Naar Gaver.
Benoorden Oudenaarde kronkelt de Schelde voorbij Eename, Eine en Heurne;
dan richt zij zich oostwaarts naar Welden, Hermelgem, Meilegem en
Dikkelvenne, en vloeit vervolgens weer het Noorden in, wijkende voor den
heuvel van Gaver.
Eine is eene schoone, nijverige gemeente, met ongeveer 3,000 inwoners.
Men vindt er sedert eenige jaren eene spinnerij en eene weverij, die
ieder tweehonderd werklieden bezig houden.
Boven de deur eener herberg leest men deze eigenaardige rijmen:
Komt in den Belg
En neemt een zwelg,
Want 't beste nat
Is nog in 't vat.
De dorpskerk bestaat uit oude en nieuwere deelen. Groote herstellingen
werden gedaan in 1601 en 1623.
Als eene plaatselijke eigenaardigheid noemen wij «den koddigen fittel,»
op den laatsten dag der jaarlijksche kermis. Alle gebeurtenissen, die
gedurende de verloopen maanden de aandacht des volks boeiden, worden
door de jonge lieden zinnebeeldig voorgesteld. Met het vallen van den
avond trekt de stoet zingend en spelend door de voornaamste straten der
gemeente, hier en daar stilhoudende om de toegestroomde menigte door
allerlei bokkesprongen te verlustigen.
Vrienden, wij zijn al verblijd,
Nu met den kermistijd;
Wij hebben ons best gedaan,
En de fittel blijft bestaan.
Eine vormde in vroegere eeuwen, met het omliggende, de onafhankelijke
heerlijkheid van de graven de Landas. Hunne burcht stond tusschen de
kerk en de Schelde, op «de Motte.»
Het kapittel van Sint-Elooi, te Eine, bezat onder andere «eene seer oude
fondatie, wesende van het jaer 1185, ghemaect by Gerardus de Landas.»
Arnold de Landas vergezelde den graaf van Vlaanderen ter eerste
kruisvaart. Toen hij wederkeerde, haalden de ruiters van Eine en de
naburige dorpen hem zegevierend in. De held had een stuk van het
waarachtig Kruis des Zaligmakers mede. Van dit stuk maakte men nadien
een kruisje, dat men nog in de dorpskerk bewaart.
Alle jaren, op Sint-Pietersdag, herdenkt men dezen tocht door eene
ruitersprocessie. Na den ommegang zegent men de ruiters en de paarden,
vóor de kerkdeur, met het gebeente van Sint Elooi.
Eene dergelijke plechtigheid bestaat ook te Asper, ten Noorden van Eine,
maar op den feestdag van Sint-Marten in het begin van Juli. De weg, dien
men hier volgt, loopt naar al de uiteinden der gemeente, langs straten
en wegels.
De voetgangers komen vóor het krieken van den dag, om drie ure 's
morgens, aan de kerk bijeen. Nu eens biddende, dan weer zingende, gaan
zij voort. Aan ieder kapelleken, dat zij ontmoeten, toeven zij eenige
stonden. Rond zes ure is de menigte weer aan de kerk.
De ruiters vertrekken om vijf ure en volgen denzelfden weg, doch houden
nergens stil, tenzij aan de kapel van Sint-Marten.
Den volgenden Zondag wordt de ommegang vernieuwd, doch alleen rondom het
kerkhof. Al de inwoners van Asper, die kunnen, en honderden
vreemdelingen, zijn in de hoogmis tegenwoordig. De processie met het
Allerheiligste is schoon, treffend. Eene zee van volk overdekt het
kerkhof, eerbiedig biddende; honderden ruiters volgen op stap, doch
blijven buiten den muur, die den doodenakker omringt.
Zoodra dan de processie binnen is, verschijnen de ruiters der gemeente
met hun vaandel op het kerkhof. Driemaal doen zij den ommegang, eerst op
stap, daarna op den draf en eindelijk in de vlucht.
Het teeken is gegeven en beurtelings rijden de boeren van Nazareth,
Eeke, Heurne, Mulhem, Zingem, Eine en andere plaatsen den ommegang. De
klok luidt, de beiaard speelt, het volk juicht en -- Sint-Martenskermis
is volop aan den gang.
Asper heeft 1,860 inwoners.
Tusschen Heurne en Asper beschrijft de Schelde eene bocht. Daar ligt
Zingem, in eene vruchtbare vlakte. Het dorp telt 2,400 zielen.
