Eduard had bijna zes weken te Tully-Veolan doorgebracht, toen hij op
zekeren morgen, terwijl hij zijn gewone wandeling voor het ontbijt
deed, een buitengewone beweging in huis ontdekte. Vier barrevoetsche
melkmeiden, elk met een ledigen melkemmer in de hand, liepen, met aan
het waanzinnige grenzende gebaren rond, onder het slaken van luide
kreten van verbazing, smart en gramschap. Uit haar voorkomen zou een
heiden zich hebben verbeeld, dat ze een afdeeling van die befaamde
Beliden [52] uitmaakten, welke zoo even van hare „uithoozende”
straftaak terug kwamen. Daar uit dit zinneloos koor echter niets dan
„Heere, bewaar ons!” en „Och, och!” te halen was, welke uitroepingen
geen licht over haar ongeluk verspreidden, keerde Waverley dus naar het
voorplein van het huis terug, waar hij den heer Mackwheeble zag, die op
zijn grijzen hit, met al den spoed dien hij maar maken kon, de laan
opdraafde. Hij was, naar het scheen, tengevolge van een dringende
boodschap gekomen, en werd door een tiental boeren uit het dorp
gevolgd, welke het niet moeielijk viel, gelijken tred met hem te
houden.
De rentmeester, die het veel te druk had en al te zeer met zijn eigen
gewicht vervuld was, om Eduard het een of ander te verklaren, liet
terstond Saunderson roepen, die opdaagde met een gelaat, waarop
droefheid met deftigheid was vermengd, en zij begonnen met elkander in
ernstig overleg te treden. David Gellatley bevond zich mede onder den
hoop, maar hij liep even achteloos als Diogenes te Sinope rond, terwijl
zijn medeburgers zich tot het beleg voorbereidden. Zijn levendigheid
nam telkens toe, met ieder, hetzij goed of kwaad voorval, waardoor
drukte veroorzaakt werd, en hij hield niet op met huppelen, dansen,
springen en het zingen van het slotrijm eener oude ballade:
„Ons geld is weg!”
totdat hij, te dicht langs den rentmeester komende, een vermanenden
wenk ontving van diens karwarts, waardoor zijn vroolijk gezang in een
klagelijk gehuil veranderd werd.
Terwijl hij vandaar naar den tuin ging, zag Waverley den Baron in
persoon, met snelle schreden en een wolk van verontwaardiging en
gekrenkten trots op zijn gelaat het terras op en neder loopen; zijn
geheele houding verried, dat elk onderzoek naar de oorzaak zijner
ontevredenheid hem smartelijk, zoo al niet beleedigend, zou zijn.
Waverley sloop derhalve in huis, zonder hem aan te spreken, en begaf
zich naar de ontbijtkamer, waar hij zijn jonge vriendin Rose vond, die,
ofschoon ze noch de gevoeligheid van haar vader toonde, noch de
beleedigde deftigheid van Mackwheeble, noch de wanhoop der melkmeiden,
echter verdrietig en nadenkend scheen. Een enkel woord verklaarde hem
het geheim. „Uw ontbijt zal niet zeer rustig wezen, kapitein Waverley.
Een bende roovers heeft ons in den afgeloopen nacht overvallen, en al
onze melkkoeien weggedreven.”
„Een bende roovers?”
„Ja; roovers uit de naburige Hooglanden. Wij plachten geheel vrij van
hen te zijn, zoo lang wij schatting aan Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr
betaalden; maar mijn vader achtte het beneden zijn rang en geboorte het
langer te betalen, en dit is de oorzaak van ons ongeluk. Het is niet de
waarde van het vee, kapitein Waverley, dat mij hindert; maar mijn vader
is verontwaardigd over deze beleediging, en zoo opgewonden en driftig
dat ik vrees dat hij met geweld trachten zal het vee terug te krijgen;
en zoo hij daarbij al zelf niet gewond wordt, zal hij eenige van deze
woeste menschen wonden, en dan zal er misschien ons leven lang geen
vrede tusschen hen en ons zijn. Wij kunnen ons niet meer als in
vroegere tijden verdedigen, want het bewind heeft al onze wapenen
weggenomen, en mijn vader is zoo vreeselijk voortvarend – och, wat zal
er van ons worden?” – Hier verloor de arme Rose geheel den moed en
barstte in een vloed van tranen los.
Op dit oogenblik kwam de Baron binnen, en bestrafte haar met meer
bitsheid, dan Waverley hem ooit jegens iemand had hooren bezigen. „Was
het geen schande,” zeide hij, „dat ze zich voor een fatsoenlijk man in
zulk een licht vertoonde; en dat ze tranen stortte om een kudde hoorn-
en melkvee, alsof ze de dochter van een boer ware! – Kapitein Waverley,
ik moet u verzoeken haar droefheid van de gunstigste zijde te
beschouwen, daar zij voortspruit, althans enkel behoort voorttespruiten
uit de omstandigheid, dat haars vaders landgoed blootstaat aan de roof-
en plunderzucht van gemeene dieven en landloopers, omdat het ons niet
geoorloofd is een dozijn geweren er op na te houden, om ons goed te
verdedigen of het terug te halen.”
