EEN VERSTANDIGER DAG DAN DE VORIGE.

De baron van Bradwardine, op een levendig en goed gedresseerd paard

gezeten, met een demi-piquè zadel en een donker schabrak, in

overeenstemming met zijn liverei, was geen slecht vertegenwoordiger van

de oude school. Zijn lichtkleurige, geborduurde rok en prachtig

gegaloneerd vest, zijn krulpruik, waarop een punthoed met een smal

gouden boordsel stond, voltooide zijn costuum; terwijl hij werd gevolgd

door twee wel bereden knechts te paard, met pistolen in de holsters

gewapend.

Aldus uitgedost reed hij over berg en dal zachtjes voort, terwijl hij

de bewondering van elke boerderij, welke zij voorbij kwamen, opwekte,

totdat ze, in een groene vallei, David Gellatley vonden, die twee

buitengewoon groote hazewind-honden vasthield, een half dozijn andere

kleinere honden bij zich had, en omtrent even zoo vele jongens met

bloote voeten en bloote hoofden, die, om de uitgelezene onderscheiding

te genieten van bij de jacht tegenwoordig te zijn, niet nagelaten

hadden zijn ooren te kittelen met den streelenden titel van „Mijnheer

Gellatley,” ofschoon er waarschijnlijk niemand onder hen was, die niet

bij vorige gelegenheden hem uitgejouwd en voor „mallen David”

uitgescholden had. Maar dit is geen ongewone soort van vleijerij jegens

lieden, in zekere betrekkingen geplaatst, en geenszins bepaald tot de

barrevoetsche dorpelingen van Tully-Veolan; ze was zestig jaar geleden

in zwang, is het thans nog, en zal het over zeshonderd jaar nog zijn,

zoo dat wonderlijke mengsel van dwaasheid en schurkerij, dat men „de

wereld” heet, dan nog bestaat.

Deze kleine barrevoeters waren bestemd om het kreupelhout te kloppen,

hetgeen ze met zulk goed gevolg deden, dat na een half uur jagens een

ree opgejaagd, vervolgd en gedood werd. De baron volgde de honden op

zijn schimmel, gelijk graaf Percy in de oude ballade, doodde het dier

grootmoediglijk met zijn adellijk couteau de chasse, vilde het en

haalde het uit, hetgeen, zooals hij aanmerkte, de Fransche chasseurs

„faire la curée” heeten. Na deze plechtigheid geleidde hij zijn gast

naar huis, langs een prettigen omweg, die een zeer ruim uitzicht schonk

op verscheidene dorpen en huizen, van welke de heer Bradwardine de een

of andere geschied- of geslachtkundige anecdote verhaalde. Zijn

mededeelingen waren in een taal, ontsierd door veroordeel en

pedanterie, maar dikwijls eerbiedwekkend om het gezond verstand en de

edele gevoelens, waardoor zijn verhaal zich kenmerkte, en bijna altijd

wetenswaardig, zoo niet belangrijk, om het onderricht dat daarin lag

opgesloten.

De waarheid is, dat de rid beide heeren vermaakte, omdat ze genoegen

vonden in elkanders omgang, ofschoon hunne karakters en wijze van

denken in vele opzichten geheel uit elkaâr liepen. Eduard bezat, gelijk

wij den lezer hebben te kennen gegeven, een levendige verbeelding, en

was vreemd en romanesk in zijn denkbeelden en in zijn smaak voor

lectuur, en had een bijzonder sterke neiging voor de poëzij. De heer

Bradwardine was het tegenovergestelde van dit alles, en verhief er zich

op, dat hij met dezelfde strakke, stijve, stoïsche deftigheid door het

leven stapte, waardoor zijn avondwandeling op het terras van

Tully-Veolan zich kenmerkte, waar hij, uren achtereen, – het ware

evenbeeld van den ouden Knoet –

Statig heentoog naar het oost,

Statig naar het westen.

