Elisos oculos, et siccum sanguine guttur.” [53]

De rentmeester, die in geenen deele met, deze oorlogzuchtige raadgeving

gediend was, haalde hier een reusachtig zakuurwerk te voorschijn, van

de kleur en ongeveer ter grootte van een koperen beddepan, en maakte de

aanmerking, dat het reeds namiddag was, en dat de roovers in den pas

van Ballybrough kort na zonneopgang waren gezien; zoodat, eer de

verbondene strijdkrachten zich zouden kunnen verzamelen, zij met hunne

prooi reeds buiten het bereik zouden zijn van alle mogelijke

vervolging, en in veiligheid te midden dier ongebaande wildernissen,

waar het evenmin raadzaam was hen te volgen, als mogelijk hen na te

sporen.

Deze opmerking was onwederlegbaar. De raadsvergadering ging dus uiteen,

zonder tot eenig besluit te komen, zooals meermalen met vrij wat

gewichtiger vergaderingen gebeurd is: alleen werd er bepaald, dat de

rentmeester zijn drie melkkoeien zou opzenden naar de hoeve van

Tully-Veolan, ten gebruike van de familie des Barons, en dat men bij

hem dun bier zou brouwen ter vervanging der melk. Met deze schikking,

welke door Saunderson werd voorgeslagen, stemde de rentmeester

gereedelijk in; zoowel uit een aangeboren ontzag voor de familie

Bradwardine, als uit overtuiging dat zijne beleefdheid, op de eene of

andere wijze, tienvoudig zou worden vergoed.

Nadat de Baron insgelijks was heen gegaan, om eenige noodige bevelen te

geven, maakte Waverley van de gelegenheid gebruik, om te vragen, of die

Fergus, met den zoo moeielijk uittespreken naam, de voornaamste

dievenvanger van het district was.

„Dievenvanger!” antwoordde Rose lachende, „hij is een edelman van groot

aanzien en gewicht, het hoofd [54] van een onafhankelijken tak van een

machtigen Hooglandschen „clan”, en die zeer ontzien wordt, zoo wel om

zijn eigen macht, als om die van zijn aanhang, maagschap en

bondgenooten.”

„En wat heeft hij dan met de dieven te doen? Is hij een magistraat, of

behoort hij tot het vredegerecht?” vroeg Waverley.

„Tot het oorlogsgerecht veeleer, zoo er zulk een ding is,” zeide Rose;

„want hij is een lastige buur voor diegenen die niet tot zijn vrienden

behooren, en hij houdt een grooter gevolg op de been, dan menigeen die

driemaal zoo rijk is als hij. Wat zijn verbindtenis of betrekking tot

de dieven aangaat, hieromtrent kan ik u geen duidelijke verklaring

geven: maar dit weet ik, dat de stoutste onder hen nooit een stuk van

iemand zal stelen, die schatting aan Vich Ian Vohr betaalt.”

„Schatting! aan hem?”

„Ja – een soort van beschermgeld, dat heeren en landbezitters uit het

Laagland, die dicht bij de Hooglanden wonen, aan het Hooglandsche

opperhoofd betalen, opdat hij zelf hun geen leed doe, noch dulde dat

het hun door anderen aangedaan wordt. Wanneer zijn vee gestolen is,

heeft men hem er slechts bericht van te zenden, en hij bezorgt het

terstond terug; of anders zal hij koeien uit een of ander afgelegen

oord, waarmede hij in twist is, wegdrijven en ze ter goedmaking van het

verlies geven.”

„En wordt deze soort van Hooglandsche struikroover in gezelschap

toegelaten, en geeft men hem den naam van fatsoenlijk man?”

„Zeer zeker! De twist tusschen mijn vader en Fergus Mac-Ivor ving ook

op eene graafschaps-vergadering aan, waar hij op het punt stond, zich

den voorrang aan te matigen boven al de toen aanwezige Laaglandsche

heeren; mijn vader was de eenige die dit niet duldde. En toen verweet

hij mijn vader, dat hij onder hem behoorde en hem schatting betaalde.

Mijn vader werd geweldig driftig, want Mackwheeble, die dergelijke

zaken op zijn eigene wijze behandelt, had een middel gevonden om de

betaling van de schatting geheim te houden, en in zijne rekening onder

de andere belastingen optenemen. En er zou een tweegevecht uit ontstaan

zijn; maar Fergus Mac-Ivor zeide zeer beleefd, dat hij nooit de hand

zou opheffen tegen een grijs hoofd, dat zoo zeer geëerbiedigd was, als

dat van mijn vader. – O, wat zou ik er niet om geven als ze bevriend

gebleven waren!”

„En hebt gij dezen mijnheer Mac-Ivor ooit gezien, zoo dàt zijn naam is,

freule Bradwardine?”

„Neen, zoo is zijn naam niet; en hij zou, zoo gij hem mijnheer noemdet,

dit voor een soort van beleediging houden: het komt alleen daar van

daan dat gij een Engelschman zijt en niet beter weet. Maar de

Laaglanders noemen hem, even als andere heeren, naar zijn landgoed,

Glennaquoich; en de Hooglanders noemen hem Vich Ian Vohr, dat is, de

zoon van Jan den Groote; doch wij hier op de grenzen geven hem, al naar

het voorkomt, beide namen.”

„Ik vrees, dat ik er mijn Engelsche tong nooit toe brengen zal, hem bij

den eenen of anderen te noemen.”

