,” antwoordde

ik, en voegde er bij, dat er volstrekt geen hoop bestond, dat gij dit

doen zoudt. Zijn gelaat betrok. Ik verzocht om uw ontslag.

„Onmogelijk,” zeide hij; „mijn verzoek was volmaakt onzinnig, met het

oog op het gewicht van den Kolonel, als een vriend en vertrouwde van

zekere personen. Ik verhaalde hem mijn geschiedenis en de uwe; en

verzocht hem volgens zijn gevoel te oordeelen, hoe het mijne wezen

moest. Gij moogt zeggen wat gij wilt, kolonel Talbot, maar de Prins

heeft een hart, en en een goed hart ook. Hij nam een vel papier, en

schreef de pas met eigene hand. „Ik wil deze zaak niet aan de

beslissing van mijn raad onderwerpen” zeide hij, „men zou mij op

allerhande gronden willen afbrengen van hetgeen recht en billijk is. Ik

kan niet dulden, dat zulk een gewaardeerde vriend, als gij, gebukt zou

gaan onder de smartelijke overwegingen, die u, in geval van verdere

rampen in de familie van kolonel Talbot, zouden moeten treffen; ook wil

ik een braven vijand, onder dergelijke omstandigheden, niet gevangen

houden. Daarenboven,” zeide hij, „denk ik mijzelven te kunnen

rechtvaardigen bij mijn voorzichtige raadslieden, door op de goede

uitwerking te wijzen, welke zulk een toegefelijkheid te weeg zal

brengen in de gemoederen der aanzienlijke Engelsche geslachten,

waarmede kolonel Talbot vermaagschapt is.”

„Daar kwam de staatsman uit de mouw,” zei de kolonel.

„Goed, maar hij heeft een besluit genomen als een Konings zoon; – „Neem

den pas,” dus sprak hij, „ik heb er éene voorwaarde bijgevoegd, voor

den vorm; maar zoo de Kolonel iets daar tegen heeft, laat hem dan

vertrekken, zonder eenige belofte, hoegenaamd, te doen. Ik kom hier om

den oorlog te voeren tegen mannen, maar niet om vrouwen in droefheid of

gevaar te brengen.””

„Ik had nooit gedacht zoo veel verplichting te zullen hebben aan den

Pretend....”

„Aan den Prins,” zei Waverley, glimlachende.

„Aan den „Ridder,”” hernam de Kolonel, „het is een goede middelterm,

dien wij beiden vrij mogen gebruiken. Heeft hij u nog iets gezegd?”

„Hij vroeg mij slechts, of er iets anders was, waarmede hij mij kon

verplichten, en toen ik hierop ontkennend antwoordde, drukte hij mij de

hand, en wenschte dat al zijn aanhangers zoo bescheiden mochten zijn,

„daar sommige zijner vrienden,” liet hij er op volgen, „niet slechts

alles vroegen wat hij te begeven had, maar zelfs een aantal zaken, die

geheel buiten zijn macht, zoo wel als buiten die van den grootsten

Souverein op aarde, waren. Inderdaad,” dus besloot hij, „scheen geen

vorst in de oogen zijner onderdanen, zoo zeer een Godheid als hij, ten

minste naar de buitensporige verzoeken te oordeelen, welke zij hem

dagelijks voorlegden.””

„Arme jonkman,” zeide de Kolonel, „ik verbeeld mij, dat hij de

moeielijkheden van zijn toestand begint te gevoelen. Wel, beste

Waverley, dit is meer dan vriendelijk, en zal niet vergeten worden, zoo

lang Filips Talbot zich iets herinneren kan. Mijn leven – bah! – laat

Emilia u daarvoor danken – dit is een dienst vijftig levens waardig. Ik

kan niet aarzelen mijn woord te geven in deze omstandigheden: daar is

het,” – (hij schreef het in den vorm) – „En nu, hoe kom ik weg?”

„Dat is alles in orde: uw bagage is gepakt, mijn paarden wachten, en

een boot is, met verlof van den Prins, aangenomen, om u aan boord van

het fregat „the Fox” te brengen. Ik heb daartoe reeds een bode naar

Leith gezonden.”

