Onze lezers weten, dat de Franschen, op het einde der XVIIIe eeuw,
millioenen en millioenen uit ons vaderland haalden. Die ontzaglijke
sommen noemden zij belastingen, bevoorradingen voor het leger, gedwongen
leeningen. Wij voegen er bij: plunderingen van allerlei aard,
aftroggelarijen, diefstallen.
In het jaar 1794 mislukte de oogst. De daaropvolgende winter was
buitengewoon streng. De prijzen der levensmiddelen stegen overal, eene
algemeene ellende stond vóor de deur.
Er was meer. De goddeloosheid vermeerderde van dag tot dag; de mindere
man dompelde zich in allerhande ondeugden.
De eerlijke lieden weigerden openbare ambten te aanvaarden; de
misdrijven werden weinig of niet beteugeld.
Moet het ons dan verwonderen, dat de aanslagen tegen personen en
eigendommen gedurig toenamen; dat vele ongelukkigen in de bosschen
samenscholen, levende van roof en plundering.
In Oost-Vlaanderen noemde men die booswichten Binders of Branders.
DE RANTERE teekende aan, dat de omstreken van Oudenaarde op het einde
van 1795 zeer onveilig gemaakt werden door eene bende «roovers en
vagabonden.» Zulke benden, zegt hij, waren in het land zeer
vermenigvuldigd, dank aan «de slappe politie.»
De roovers gebruikten eenen langen boom, waarmede zij de deuren der
hoeven inliepen. De menschen, die zij te bedde vonden, namen zij vast,
hen bindende aan armen en beenen. Dan legden zij hen vóor een blakend
vuur, stekende eene brandende kaars aan hunne voeten, ten einde te
vernemen waar hunne gespaarde penningen verborgen waren.
Van zulke misdaden hoorde men schier dagelijks spreken, doch het was
voornamelijk in den omtrek van Beveren, dat de roovers den boer schrik
aanjoegen. Zoodanig, spot de schrijver, waren «de goede zeden reeds
verbasterd door de goede regeering der Franschen.»
De kapitein der Binders was N. de Witte, van Beveren. Geholpen door
eenige gezellen, vermoordde hij den 2 Mei 1796, bij de herberg _la Belle
Hôtesse_, eenen landbouwer van Mater: J.-B. de Gezelle.
Twee maanden nadien werd de schurk gevangen genomen door Frans Goeminne
en eenige andere boeren. Hij was de tweede van heel het departement, die
te Gent onthalsd werd.
In de eerste dagen van Maart 1797 bracht men te Oudenaarde nogmaals vijf
Branders in. Deze waren van Ronse. De Rantere noemt er twee: J.-B. de
Miel, kapitein, en N. Lefebure. Als bewijsstuk had men eenen boom mede,
die twaalf voet lang was.
Al die schavuiten legden naderhand, voor hunne gepleegde gruweldaden,
het hoofd onder het mes van den beul.
* * * * *
Een goed jaar nadien borst de Boerenkrijg in onze gewesten uit.
In dien tijd leefde de reeds genoemde B. de Rantere. Deze verhaalt, dat
de gendarmen van Ronse den 25 October 1798 naar Oudenaarde kwamen. Uit
hunnen mond vernam men, dat de opstand aldaar werkelijk uitgeborsten
was.
's Namiddags hoorde men inderdaad op verscheidene dorpen de klok kleppen
om het volk bijeen te roepen.
Tegen den avond kreeg men de tijding, dat de Boeren reeds te Leupegem
waren. De bezetting der stad vluchtte naar Gent. En de Jongens kwamen
binnen, onder het geleide van Masculier, bakker te Ronse, en van de
Walle, hoedenmaker.
In den avond van den volgenden dag traden nogmaals eenige opstandelingen
de stad in.
Middelerwijl naderde een republikeinsch legertje, afgezonden uit Gent.
Het kostte de Franschen maar weinig moeite om in Oudenaarde te geraken.
De eerste burger, op wien zij hunne wraak koelden, was J. Ryckbos, een
arme werkman, die boter was gaan halen voor zijne vrouw en kinderen.
Ryckbos was van Beveren en viel aan de Gentsche poort.
Voortstormende, doodden de woestaards Karel Martens recht tegenover de
deur van zijn huis. Bij den trap van het stadhuis vermoordden zij Jan de
Block en Frans de Contreras.
Eenige soldaten drongen in het huis _de Appel_, op de Markt, en brachten
daar zeven personen om, onder anderen Michiel Gevel en twee vreemde
kooplieden. De beulen ontkleedden de lijken, en wierpen ze naakt door
de bovenvensters op de straat.
Van daar liepen zij over den Burg door de Broodstraat naar Pamel, alwaar
zij een jong meisje nedervelden: Sophia van den Hende, die haren broeder
was gaan zoeken.
Een boer, die hen in de Broodstraat ontmoette, stortte almede levenloos
ten gronde.
In de Kasteelstraat troffen de republikeinen H. Gyselinck, oud 21 jaren.
Komende in de abdij van Maagdendale, doodden zij al de Ronsenaren, die
daar eene schuilplaats hadden gezocht. Verder, in de Hoogstraat,
kwetsten zij J. de Langhe, van Ooike. De martelaar sukkelde voort tot in
de Kattestraat, waar men hem den genadeslag toebracht.
Bij de Baarpoort trof een kogel G. de Vos, herbergier in _de Kroon_, te
Leupegem. De Vos was zeer oud en hoorde bijna niet meer.
De registers van den burgerlijken stand der stad Oudenaarde bewaarheden
het grootste gedeelte van de Rantere's verhaal.