O, wijd toch uw spond op den avond voor ’t feest
Waarop ge alle Heilgen gedenkt in den geest.
Sla ’t kruis, bid uw krans, eer ge u strekt op uw koets,
Zeg ’t Ave en ’t Credo uit ’t diepst des gemoeds.
Want dan rijdt de nachtkol de lucht in het rond,
Omstuwd door de heksen, met haar in verbond,
’t Zij ’t koeltjen er lispelt, of, buldrend, de orkaan
De wolken er jaagt langs de drijvende maan.
De jonkvrouw zat neêr in Sint Swithin’s gestoelt.
Haar had er de nachtdauw het voorhoofd verkoeld;
Een doodelijk bleek overdekte haar koon,
Maar stout was haar hart en haar blik en haar toon.
Zij spreekt er kloekmoedig de tooverspreuk uit,
Waarmede Sint Swithin de kol had gestuit,
Haar fier had bevolen: daal haastiglijk neêr,
Leg af uw gelofte, Gods grootheid ter eer.
Al wie in Sint Swithin’s gestoelte zich vlijt,
Als ’s nachts door het luchtruim de tooverkol rijdt,
En moedig de spreuk zegt – hem is het vergond
Drie vragen te doen, en zij antwoordt terstond.
De baanderheer trok met vorst Robbert te veld.
Drie jaren sinds ’t afscheid zijn henen gesneld;
Niets wist ze van ’t lot van den vriend van haar hart;
Toch smachtte naar tijding de jonkvrouw met smart!
Zij siddert, en stamelt bij ’t uiten van ’t woord.
Zeg, is het de nachtuil, welks knappen zij hoort?
Of is dat geluid tusschen lach en gegil
De stem van den Demon, die spookt langs de kil?
De stroom staakt zijn klotsen, de wind legt zich neêr:
De stilte was banger dan ’t stormen weleer:
Uit aschgrauwen nevel, die golvende waart,
Rijst, aaklig, een spooksel, dat opdaagt met vaart.
..........................................
..........................................
„Het doet mij leed, dat ik het gezelschap teleurstel, inzonderheid
kapitein Waverley, die met zooveel prijzenswaardigen ernst toeluistert;
het is maar een fragment, ofschoon ik geloof dat er nog meer regels
zijn, die de terugkomst van den ridder uit den langdurigen krijg
beschrijven, en hoe hij de dame, koud als ijs, op den drempel vindt
liggen.”
„Het is een dier verdichtselen„’’ merkte de heer Bradwardine aan,
„waardoor de vroegere geschiedenis van aanzienlijke oude familiën in de
tijden van het bijgeloof, ontsierd werd. Rome heeft even als
verscheidene andere volken der oudheid hare wonderverschijnselen gehad,
mijnheer, gelijk gij lezen kunt in de oude geschiedboeken, of in het
werkje door Julius Obsequens bijeen gebracht, en door den geleerden
Scheffer, den uitgever, opgedragen aan zijn beschermheer Benedictus
Skytte, baron van Dudershoff.”
„Mijn vader stelt in het wonderbare al bitter weinig vertrouwen,
kapitein Waverley,” zei Rose, „en stond eenmaal pal, toen een geheele
synode van Presbyteriaansche geestelijken door eene onverwachte
verschijning van den Booze op de vlucht werd gedreven.”
Waverley keek op alsof hij verlangde er meer van te hooren.
„Moet ik zoo wel mijn verhaal vertellen, als mijn lied zingen? – Wel
aan. – Eens leefde er een oude vrouw, met name Janet Gellatley, die
algemeen voor een tooverheks werd gehouden, op de onfeilbare gronden,
dat ze zeer oud, zeer leelijk, en zeer arm was, en daarbij twee zoons
had, van wie de een een dichter en de ander onnoozel was, welke
bezoeking, volgens het eenparig gevoelen van de geheele nabuurschap,
over haar gekomen was, wegens het plegen van tooverij. Een week lang
werd ze opgesloten in den dorps-kerktoren en karig van voedsel
voorzien, terwijl men haar niet veroorloofde te slapen, tot ze zelve,
even als hare beschuldigers, overtuigd werd dat ze eene tooverkol was;
en in deze heldere en gelukkige geestgesteldheid werd ze voor den dag
gehaald om haar geweten te ontlasten, dat is, om eene openbare
belijdenis te doen van hare tooverijen, ten aanhoore van al de Whigsche
heeren en geestelijken in den omtrek, die zelven geene heksenmeesters
waren. Mijn vader kwam om te zorgen dat het eerlijk toeging tusschen de
tooverheks en de geestelijkheid; want de heks was op zijn grondgebied
geboren. En terwijl zij bekende, dat de Booze haar verschenen was in de
gedaante van een knappen zwarten man, en om haar gevrijd had, –
hetgeen, zoo gij de arme, leepoogige Janet gezien had, niet zeer voor
Apollion’s smaak pleitte, – en terwijl de toehoorders met verbaasde
ooren luisterden, en de klerk met eene bevende hand aanteekeningen
hield, veranderde op eens de doffe, mompelende toon, waarop ze sprak,
in een gillenden kreet, en riep ze uit: „Zorgt voor u eigen! Zorgt voor
u eigen! Ik zie den Booze midden onder u zitten!” De verbazing was
algemeen, terwijl de geheele vergadering, door schrik overmeesterd,
heil zocht in de vlucht. Gelukkig waren zij die zich het dichtst bij de
deur bevonden! Talloos waren de rampen, die hoeden, beffen, mantels en
pruiken overkwamen, alvorens zij uit de kerk konden geraken, waar zij
den onverzettelijken Prelatist alléen achterlieten, om de zaken van de
tooverheks en haar bewonderaar, op zijn eigen gevaar af en naar zijn
eigen genoegen, in orde te brengen.”
„Risu solvuntur tabulæ,” zei de baron; „toen zij van hun belachelijken
schrik bekomen waren, schaamden zij zich te zeer om het rechtsgeding
tegen Janet Gellatley te hervatten.” [49]