Wat de letterkunde betreft, hij had de klassieke dichters, het

Epithalamium van Georgius Buchanan, en Arthur Johnston’s

Zondagspsalmen, benevens de Diliciæ Poetarum Scotorum, en sir David

Lindsay’s werken en Barbours Bruce en des blinden Harry’s Wallace en De

edele Schaapherder van Ramsay, zoowel als de Kersenboom en de wilde

Pruimboom gelezen. Maar in weerwil van dit aan de muzen gebrachte

offer, zou hij, als wij de waarheid moeten zeggen, zich veel beter

vermaakt hebben, indien de vrome of wijze spreuken, zoowel als de

historische verhalen, welke deze onderscheidene werken bevatten, hem

waren aangeboden in den vorm van eenvoudig proza. En hij kon soms niet

nalaten zijne verachting uit te drukken voor de „ijdele en nuttelooze

kunst van verzen maken,” waarin, zoo als hij zeide, „Allan Ramsay de

pruikenmaker [47] de eenige was, die in zijn tijd had uitgemunt.”

Maar hoewel Eduard en hij te dezen aanzien toto cælo verschilden, zoo

als de Baron zou gezegd hebben, ontmoetten zij echter elkander op

geschiedkundig gebied, als op een onzijdig terrein, waarin beide belang

stelden. De Baron, het is waar, belaadde enkel zijn geheugen met

feiten, de koude, drooge, harde omtrekken, die de geschiedenis schetst.

Eduard, integendeel, hield er van de schets aan te vullen en te ronden

met het penseel eener levendige en bezielde verbeelding, welke licht en

levendige kleuren verspreidt over de handelende en sprekende personen,

die op het tooneel der vervlogene eeuwen waren opgetreden. In weerwil

van zulke tegenstrijdige neigingen, droegen ze van weerskanten veel bij

tot elkaars genoegen. Des heeren Bradwardine’s tot in de kleinste

bijzonderheden afdalende verhaaltrant en sterk geheugen boden Waverley

nieuwe voorwerpen, waarop zijn verbeelding gaarne werkte, terwijl hem

eene nieuwe mijn van gebeurtenissen en karakters geopend werd. En hij

van zijn kant betaalde het hem aldus geschonken genot met die ernstige

oplettendheid, waarop alle verhalers zulk een hoogen prijs stellen,

maar de Baron nog meer in het bijzonder, daar hij zijn eigenliefde,

gestreeld vond, of ook wel soms wederkeerige mededeelingen ontving die

hem belang inboezemden, omdat ze zijne eigene anecdoten bevestigden of

ophelderden. Bovendien sprak de heer Bradwardine gaarne over zijne

jeugd, in den oorlog in vreemde landen gesleten, en wist menige

belangwekkende bijzonderheid te vertellen van de generaals, onder wie

hij gediend en van de veldslagen die hij had bijgewoond.

De beide heeren keerden naar Tully-Veolan terug, ten hoogste over

elkander voldaan. Waverley verlangde meer nauwkeurig na te gaan, wat

hem een eigenaardig en belangrijk karakter toescheen, begaafd met een

geheugen dat een wetenswaardig register van oude en hedendaagsche

anecdoten bevatte; terwijl Bradwardine geneigd was Eduard te beschouwen

als puer (of liever juvenes) bonæ spei et magnæ indolis, een jongeling,

vrij van die dartele lichtzinnigheid, welke den omgang of den raad van

meer bejaarden vervelend vindt of veracht, en van wien hij groote

verwachtingen in de verre toekomst koesterde. – Er was geen andere gast

in huis dan de heer Rubrick, wiens kennis als geestelijke en geleerde

in al zijne gesprekken doorblonk, en zeer wèl met die van den Baron en

zijnen vriend strookte.

