Naar Leupegem en Edelare.
Leupegem en Edelare zijn twee kleine, maar vriendelijke gemeenten in de
nabijheid van Oudenaarde.
Leupegem heeft 1050, Edelare ongeveer 400 inwoners. Te Leupegem
aanschouwde de rederijker J.-B. DE BACKER het levenslicht (1783).
Den steenweg naar Geeraardsbergen volgende, beklimt men den
Edelare-berg, die ruim 80 meters hoog is. De helling is nog al steil.
Ook zal de wandelaar wel eens poozen, en dan eenen blik werpen op de
stad en de vallei der Schelde.
Oudenaarde, met zijne torens, daken en schouwen, ligt daar vóor hem, in
de diepte, te midden van uitgestrekte, zachtgroene beemden, waar koeien
grazen en kinderen spelen. Tusschen Melden en Elzegem kronkelt de
Schelde, tintelend in den glans der zomerzon. Aan den anderen kant
onderscheidt men het oude Eename, het nijverige Eine, Heurne met zijnen
witten kerktoren, en verder de hoogten van Gaver en het Belfort van
Gent.
Tusschen Edelare en Oudenaarde zijn de bronnen, die de stad voorzien van
goed drinkbaar water.
Edelare heeft een Gothisch kerkje, dat goed hersteld is. Het staat op
het hoogste des bergs. Eenige minuten verder rijst de vermaarde kapel
van O.-L.-Vrouw van Kerselaar, te midden van eenige eenvoudige huisjes.
Langs den weg ontmoet men de veertien tafereelen van het lijden des
Zaligmakers. Men waant, dat de koornaren daar weemoediger ruischen dan
elders; dat de leeuwerik daar stiller zingt, dan hij pleegt. O die
godsdienstige poëzij in Vlaanderens heerlijke velden!...
Edelare was voorheen eene wijk van Volkegem. Een pastoor dier plaats,
Rogier van Brakel, bezat een houten beeldje van de Moeder Gods. Toen de
brave man zijn einde voelde naderen, schonk hij het beeld aan zijne
bloedverwante Katharina van Brakel. Deze bracht het, in de maand October
1452, naar Edelare, en hechtte het aan eenen kerseboom.
Korten tijd nadien bouwde men eene kleine kapel. Den 5 Juli 1459
verslonden de vlammen dit heiligdom.
Dank aan de milddadigheid van den toenmaligen heer van Oudenaarde,
Odoward Blondeel de Joigny, legde men reeds den 21 Juli daaropvolgende
den eersten steen van eene grootere en schoonere bedeplaats. De bisschop
van Kamerijk wijdde ze den 3 Mei 1460, op den feestdag der Kruisvinding.
Na de beeldstormerij deed Jacob de Joigny de kapel herstellen en
vergrooten. De Jacobijnen verkochten ze, in 1798, aan zekeren Thomas
Lepape. Drie jaren nadien nam M. Martroye, van Oudenaarde, het gebouw in
bezit. Hij verkocht het op zijne beurt, in 1831, en den 30 April 1833
stelde de bisschop van Gent de hedendaagsche bestuurwijze vast.
Vóor de Fransche omwenteling bezat de kapel van Kerselaar eenige vaste
goederen, alsook kostbare juweelen en altaargewaden.
Aan het gewelf hangt, sedert 1860, een houten krokodil, gesneden door
VAN BIESBROUCK. Men verhaalt, dat Joost de Joigny, heer van Pamele, in
1555 op zijnen tocht langs den Nijl door eenen krokodil werd bedreigd.
De ridder beloofde, bij zijne terugkomst in het vaderland, het monster
in de kapel van Kerselaar dankbaar op te hangen, indien hij het gevaar
mocht ontkomen. Hij ontsnapte inderdaad aan den dood, en bracht zijne
belofte onverwijld ten uitvoer.
De Franschen zonden het geraamte naar de natuurkundige verzameling eener
Gentsche school.
Meer dan eens kwamen 's lands vorsten vóor het altaar der Moeder Goris
nederknielen: Maria van Burgondië in 1480, Maximiliaan van Oostenrijk in
1513, Karel V in 1521, Philip II in 1557, Izabella in 1625.
De wijding der kapel wordt jaarlijks gevierd op den eersten Zondag na
Kruisvinding, in de bloeiende Meimaand.