„Maar hij is een zeer beleefd, knap maan,” ging Rose voort: „en zijn

zuster Flora is een der schoonste, talentrijkste jonge dames van het

land: zij werd in een klooster in Frankrijk opgevoed, en was eene

groote vriendin van mij, vóor dit ongelukkig verschil. Beste kapitein

Waverley, wend al uw invloed bij mijn vader aan, om de zaak in orde te

brengen. Ik ben zeker, dat dit slechts het begin onzer kwellingen is,

want Tully-Veolan is nooit een veilig of rustig verblijf geweest, als

wij met de Hooglanders overhoop lagen. Toen ik nog een kind van een

jaar of tien was, viel er een schermutseling voor tusschen een

twintigtal hunner en mijn vader met zijn bedienden, en zoo dichtbij

waren ze dat de kogels verscheidene ruiten in de ramen aan de

noordzijde van ons huis verbrijzelden. Drie van de Hooglanders

sneuvelden, en men bracht ze binnen, in hunne plaids gewikkeld, en

legde ze op den steenen vloer van de voorzaal. Den volgenden morgen

kwamen hunne vrouwen en dochters, terwijl ze zongen, in de handen

sloegen, den lijkzang gilden, en de doode lichamen wegdroegen,

voorafgegaan door een troep, die op den doedelzak speelde. Ik kon zes

weken lang niet slapen, zonder op te springen en mij te verbeelden, dat

ik deze vreeselijke kreten nog hoorde; gedurig zag ik weder de lijken

op de voortrappen liggen, geheel stijf en gewikkeld in hunne bloedige

plaids. Maar na dien tijd kwam er een deel van het garnizoen te

Stirling, met een mandaat van den Opperrechter of een dergelijk groot

man, die al onze wapens weg nam; en hoe zullen wij ons tegen de

Hooglanders beschermen, als ze met eenige macht afkomen?”

Waverley schrikte bij het aanhooren van een verhaal, dat zoo zeer op

een zijner eigene wakende droomen geleek. Hier zag hij een meisje van

nauwelijks zeventien jaar voor zich, de bevalligste van haar kunne, zoo

wel door hare geaardheid als haar voorkomen, die met eigen oogen

getuige was geweest van zulk een tooneel, als hij gewoon was voor zijn

verbeelding op te roepen, maar als iets dat slechts in oude tijden kon

plaats grijpen, en waarover zij heel bedaard sprak alsof het iets was

dat zich ligtelijk op nieuw kon voordoen. Hij gevoelde tegelijk den

prikkel der nieuwsgierigheid, en van het gevaar, welke slechts dient,

om de belangstelling te verhoogen. Hij had met Malvolio kunnen zeggen:

„Neen, men zal mij niet langer voor gek aanzien, en zeggen, dat ik mij

door mijn verbeelding laat foppen; ik ben nu werkelijk in het land van

krijgshaftige en romaneske avonturen, en er blijft nog maar over te

zien, welk deel ik er aan nemen zal.”

Alles wat Waverley omtrent den toestand van het land, waarin hij zich

bevond, vernam, scheen hem even nieuw als buitengewoon. Hij had wel

dikwijls gehoord van Hooglandsche roovers, maar maakte zich geen

voorstelling van de systematische wijze, waarop zij hunne rooverijen

pleegden. Nooit had hij kunnen denken dat hunne eigene hoofden die

gewelddadigheden oogluikend aanzagen, en zelfs aanmoedigden omdat ze

meenden dat deze strooptochten niet slechts dienden om de lieden van

hunne clans aan de behandeling der wapenen te gewennen, maar ook om een

heilzamen schrik onder hunne Laaglandsche naburen levendig te houden,

en, gelijk wij gezien hebben, schatting van dezen onder den titel van

beschermgeld te heffen.

Mackwheeble, die kort hierop binnen kwam, weidde nog meer uit over

hetzelfde onderwerp. Het gesprek van dezen waardigen heer was zoo

geheel in overeenstemming met zijn beroepsbezigheden, dat David

Gellatley op zekeren dag zeide, dat zijn gepraat op een dwangbevel tot

betaling geleek. Hij verzekerde onzen held, „dat sedert onheugelijke

tijden, de vagebonden, dieven, sluikers en geruïneerde lieden in de

Hooglanden, op grond van hun familienaam, met elkander in verbinding

hadden gestaan tot het plegen van diefstallen, rooverijen en

plunderingen op de eerlijke lieden van het lage land, door niet alleen

de hand te leggen op al hunne goederen, koorn, rundvee, paarden,

schapen, inslag en uitslag, al naar het hunne booze lusten geviel, maar

dat ze bij het maken van krijgsgevangenen daarenboven, hen losgeld

deden betalen of hen noodzaakten borgen te stellen, zoo zij anders niet

weêr in gevangenschap geraken wilden. Dit alles nu was rechtstreeks

verboden bij verschillende bepalingen van het wetboek, zoo wel volgens

de acte van het jaar vijftien honderd zeven en zestig, als bij

verscheidene andere, welke statuten, met alles wat daarop volgde of

volgen zou, schandelijk verkracht en veracht werden door gezegde

vagebonden, sluikers en te gronde gerichte lieden, die een maatschappij

uitraaakten met het voornoemde oogmerk om diefstal, geweld,

brandstichting, moord, raptas mulierum, of gewelddadige wegvoering van

vrouwen, en dergelijke, als in het wetboek omschreven staan, te

plegen.”

Alles wat Waverley zoo even gehoord had, scheen hem een droom toe; hij

kon zich maar niet verbeelden dat de geest der menschen zich zoo

gemeenzaam kon maken met deze daden van geweld; dat men er over spreken

kon als over iets zeer gewoons, hetwelk dagelijks in den omtrek

voorviel, en toch was hij de zee niet overgestoken, en bevond hij zich

nog op het overigens zoo wel bestuurde eiland van Groot-Brittannië.

Waverley(#75933) · 第 37 / 156 题