De rentmeester, die in geenen deele met, deze oorlogzuchtige raadgeving
gediend was, haalde hier een reusachtig zakuurwerk te voorschijn, van
de kleur en ongeveer ter grootte van een koperen beddepan, en maakte de
aanmerking, dat het reeds namiddag was, en dat de roovers in den pas
van Ballybrough kort na zonneopgang waren gezien; zoodat, eer de
verbondene strijdkrachten zich zouden kunnen verzamelen, zij met hunne
prooi reeds buiten het bereik zouden zijn van alle mogelijke
vervolging, en in veiligheid te midden dier ongebaande wildernissen,
waar het evenmin raadzaam was hen te volgen, als mogelijk hen na te
sporen.
Deze opmerking was onwederlegbaar. De raadsvergadering ging dus uiteen,
zonder tot eenig besluit te komen, zooals meermalen met vrij wat
gewichtiger vergaderingen gebeurd is: alleen werd er bepaald, dat de
rentmeester zijn drie melkkoeien zou opzenden naar de hoeve van
Tully-Veolan, ten gebruike van de familie des Barons, en dat men bij
hem dun bier zou brouwen ter vervanging der melk. Met deze schikking,
welke door Saunderson werd voorgeslagen, stemde de rentmeester
gereedelijk in; zoowel uit een aangeboren ontzag voor de familie
Bradwardine, als uit overtuiging dat zijne beleefdheid, op de eene of
andere wijze, tienvoudig zou worden vergoed.
Nadat de Baron insgelijks was heen gegaan, om eenige noodige bevelen te
geven, maakte Waverley van de gelegenheid gebruik, om te vragen, of die
Fergus, met den zoo moeielijk uittespreken naam, de voornaamste
dievenvanger van het district was.
„Dievenvanger!” antwoordde Rose lachende, „hij is een edelman van groot
aanzien en gewicht, het hoofd [54] van een onafhankelijken tak van een
machtigen Hooglandschen „clan”, en die zeer ontzien wordt, zoo wel om
zijn eigen macht, als om die van zijn aanhang, maagschap en
bondgenooten.”
„En wat heeft hij dan met de dieven te doen? Is hij een magistraat, of
behoort hij tot het vredegerecht?” vroeg Waverley.
„Tot het oorlogsgerecht veeleer, zoo er zulk een ding is,” zeide Rose;
„want hij is een lastige buur voor diegenen die niet tot zijn vrienden
behooren, en hij houdt een grooter gevolg op de been, dan menigeen die
driemaal zoo rijk is als hij. Wat zijn verbindtenis of betrekking tot
de dieven aangaat, hieromtrent kan ik u geen duidelijke verklaring
geven: maar dit weet ik, dat de stoutste onder hen nooit een stuk van
iemand zal stelen, die schatting aan Vich Ian Vohr betaalt.”
„Schatting! aan hem?”
„Ja – een soort van beschermgeld, dat heeren en landbezitters uit het
Laagland, die dicht bij de Hooglanden wonen, aan het Hooglandsche
opperhoofd betalen, opdat hij zelf hun geen leed doe, noch dulde dat
het hun door anderen aangedaan wordt. Wanneer zijn vee gestolen is,
heeft men hem er slechts bericht van te zenden, en hij bezorgt het
terstond terug; of anders zal hij koeien uit een of ander afgelegen
oord, waarmede hij in twist is, wegdrijven en ze ter goedmaking van het
verlies geven.”
„En wordt deze soort van Hooglandsche struikroover in gezelschap
toegelaten, en geeft men hem den naam van fatsoenlijk man?”
„Zeer zeker! De twist tusschen mijn vader en Fergus Mac-Ivor ving ook
op eene graafschaps-vergadering aan, waar hij op het punt stond, zich
den voorrang aan te matigen boven al de toen aanwezige Laaglandsche
heeren; mijn vader was de eenige die dit niet duldde. En toen verweet
hij mijn vader, dat hij onder hem behoorde en hem schatting betaalde.
Mijn vader werd geweldig driftig, want Mackwheeble, die dergelijke
zaken op zijn eigene wijze behandelt, had een middel gevonden om de
betaling van de schatting geheim te houden, en in zijne rekening onder
de andere belastingen optenemen. En er zou een tweegevecht uit ontstaan
zijn; maar Fergus Mac-Ivor zeide zeer beleefd, dat hij nooit de hand
zou opheffen tegen een grijs hoofd, dat zoo zeer geëerbiedigd was, als
dat van mijn vader. – O, wat zou ik er niet om geven als ze bevriend
gebleven waren!”
„En hebt gij dezen mijnheer Mac-Ivor ooit gezien, zoo dàt zijn naam is,
freule Bradwardine?”
„Neen, zoo is zijn naam niet; en hij zou, zoo gij hem mijnheer noemdet,
dit voor een soort van beleediging houden: het komt alleen daar van
daan dat gij een Engelschman zijt en niet beter weet. Maar de
Laaglanders noemen hem, even als andere heeren, naar zijn landgoed,
Glennaquoich; en de Hooglanders noemen hem Vich Ian Vohr, dat is, de
zoon van Jan den Groote; doch wij hier op de grenzen geven hem, al naar
het voorkomt, beide namen.”
„Ik vrees, dat ik er mijn Engelsche tong nooit toe brengen zal, hem bij
den eenen of anderen te noemen.”