Kort na afloop van den maaltijd, als om te toonen dat zijne matigheid

niet geheel en al theoretisch was, stelde de Baron een bezoek op Rose’s

kamer of, zoo als hij het noemde, haar troisième étage voor. Waverley

werd dus door een paar dier lange, leelijke gangen gevoerd, waarmede de

oude bouwmeesters de bewoners der door hen ontworpen huizen in de war

poogden te brengen, en aan het einde van welke de heer Bradwardine, met

twee trappen tegelijk een zeer steilen, nauwen wenteltrap begon op te

klimmen, terwijl hij den heer Rubrick en Waverley meer op hun gemak

liet volgen, om zijne dochter hunne komst aan te kondigen.

Na dezen kurketrekker te zijn opgegaan, totdat hunne hoofden bijna

draaiden, kwamen ze in een klein, met matten belegd portaal, dat als

een voorvertrek diende voor Rose’s sanctum sanctorum, en waardoor zij

haar zitkamer binnen traden. Het was een klein, maar aangenaam vertrek,

op het zuiden, en met tapijtwerk behangen, en daarenboven versierd met

twee portretten, éen van haar moeder, in de kleeding eener herderin met

een hoepelrok; het ander van den Baron op zijn tiende jaar, in een

blauwen rok, geborduurd vest, gegaloneerden hoed en staartpruik, en met

een boog in de hand. Eduard kon niet nalaten te glimlachen om het

kostuum, en om de vreemde gelijkenis tusschen het ronde, gladde,

roodwangige, kleine gezicht op het portret, en de magere, gebaarde,

holoogige, gebronsde gelaatstrekken, die het reizen, de vermoeienissen

van den oorlog en de gevorderde jaren aan den Baron hadden medegedeeld.

Deze lachte met hem mede. „In den grond,” zeide hij, „was dit een

vrouwengril van mijne goede moeder (eene dochter van den heer van

Tulliellum, kapitein Waverley; ik wees u het huis, toen wij op den top

van den heuvel waren; het werd verbrand door de Hollandsche

hulptroepen, die het Gouvernement in 1715 ingeroepen had.) Ik werd

sedert slechts éenmaal geportretteerd, en wel op bijzonder en herhaald

verzoek van den maarschalk, hertog van Berwick.”

De brave, oude edelman maakte geene melding van hetgeen de heer Rubrick

naderhand aan Waverley vertelde, dat de Hertog hem deze eer had

aangedaan, omdat hij de eerste was geweest, die de bres van eene

sterkte in Savoije, gedurende den merkwaardigen veldtogt van 1709,

beklommen had, bij welke gelegenheid hij met zijne korte piek zich

gedurende bijna tien minuten had verdedigd, eer er voor hem eenige hulp

kwam opdagen. Om den Baron recht te doen, ofschoon wel geneigd om de

oudheid en waardigheid zijner familie te overdrijven, was hij te zeer

man van eer om ooit stil te staan bij zijn persoonlijke daden of de

verdiensten, die hij zelf bezat.

