XIV.

Naar Leupegem en Edelare.

Leupegem en Edelare zijn twee kleine, maar vriendelijke gemeenten in de

nabijheid van Oudenaarde.

Leupegem heeft 1050, Edelare ongeveer 400 inwoners. Te Leupegem

aanschouwde de rederijker J.-B. DE BACKER het levenslicht (1783).

Den steenweg naar Geeraardsbergen volgende, beklimt men den

Edelare-berg, die ruim 80 meters hoog is. De helling is nog al steil.

Ook zal de wandelaar wel eens poozen, en dan eenen blik werpen op de

stad en de vallei der Schelde.

Oudenaarde, met zijne torens, daken en schouwen, ligt daar vóor hem, in

de diepte, te midden van uitgestrekte, zachtgroene beemden, waar koeien

grazen en kinderen spelen. Tusschen Melden en Elzegem kronkelt de

Schelde, tintelend in den glans der zomerzon. Aan den anderen kant

onderscheidt men het oude Eename, het nijverige Eine, Heurne met zijnen

witten kerktoren, en verder de hoogten van Gaver en het Belfort van

Gent.

Tusschen Edelare en Oudenaarde zijn de bronnen, die de stad voorzien van

goed drinkbaar water.

Edelare heeft een Gothisch kerkje, dat goed hersteld is. Het staat op

het hoogste des bergs. Eenige minuten verder rijst de vermaarde kapel

van O.-L.-Vrouw van Kerselaar, te midden van eenige eenvoudige huisjes.

Langs den weg ontmoet men de veertien tafereelen van het lijden des

Zaligmakers. Men waant, dat de koornaren daar weemoediger ruischen dan

elders; dat de leeuwerik daar stiller zingt, dan hij pleegt. O die

godsdienstige poëzij in Vlaanderens heerlijke velden!...

Edelare was voorheen eene wijk van Volkegem. Een pastoor dier plaats,

Rogier van Brakel, bezat een houten beeldje van de Moeder Gods. Toen de

brave man zijn einde voelde naderen, schonk hij het beeld aan zijne

bloedverwante Katharina van Brakel. Deze bracht het, in de maand October

1452, naar Edelare, en hechtte het aan eenen kerseboom.

Korten tijd nadien bouwde men eene kleine kapel. Den 5 Juli 1459

verslonden de vlammen dit heiligdom.

Dank aan de milddadigheid van den toenmaligen heer van Oudenaarde,

Odoward Blondeel de Joigny, legde men reeds den 21 Juli daaropvolgende

den eersten steen van eene grootere en schoonere bedeplaats. De bisschop

van Kamerijk wijdde ze den 3 Mei 1460, op den feestdag der Kruisvinding.

Na de beeldstormerij deed Jacob de Joigny de kapel herstellen en

vergrooten. De Jacobijnen verkochten ze, in 1798, aan zekeren Thomas

Lepape. Drie jaren nadien nam M. Martroye, van Oudenaarde, het gebouw in

bezit. Hij verkocht het op zijne beurt, in 1831, en den 30 April 1833

stelde de bisschop van Gent de hedendaagsche bestuurwijze vast.

Vóor de Fransche omwenteling bezat de kapel van Kerselaar eenige vaste

goederen, alsook kostbare juweelen en altaargewaden.

Aan het gewelf hangt, sedert 1860, een houten krokodil, gesneden door

VAN BIESBROUCK. Men verhaalt, dat Joost de Joigny, heer van Pamele, in

1555 op zijnen tocht langs den Nijl door eenen krokodil werd bedreigd.

De ridder beloofde, bij zijne terugkomst in het vaderland, het monster

in de kapel van Kerselaar dankbaar op te hangen, indien hij het gevaar

mocht ontkomen. Hij ontsnapte inderdaad aan den dood, en bracht zijne

belofte onverwijld ten uitvoer.

De Franschen zonden het geraamte naar de natuurkundige verzameling eener

Gentsche school.

Meer dan eens kwamen 's lands vorsten vóor het altaar der Moeder Goris

nederknielen: Maria van Burgondië in 1480, Maximiliaan van Oostenrijk in

1513, Karel V in 1521, Philip II in 1557, Izabella in 1625.

De wijding der kapel wordt jaarlijks gevierd op den eersten Zondag na

Kruisvinding, in de bloeiende Meimaand.

