Thans, lezer, weet ge uit hart en pen
Wat meening ik ben toegedaan;
’t Is noodloos dat kritiek hier schen’,
Of gij aan ’t klagen wenscht te gaan;
Hoor dus, daar ’k niets verandren kan,
’t Verhaal maar ân.
Soms was ’t aan weêrszij lang niet goed;
Men sloeg in koelen bloede dood;
Dat dêen geen liên uit aadlijk bloed,
Maar wat uit lager klassen sproot,
Wier dolk zelfs geen gewonde ontzag,
Waar hij ook lag.
Te Preston en Falkirk was pas
De nacht gezonken, toen reeds ’t zwaard
Op menige’ arme aan ’t woeden was;
De kreet steeg dan ook hemelwaart:
Bij Wilde en Turk heerscht menschelijkheid;
Ons is ze ontzeid.
Wee over zulk een moordlust, wee!
Gewonden slachten op het veld!
Wat loon brengt niet hun schanddaad meê,
Die perk en paal te buiten snelt!
Ze roepen voor hun eigen kop
Het wraakstaal op.
’k Zag wat men Hooglands schoeljes heet,
Met schelmen van het Hoogland, soep
En kool wegkapen, steeds gereed
Hun bord te smijten op de stoep;
Haan, kip, schaap, zwijn – ’t werd alles prijs
Naar roovers wijs.
Ik zag een Hooglandsch man; hij droeg
Een krans van puddings aan een staak;
Al schold hem Maggie, die hem joeg;
Hij hinnikte van puur vermaak
Gelijk een veulen, en hij vloog
Snel uit haar oog.
Als men dit alles hun verwijt,
Dan is ’t: „mijn buik is plat en leêg;
Als gij verkoopt noch geeft, is ’t tijd
Dat ik maar neem – en wel ter deeg.
Zeg George en Georges Willem [6] goed
Dat ’k eten moet.”
Soldaten zag ’k te Linton-brig; [7]
Ze plunderden een man, omdat
Hij daar bekend stond als een Whig;
Men liet hem thuis geen droog of nat.
Zijn hoed en pruik verbranden zij,
En ransel toe kreeg hij.
Het woeste in ’t Hoogland had ruim baan,
Zoodat het kleed noch voedsel liet
Aan iemand, en de roode haan
Gestoken werd in ’t dak van riet:
Wie bleef er bij zoo’n ruwheid teer?
’t Ging leer om leer.
En na dat al, o schaamte en schand!
Nog wreeder dan een moordnaarsstoet
Werd zelfs hun hoofdman aangerand,
Al plasten ze eerst in minder bloed.
Die wreedheid evenaart naar ’k gis,
De Paapsche wis.
En wat er in het openbaar
Te Carlisle plaats had op dien dag
Van woede, als menig werd gewaar,
Toen deernis vast gekluisterd lag –
’k Hield bij die toegejuichte ellend
Het hoofd gewend.
Wat al gevloek bij schaars gebed!
Al riepen enkelen ook: „hoezee!”
Men deed dien ruwen morgen met
Den Schotschen muitling als met vee,
Dat men, niet met meedoogendheid,
Ter slachtbank leidt.
Daarom, mijn medeburgers doet
Dat zelfde, ik bid u ’t, nimmermeer;
Geen zucht naar wraak, geen dorst naar bloed,
Geen vreeslijk slagveld als weleer:
Leent d’ Engelschman uw geld, en laat
Geen plaats aan haat.
Hun tartend bluffen is niets waard;
Beminnen we onzen Koning! Laat
Ons needrig zijn en zacht van aard;
Want ’k zie: de mensch ervaart steeds kwaad
Die uit een laag en ruw gemoed
Het booze doet.