„Maar hij is een zeer beleefd, knap maan,” ging Rose voort: „en zijn
zuster Flora is een der schoonste, talentrijkste jonge dames van het
land: zij werd in een klooster in Frankrijk opgevoed, en was eene
groote vriendin van mij, vóor dit ongelukkig verschil. Beste kapitein
Waverley, wend al uw invloed bij mijn vader aan, om de zaak in orde te
brengen. Ik ben zeker, dat dit slechts het begin onzer kwellingen is,
want Tully-Veolan is nooit een veilig of rustig verblijf geweest, als
wij met de Hooglanders overhoop lagen. Toen ik nog een kind van een
jaar of tien was, viel er een schermutseling voor tusschen een
twintigtal hunner en mijn vader met zijn bedienden, en zoo dichtbij
waren ze dat de kogels verscheidene ruiten in de ramen aan de
noordzijde van ons huis verbrijzelden. Drie van de Hooglanders
sneuvelden, en men bracht ze binnen, in hunne plaids gewikkeld, en
legde ze op den steenen vloer van de voorzaal. Den volgenden morgen
kwamen hunne vrouwen en dochters, terwijl ze zongen, in de handen
sloegen, den lijkzang gilden, en de doode lichamen wegdroegen,
voorafgegaan door een troep, die op den doedelzak speelde. Ik kon zes
weken lang niet slapen, zonder op te springen en mij te verbeelden, dat
ik deze vreeselijke kreten nog hoorde; gedurig zag ik weder de lijken
op de voortrappen liggen, geheel stijf en gewikkeld in hunne bloedige
plaids. Maar na dien tijd kwam er een deel van het garnizoen te
Stirling, met een mandaat van den Opperrechter of een dergelijk groot
man, die al onze wapens weg nam; en hoe zullen wij ons tegen de
Hooglanders beschermen, als ze met eenige macht afkomen?”
Waverley schrikte bij het aanhooren van een verhaal, dat zoo zeer op
een zijner eigene wakende droomen geleek. Hier zag hij een meisje van
nauwelijks zeventien jaar voor zich, de bevalligste van haar kunne, zoo
wel door hare geaardheid als haar voorkomen, die met eigen oogen
getuige was geweest van zulk een tooneel, als hij gewoon was voor zijn
verbeelding op te roepen, maar als iets dat slechts in oude tijden kon
plaats grijpen, en waarover zij heel bedaard sprak alsof het iets was
dat zich ligtelijk op nieuw kon voordoen. Hij gevoelde tegelijk den
prikkel der nieuwsgierigheid, en van het gevaar, welke slechts dient,
om de belangstelling te verhoogen. Hij had met Malvolio kunnen zeggen:
„Neen, men zal mij niet langer voor gek aanzien, en zeggen, dat ik mij
door mijn verbeelding laat foppen; ik ben nu werkelijk in het land van
krijgshaftige en romaneske avonturen, en er blijft nog maar over te
zien, welk deel ik er aan nemen zal.”
Alles wat Waverley omtrent den toestand van het land, waarin hij zich
bevond, vernam, scheen hem even nieuw als buitengewoon. Hij had wel
dikwijls gehoord van Hooglandsche roovers, maar maakte zich geen
voorstelling van de systematische wijze, waarop zij hunne rooverijen
pleegden. Nooit had hij kunnen denken dat hunne eigene hoofden die
gewelddadigheden oogluikend aanzagen, en zelfs aanmoedigden omdat ze
meenden dat deze strooptochten niet slechts dienden om de lieden van
hunne clans aan de behandeling der wapenen te gewennen, maar ook om een
heilzamen schrik onder hunne Laaglandsche naburen levendig te houden,
en, gelijk wij gezien hebben, schatting van dezen onder den titel van
beschermgeld te heffen.
Mackwheeble, die kort hierop binnen kwam, weidde nog meer uit over
hetzelfde onderwerp. Het gesprek van dezen waardigen heer was zoo
geheel in overeenstemming met zijn beroepsbezigheden, dat David
Gellatley op zekeren dag zeide, dat zijn gepraat op een dwangbevel tot
betaling geleek. Hij verzekerde onzen held, „dat sedert onheugelijke
tijden, de vagebonden, dieven, sluikers en geruïneerde lieden in de
Hooglanden, op grond van hun familienaam, met elkander in verbinding
hadden gestaan tot het plegen van diefstallen, rooverijen en
plunderingen op de eerlijke lieden van het lage land, door niet alleen
de hand te leggen op al hunne goederen, koorn, rundvee, paarden,
schapen, inslag en uitslag, al naar het hunne booze lusten geviel, maar
dat ze bij het maken van krijgsgevangenen daarenboven, hen losgeld
deden betalen of hen noodzaakten borgen te stellen, zoo zij anders niet
weêr in gevangenschap geraken wilden. Dit alles nu was rechtstreeks
verboden bij verschillende bepalingen van het wetboek, zoo wel volgens
de acte van het jaar vijftien honderd zeven en zestig, als bij
verscheidene andere, welke statuten, met alles wat daarop volgde of
volgen zou, schandelijk verkracht en veracht werden door gezegde
vagebonden, sluikers en te gronde gerichte lieden, die een maatschappij
uitraaakten met het voornoemde oogmerk om diefstal, geweld,
brandstichting, moord, raptas mulierum, of gewelddadige wegvoering van
vrouwen, en dergelijke, als in het wetboek omschreven staan, te
plegen.”
Alles wat Waverley zoo even gehoord had, scheen hem een droom toe; hij
kon zich maar niet verbeelden dat de geest der menschen zich zoo
gemeenzaam kon maken met deze daden van geweld; dat men er over spreken
kon als over iets zeer gewoons, hetwelk dagelijks in den omtrek
voorviel, en toch was hij de zee niet overgestoken, en bevond hij zich
nog op het overigens zoo wel bestuurde eiland van Groot-Brittannië.