De bedevaarders van het Westen, die met het krieken van den dag te
Oudenaarde toekomen, bidden onderwege luidop den Rozenkrans, en keeren
later met kransen en vaantjes terug. De kinderen koopen «lekkie.»
Den 2 Mei 1711 keurde het vicariaat van Doornik de plaatsing goed van
een beeldje van O.-L.-Vrouw van Kerselaar, op het altaar der H.
Drievuldigheid, in de kapittelkerk van Kortrijk. Tevens stichtte men
eene broederschap, wier leden alle jaren, op den Zaterdag der novene, te
Edelare plechtig werden ingehaald.
De huidige kapel van Kerselaar is tamelijk groot, en heeft een slank
torentje. Zij bezit twee altaren. Maria heeft haar Kindeken op den
rechterarm. Verder leest men dit jaarschrift:
UW GEKROOND WONDERBEELD BLIJVE ALLER
TOEVLUCHT.
Wij kennen eene oude plaat van DU TIELT, voorstellende den heuvel van
Kerselaar, met den boom, de kapel en het lachende landschap rond
Oudenaarde. Op eene wapperende banier prijkt een vers uit het Hooglied:
«Hare vrucht is zoet; dus Maria groet!»
* * * * *
Niet verre van Kerselaar, tusschen Oudenaarde en Volkegem, op de helling
van den berg, ligt eene wijd gekende herberg: _Tivoli_. Onder de linden,
vóor het huis, kan men een half uurtje rusten en... genieten. In den
zomer wordt de Tivoli door de bevolking van Oudenaarde druk bezocht.
Achter de heuvelen van Volkegem schuilen Mater en Ste-Maria-Hoorebeke.
Het schijnt, dat deze dorpen in de XVIe eeuw bewoond werden «door
scaemele lieden, legghewerckers en tapijtwevers.» De meesters bewoonden
Oudenaarde.
Al die handwerkers, «dagelijcx ommegaende met Fransche en Duitsche
kooplieden in wolle, wierden door hen allengskens besmet met de leering
van Luther en Calvin.» De dorpen, gelegen op den anderen oever der
Schelde, «bleven van de nieuwe leering bevrijd, als weinig uitstaans
hebbende met vreemdelingen.»
De menschen «der voornoemde parochiën, meest de leer van Calvin
toegenegen,» waren de eerste, «die ten jare 1566 de beelden braken, zoo
binnen als buiten de stede.»
Gedurende het daaropvolgende bestuur van den hertog van Alva moesten
velen het land verlaten. Zij vertrokken «met vrouwen en kinderen naar
Duitschland, Engeland en Frankrijk.» Doch na de Bevrediging van Gent, in
1577, keerden zij naar hunne haardsteden terug.
Later vestigden zich de meesten te Maria-Hoorebeke. De tempel, «waer zij
hunnen godsdienst uitoefenden, lag op het gehucht Grysbeke.»
Ste-Maria-Hoorebeke is inderdaad, te midden van het katholieke
Vlaanderen, eene protestantsche gemeente gebleven. Het handschrift,
waaraan wij deze bijzonderheden ontleenen, voegt er bij, dat «die
gereformeerden zich zeer gerustelijck houden.»
Elzegem, tusschen de Schelde en de grens van West-Vlaanderen gelegen,
heeft een fraai kasteel.
Te Elzegem stichtte Bernaard van Bracle, in 1416, eene priorij. Langen
tijd hielden de kloosterlingen zich bezig met het schrijven en binden
van boeken. Wij weten althans, dat het bestuur van Sint-Martenskerk, te
Kortrijk, in 1462 aldaar «twee vulle zouters met vigeliën» bestelde,
alsmede «eenen hantifenere.» Ten jare 1466 maakte men van dit laatste
boek een nieuw afschrift.
Etikhove, met 2,500 inwoners, ligt oostwaarts, op de Markebeek. Daar
vond men in 1869 eene zekere hoeveelheid gouden geldstukken,
dagteekenende van 1469 tot 1598, met de beeltenissen van Ferdinand V,
Karel V, Frans I, Sebastiaan I en Philip II. De schat, eene waarde
hebbende van ongeveer 500 fr., werd opgedolven in eene weide van L.
Blommaert, op het gehucht Grootendriesch.