Na de godsdienstige woelingen der XVIe eeuw was de kerk van Zingem heel
bouwvallig. De toren stortte neder in 1580. «Dit was de ruine van den
tempel, want het koor viel ook in.»
De herstelling begon in 1593. Het metselwerk van den toren was in 1613
geheel opgemaakt. In 1635 zette men op den toren «eene spits van 100
voeten, met vier kleyne torentjes, elk 20 voeten hoog.» HENDRIK VAN
HAEREN, pastoor der parochie van 1696 tot 1712, stelde een verslag over
al die werken op. Zijn handschrift is in het archief der kerk.
Onlangs teisterde een brand het sierlijke bedehuis.
Bewesten Zingem daagt Huise, de geboorteplaats van den toondichter
GEVAERT.
Gaver, de geboorteplaats van den geleerden AMAND BAUWENS, is eene
gemeente van nagenoeg 1,700 zielen.
Daar beginnen de eerste heuvelen, die langs Balegem naar het land van
Aalst loopen.
Gaver is het meest gekend door den veldslag, dien Philip de Goede in
1453 op de Gentenaren won. Men weet, wat er gebeurde.
Gent en Brugge -- merkt David aan -- even bloeiend door nijverheid en
koophandel, maar ook even brooddronken in den voorspoed, hadden, sedert
ruim eene eeuw, aan den landheer zelden of nooit meer volkomen
gehoorzaamd. Beide steden hadden, nu eens met reden, dan weer uit
enkelen wrevel, de graven gedwarsboomd, en ja de wapens tegen hen
opgevat, om wettiglijk verworven of aangematigde rechten en vrijheden
voor te staan.
Zoo ging het weer omtrent het midden der XVe eeuw.
Door de langdurige oorlogen, welke Philip de Goede had moeten voeren,
stak deze in groote schulden. Daarom vroeg hij eene tijdelijke belasting
van twee stuivers grooten «up elc hoet zouts.»
De Gentenaars weigerden, en de hertog verliet de stad met het vast
besluit van er geenen voet meer in te zetten, vooraleer zij zich zou
hebben onderworpen aan dien eisch.
Nu volgde de eene moeilijkheid op de andere. In den zomer van 1453 riep
de Burgondiër uit al zijne landen nieuwe manschap op. Hij trok van
Rijsel naar Kortrijk, toog Oost-Vlaanderen in, veroverde het kasteel van
Schendelbeke, benoorden Geeraardsbergen, maakte zich meester van het
slot van Poeke, nabij Nevele, en kwam den 15 Juli voor Gaver.
Het stormde in Gent. Roeland zond zijne zware stem over de stad; jong en
oud vloog in de wapens. Volgens LA MARCHE -- een gelijktijdige schrijver
-- trokken twee heiren de poorten uit; het eene, 25,000 man sterk, ging
langs Merelbeke en Vurste; het andere, dat ongeveer 20,000 man telde,
toog oostwaarts over Lembeke.
Den standaard der gemeente rechtte men op het veld van Semmerzake,
benoorden Gavere. De opstandelingen gehoorzaamden aan Jacob Meeussone en
Diederik van Scaubrouck.
Men vocht den 23 Juli. De Gentenaars verweerden zich als ware helden.
Zij wondden den jongen Karel en meenden zelfs zijnen vader, den hertog,
in het gras te doen bijten, toen de krijgskans keerde. Nagenoeg 20,000
Vlamingen bleven dood, versmoord in de Schelde, vertrappeld onder de
paarden, of neergeveld door de wapenen.
Nu nog draagt een deel van het bloedige slagveld den naam van «Roode
Zee.»
* * * * *
Voor de liefhebbers onzer folklore zij hier aangestipt, dat zij langs de
Schelde eenen rijken oogst kunnen opdoen.
Te Asper vertelt men van Sneeuwwitje, het beminnelijk kind, en den
koning van Oosterbant; te Zingem zingt men nog altoos het oude _liedje
van de week_:
De Zondag, de Zondag,
Dat is de dag des Heeren;
Dan doen wij onze schoenen aan,
En onze beste kleeren.
Ziehier een raadseltje, dat wij in dezelfde gemeenten hoorden stellen:
Asper en Zingem,
En het kerksken van Mullem,
In hoeveel staven spelt gij -- dat?