Op dit oogenblik kwam freule Rose uit het binnenvertrek, om haar vader

en zijn vrienden welkom te heeten. De werkzaamheden, waarmede zij zich

onledig had gehouden, verrieden blijkbaar een natuurlijken smaak, die

slechts beschaving vorderde. Haar vader had haar Fransch en Italiaansch

geleerd; en eenige weinige schrijvers in deze talen versierden haar

boekenkasten. Hij had insgelijks beproefd haar onderwijzer in de muziek

te zijn; maar, daar hij met de meest afgetrokken theorie der wetenschap

begon, en die misschien zelf niet meester was, was zij tot niets meer

in staat dan om haar stem met de piano te begeleiden, en dit zelfs was

in die dagen in Schotland niet zeer algemeen. Om dit gebrek te

vergoeden, zong ze met veel smaak en gevoel, maar daarenboven met een

eerbied voor den zin van hetgeen ze voordroeg, die wel ten voorbeeld

mocht gesteld worden aan dames, die vrij wat meer muziekale bekwaamheid

bezitten. Haar natuurlijk gezond verstand had haar geleerd, dat wanneer

de muziek, zoo als een groote autoriteit zich uitdrukt, „gehuwd is aan

’t onsterfelijk vers” [48], zij zeer dikwijls eene schandelijke

echtscheiding ondergaan door de schuld van hen, die ze uitvoert. Het

was misschien een gevolg van haren smaak, dat zij de schoonheden der

poëzij gevoelde, en het vermogen bezat, om de uitdrukking daarvan met

die der muzijk te vereenigen, waardoor haar zang meer genoegen

verschafte aan alle ongeoefenden in de toonkunst, en zelfs aan een

aantal kenners, dan menige veel schoonere stem en schitterender

uitvoering, doch die niet met dezelfde kieschheid van gevoel gepaard

gaat, had kunnen te weeg brengen.

Een vooruitspringende galerij vóor de ramen van haar spreekvertrek

diende om eene andere van Rose’s liefhebberijen te doen uitkomen; want

ze was bezet met bloemen van onderscheiden soort, door haar zelve

gekweekt. Een uitgebouwd torentje gaf toegang tot dit Gothische balkon,

dat een verrukkelijk uitzicht opleverde. De eigenlijke tuin, met zijn

hooge grensmuren, lag beneden, naar het scheen, tot éen enkel bloemperk

ingekrompen; terwijl het gezicht daar buiten zich uitstrekte over een

boschachtig dal, waar de rivier nu eens zichtbaar was, en dan zich

weder tusschen het kreupelhout verschool. Met genoegen rustte het oog

op de rotsen, die zich hier en daar in breede of stoute vormen boven

het dichte woud verhieven, of verwijlde gaarne bij den trotschen,

ofschoon vervallen toren, die hier in al zijn pracht zichtbaar was,

terwijl hij van een vooruitspringende rots op de rivier nederblikte.

Aan de linker hand zag men eenige boerenwoningen, die een deel van het

dorp uitmaakten; de top van een heuvel verborg de overigen. Het dal

werd begrensd door een water, Loch-Veolan genoemd, waarin zich de

stroom ontlastte, en die thans in de stralen der ondergaande zon

glinsterde. Het verder gelegen land scheen open en afwisselend, schoon

niet boschachtig, en er was niets dat het gezicht belemmerde, tot het

beperkt werd door een reeks van verre, blauwe heuvels, die de

zuidelijke grens van de vallei uitmaakten. Op deze aangename plek had

Freule Bradwardine de koffij laten brengen.

Het zien van den ouden toren, of sterkte, bracht eenige

familie-anecdoten en vertellingen uit de Schotsche riddertijden op het

tapijt, die de Baron met veel vuur verhaalde. De vooruitstekende punt

van een overhangende rots had den naam van St. Swithin’s Stoel

verkregen. Deze was het voorwerp van een bijzonder bijgeloof, waarvan

de heer Rubrick eenige wetenswaardige bijzonderheden mededeelde, die

Waverley een fragment van een ballade voor den geest riepen, door Edgar

in Koning Lear aangehaald; terwijl Rose verzocht werd een kleine

romance te zingen, waarin het door een of ander dorpspoëet was

ingekleed;

Die, onbekend als zij, waaruit hij was gesproten,

De onsterflijkheid aan andre namen schonk,

Schoon van geen lip de zijne klonk.

Haar aangename stem, en de eenvoudige schoonheid harer muziek zetten

aan dien zang al het verrukkelijke bij dat de minnezanger had kunnen

verlangen, en zijn poëzij zoo zeer behoefde. Ik zou het bijna in

twijfel trekken, of zij met geduld kan gelezen worden, nu hij van dit

voordeel beroofd is; al gis ik, dat het volgende afschrift door

Waverley eenigszins verbeterd is, om zich naar den smaak van diegenen

te schikken; die weinig hart hebben voor een zuiver antiquarisch

overblijfsel.

Waverley(#75933) · 第 30 / 156 题