Mackwheeble trad onmiddellijk hierna binnen, en bevestigde, door zijn
verslag omtrent wapenen en ammunitie, deze bewering, terwijl hij den
Baron op treurigen toon berichtte, dat, ofschoon het volk, de bevelen
van hun Heer zeker zou gehoorzamen, er echter geen kans was om het vee
met eenigen goeden uitslag achterna te zitten, daar alleen de
lijfbedienden van den Baron zwaarden en pistolen hadden, en de roovers
uit twaalf, volkomen op de wijze van hun land gewapende Hooglanders
bestonden. – Nadat hij deze smartelijke waarheid verkondigd had, nam
hij een houding aan van zwijgende neerslachtigheid, terwijl hij zijn
hoofd langzaam met de beweging van een slinger, wanneer hij begint op
te houden, schudde en vervolgens stokstijf bleef staan, en zijn
ligchaam met een scherper hoek voorover boog dan gewoonlijk, en het
achterste gedeelte van zijn lichaam naar evenredigheid uitstak.
Intusschen liep de Baron de kamer, in zwijgende verontwaardiging op en
neder, terwijl hij ten laatste zijn oog op een oud portret vestigde in
volle wapenrusting, en met een gelaat dat grimmig uit een zwaren
haarbos te voorschijn kwam, waarvan een gedeelte afhing tot op de
schouders, en een ander de kin en bovenlip tot op de borstplaat van
zijn harnas bedekte. – „Die heer, kapitein Waverley, mijn grootvader,
versloeg en verjoeg met twee honderd man paardenvolk, die hij binnen
zijn eigene grenzen ligtte, meer dan vijf honderd van deze Hooglandsche
roovers, die altijd lapis offensionis en petra scandali, een steen des
aanstoots en eene rotse der ergernis voor de Laaglandsche nabuurschap
zijn geweest. – Hij versloeg hen, zeg ik, toen zij de roekeloosheid
hadden van hunne bergen af te komen, om deze landstreek te
verontrusten, ten tijde der burgertwisten, in het jaar onzes Heeren
zestien honderd twee en veertig. En nu, Mijnheer, wordt ik, zijn
kleinzoon, zoo als ge ziet, door zulke onwaardige menschen mishandeld!
Hier volgde een pijnlijk stilzwijgen, waarna het geheele gezelschap,
zoo als gewoonlijk in moeielijke gevallen, allerlei ongerijmden raad
begon te geven. Alexander ab Alexandro stelde voor iemand te zenden, om
met de dieven te onderhandelen, die, zoo als hij zeide, zeker hunne
prooi voor een daalder het stuk zouden teruggeven. De rentmeester
oordeelde, dat zulk een onderhandeling, een afkoop van diefstal zou
worden; hij ried dus aan, een geschikt persoon naar de dalen te zenden,
om, als voor zich zelven, den best mogelijken koop te sluiten, zoodat
de Baron in de onderhandeling niet zou worden betrokken. Eduard stelde
voor, naar het naaste garnizoen om een peloton soldaten en een
bevelschrift van den magistraat te zenden, en Rose, voor zoo ver ze
durfde, poogde het middel aan te raden, om de achterstallige schatting
te betalen aan Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr, die, zoo als zij allen
wisten, indien hij wel gezind was, gemakkelijk de teruggave van het vee
bewerken kon.
Geen van deze voorslagen droeg de goedkeuring van den Baron weg. Het
denkbeeld van schikking, rechtstreeks of zijdelings, scheen hem
onteerend; de raad van Waverley bewees slechts, dat hij onbekend was
met den toestand des lands en der staatkundige partijschappen, die het
verdeelden, en daar de zaken met Fergus Mac-Ivor Vich Ian Vohr waren
zoo als ze stonden, zoo wilde de Baron niets toegeven, al ware het,
zeide hij, om restitutie in integrum te verkrijgen van elke koe of
kalf, dat zijn geslacht had gestolen sedert de dagen van Malcolm
Canmore.
Hij was dus inderdaad nog voor den strijd gestemd en hij stelde voor,
om renboden te zenden naar Balmawhapple, Killancureit. Tulliellum en
andere heeren, die aan dezelfde rooverijen blootgesteld waren, om hen
uit te noodigen zich met hem te vereenigen ten einde de roovers te
verjagen; „en dan, Mijnheer, zullen deze nebulones nequissimi, gelijk
Leslæus hen noemt, het lot ondergaan van hun voorganger Cacus.