Het publiek heeft aan deze vluchtige schets der oude zeden en gewoonten
van Schotland een gunstiger onthaal geschonken, dan de schrijver had
durven hopen of verwachten. Met eene mengeling van dankbaarheid en
bescheiden voldoening heeft hij vernomen dat zijn werk aan meer dan één
vermaarden schrijver is toegeschreven. Overwegingen, die hem in zijn
bijzondere positie gewichtig schenen, vergunden hem niet zijn naam op
het titelblad van dit boek te doen drukken, om een einde te maken aan
alle valsche veronderstellingen; zoo dat het, immers voor het
tegenwoordige, nog in het onzekere blijven moet, of Waverley het werk
van een dichter of een recensent, van een rechtsgeleerde of een
geestelijke is, dan wel of de schrijver, om mij van de woorden van
mevrouw Malaprop [2] te bedienen, „evenals Cerberus – drie personen te
gelijk is.” Daar er in het werk zelf niets gevonden wordt, behalve
zijne geringe waarde, dat beletten kan, dat iemand het vaderschap er
van op zich zou willen nemen, laat de schrijver het aan de eerlijkheid
van het publiek over, om uit de vele omstandigheden van het
maatschappelijk leven, er eene te kiezen, welke er hem toe geleid heeft
zijn naam ook bij deze gelegenheid te verzwijgen. Hij is wellicht een
voor het eerst optredend acteur en weinig begeerig zich een titel,
waaraan hij niet gewoon is, te laten aanleunen, of hij is misschien een
uit de mode geraakt auteur, die zich schaamt dat hij zich te vaak heeft
vertoond, en die zijne toevlucht tot deze geheimzinnigheid neemt,
zooals de heldin van het oude blijspel gewoon was zich van haar masker
te bedienen, om de aandacht van diegenen te trekken, aan wie haar
gelaat te gemeenzaam bekend was geworden. Hij kan een deftig ambt
bekleeden, waaraan de naam van romanschrijver niet dan nadeelig zou
kunnen zijn, of een man uit de groote wereld, wien men het schrijven
van wat ook als pedanterie zou kunnen aanwrijven. Of, in één woord, hij
kan te jong zijn, om den titel van schrijver aan te nemen, of zoo oud,
dat het raadzaam is daarvan af te zien.
De schrijver van Waverley heeft de opmerking omtrent zijn roman hooren
maken, dat, in het karakter van Callum Beg en in het door den Baron van
Bradwardine gegeven verhaal, met betrekking tot de kleine vergrijpen
tegen den eigendom, waarvan hij de Hooglanders beschuldigt, hij hun
nationaal karakter te hard gevallen is, en dat hij hun onrecht gedaan
heeft. Niets lag meer buiten zijn wensch en bedoelingen. Het karakter
van Callum Beg is dat van iemand, die van nature tot het kwade geneigd
is, en die door de omstandigheden tot eene bijzondere soort van
boosdoen verlokt wordt. Zij, die de belangrijke brieven over de
Hooglanden [3], omstreeks 1726 uitgegeven, gelezen hebben, zullen er
voorbeelden van zulke verfoeielijke karakters in hebben aangetroffen,
als die welke de schrijver zelf in de gelegenheid was te leeren kennen;
ofschoon het volstrekt onrechtvaardig zou zijn, dergelijke ellendige
wezens te beschouwen als de vertegenwoordigers van al de Hooglanders
uit dat tijdperk, even als de moordenaars van Marr en van Williamson
[4] geenszins de typen zijn der Engelschen van den tegenwoordigen tijd.
Wat betreft het plunderen, hetwelk voorondersteld wordt door eenige
opstandelingen in 1745 gepleegd te zijn, is het noodig te herinneren,
dat, hoewel de door dit ongelukkige leger afgelegde weg door
verwoesting noch bloed geteekend was, maar zijn geheele marsch zich
integendeel door orde en tucht kenmerkte, er evenwel geen leger wordt
gevonden, dat op den weg door een vijandelijk land zich niet aan
eenigen roof schuldig maakt; en een aantal vergrijpen, als die welke de
Baron spottenderwijs aan de Hooglandsche opstandelingen verwijt, werd
hun in die dagen werkelijk ten laste gelegd. Het bewijs vindt men in
een aantal overleveringen, en vooral in die, welke van den Ridder des
Spiegels tot ons gekomen zijn [5].