„Dat zal best gaan. Kapitein Beaver is mijn bijzondere vriend; hij zal

mij te Berwick, of te Shields aan wal zetten, vanwaar ik per post naar

Londen kan vertrekken; – en gij moet mij het pakje papieren

toevertrouwen, dat gij door middel van die jufvrouw Bean Lean terug

hebt gekregen. Ik zou gelegenheid kunnen vinden, om ze tot uw voordeel

te gebruiken. Maar ik zie daar uw Hooglandschen vriend Glen, hoe

spreekt gij zijn barbaarschen naam ook uit? met zijn ordonnans-officier

bij zich. Ik moet hem, denk ik, niet meer zijn ordonnans-keelafsnijder

noemen. Kijk, hoe hij stapt, of de wereld hem toebehoorde, met zijn

muts op het oor en de plaid dicht geslagen over zijn borst. Ik zou dien

knaap dolgraag ontmoeten waar mijn handen niet gebonden waren. Ik zou

zijn trots fnuiken, of hij den mijne.”

„Foei, kolonel Talbot, gij blaast u op het gezicht van den tartan op,

zoo als men van den stier zegt dat hij op het zien van rood doet. Gij

en Mac-Ivor hebt vrij wat punten van overeenkomst, wat uw

nationaaltrots betreft.”

Het laatste gedeelte van dit gesprek had plaats op straat. Zij gingen

het Opperhoofd voorbij, en de Kolonel en hij groetten elkander zoo

hoffelijk en deftig, als twee kampvechters, voordat het gevecht begint.

Het bleek maar al te zeer dat de antipathie wederkeerig was. „Ik zie

dien stuurschen kerel nooit, die als een hond achter hem heen loopt, of

hij herinnert mij eenige dichtregels, die ik ergens – denkelijk op het

tooneel – heb gehoord;”

– „Dicht achter hem stapt de norsche Bertram voort,

Zooals de booze in ’s toovnaars voetstap treedt,

En dringt dat men zijn dienst gebruiken zal.”

„Ik verzeker u, dat gij te hard over de Hooglanders oordeelt.”

„Geen zier, geen zier! ik wil hun niets schenken; ik haat hen van

harte. Laten zij in hunne gebergten blijven, en zich opblazen, en hunne

mutsen aan de hoorns van de maan hangen, zoo het hun lust; maar wat

behoeven zij te komen, waar de menschen broeken dragen en een

verstaanbare taal spreken? – ik meen verstaanbaar in vergelijking met

hun wartaal; want zelfs de Laaglanders spreken een soort van Engelsch,

niet veel beter dan de Negers op Jamaika. Ik zou den Pre.... ik wil

zeggen den Ridder, zelfs kunnen beklagen, dat hij zulk een menigte

woestelingen rondom zich heeft. En zij leeren hun handwerk al zoo

vroeg! Er is een soort van ondergeschikt duiveltje bij voorbeeld, een

leerling in de helsche kunst, dien uw vriend Glena – Glenamuck –,

somtijds in zijn gevolg heeft. Naar het gezicht te oordeelen, is hij

zoo wat vijftien jaar; maar in ondeugd en guitenstreken is hij een eeuw

oud. Voor een dag of wat was hij op de plaats met het ringspel bezig;

een heer, een man die er fatsoenlijk uitzag, komt voorbij, en daar de

ring hem tegen de schenen vloog, ligt hij zijn stok op, maar onze jonge

held haalt zijn pistool voor den dag, als Beau Clincher op ’t tooneel

en zoo geen geschreeuw van Gardez l’eau, uit een bovenraam, beide

partijen had doen vluchten, uit vrees voor de onvermijdelijke gevolgen,

zou die arme heer zijn leven verloren hebben door de handen van dien

kleinen schelm.”

„Kolonel Talbot, gij zult een fraaie schilderij van Schotland ophangen,

bij uw tehuiskomst.”

„Rechter Shallow,” zeide de Kolonel, „zal mij de moeite wel uitwinnen.

– „Woest en ledig, allemaal, allemaal bedelaars. Zekerlijk, een gezonde

lucht,” – en dat nog alleen als gij buiten Edinburgh zijt en eer gij te

Leith komt, zoo als thans met ons het geval is.”

Waverley(#75933) · 第 122 / 156 题