De bedevaarders van het Westen, die met het krieken van den dag te

Oudenaarde toekomen, bidden onderwege luidop den Rozenkrans, en keeren

later met kransen en vaantjes terug. De kinderen koopen «lekkie.»

Den 2 Mei 1711 keurde het vicariaat van Doornik de plaatsing goed van

een beeldje van O.-L.-Vrouw van Kerselaar, op het altaar der H.

Drievuldigheid, in de kapittelkerk van Kortrijk. Tevens stichtte men

eene broederschap, wier leden alle jaren, op den Zaterdag der novene, te

Edelare plechtig werden ingehaald.

De huidige kapel van Kerselaar is tamelijk groot, en heeft een slank

torentje. Zij bezit twee altaren. Maria heeft haar Kindeken op den

rechterarm. Verder leest men dit jaarschrift:

UW GEKROOND WONDERBEELD BLIJVE ALLER

TOEVLUCHT.

Wij kennen eene oude plaat van DU TIELT, voorstellende den heuvel van

Kerselaar, met den boom, de kapel en het lachende landschap rond

Oudenaarde. Op eene wapperende banier prijkt een vers uit het Hooglied:

«Hare vrucht is zoet; dus Maria groet!»

* * * * *

Niet verre van Kerselaar, tusschen Oudenaarde en Volkegem, op de helling

van den berg, ligt eene wijd gekende herberg: _Tivoli_. Onder de linden,

vóor het huis, kan men een half uurtje rusten en... genieten. In den

zomer wordt de Tivoli door de bevolking van Oudenaarde druk bezocht.

Achter de heuvelen van Volkegem schuilen Mater en Ste-Maria-Hoorebeke.

Het schijnt, dat deze dorpen in de XVIe eeuw bewoond werden «door

scaemele lieden, legghewerckers en tapijtwevers.» De meesters bewoonden

Oudenaarde.

Al die handwerkers, «dagelijcx ommegaende met Fransche en Duitsche

kooplieden in wolle, wierden door hen allengskens besmet met de leering

van Luther en Calvin.» De dorpen, gelegen op den anderen oever der

Schelde, «bleven van de nieuwe leering bevrijd, als weinig uitstaans

hebbende met vreemdelingen.»

De menschen «der voornoemde parochiën, meest de leer van Calvin

toegenegen,» waren de eerste, «die ten jare 1566 de beelden braken, zoo

binnen als buiten de stede.»

Gedurende het daaropvolgende bestuur van den hertog van Alva moesten

velen het land verlaten. Zij vertrokken «met vrouwen en kinderen naar

Duitschland, Engeland en Frankrijk.» Doch na de Bevrediging van Gent, in

1577, keerden zij naar hunne haardsteden terug.

Later vestigden zich de meesten te Maria-Hoorebeke. De tempel, «waer zij

hunnen godsdienst uitoefenden, lag op het gehucht Grysbeke.»

Ste-Maria-Hoorebeke is inderdaad, te midden van het katholieke

Vlaanderen, eene protestantsche gemeente gebleven. Het handschrift,

waaraan wij deze bijzonderheden ontleenen, voegt er bij, dat «die

gereformeerden zich zeer gerustelijck houden.»

Elzegem, tusschen de Schelde en de grens van West-Vlaanderen gelegen,

heeft een fraai kasteel.

Te Elzegem stichtte Bernaard van Bracle, in 1416, eene priorij. Langen

tijd hielden de kloosterlingen zich bezig met het schrijven en binden

van boeken. Wij weten althans, dat het bestuur van Sint-Martenskerk, te

Kortrijk, in 1462 aldaar «twee vulle zouters met vigeliën» bestelde,

alsmede «eenen hantifenere.» Ten jare 1466 maakte men van dit laatste

boek een nieuw afschrift.

Etikhove, met 2,500 inwoners, ligt oostwaarts, op de Markebeek. Daar

vond men in 1869 eene zekere hoeveelheid gouden geldstukken,

dagteekenende van 1469 tot 1598, met de beeltenissen van Ferdinand V,

Karel V, Frans I, Sebastiaan I en Philip II. De schat, eene waarde

hebbende van ongeveer 500 fr., werd opgedolven in eene weide van L.

Blommaert, op het gehucht Grootendriesch.

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 22 / 47 题