XI.

Naar het Kapelbosch.

De heer VITAL MOREELS-VERHAEGHE, de groote en verlichte weldoener van

Tiegem, vergezelde ons in den namiddag naar het Kapelbosch, op de

zuidelijke helling der hoogvlakte.

Het Kapelbosch is hedendaags zeven hectaren groot en heeft eene waarde

van 150,000 fr.

Alwat de oogen kan streelen, alwat den bezoeker tot vrome gedachten kan

stemmen, vindt men daar vereenigd. De natuur en de kunst wrochten

zusterlijk samen om een der prachtigste panorama's van heel ons land

vóor het oog der reizigers te ontvouwen.

Op den Pottelsberg, op den Muziekberg staat men veel hooger, te midden

van eene wilde natuur; te Tiegem is het rondzicht groot, het tafereel

vol kleur en beweging, vol leven.

In het bosch vindt men lommerrijke wandeldreven, rotsen en onderaardsche

gangen, vijvers en brugjes, glooiingen met weelderig gras en bloemen,

aquariums met kleine, blinkende vischjes. Twee villa's verheffen hunne

torens boven het geboomte.

Midden in het bosch staat eene nieuwe kapel, toegewijd aan den H.

Arnoldus (1865). Zij is achthoekig en lief geschilderd. Door zeven

venstertjes speelt het daglicht in het heiligdom.

Uit de kapel komende, heeft men rechts de grot van S. Arnold. Hooger, te

midden van struiken en boomen, schuilt een groot kruisbeeld; lager

spruit dag en nacht de Arnoldusbron, eenen vijver spijzende, waarop

eenige zwanen gaggelend rondzwemmen.

Uit dien vijver vloeit de Arnoldusbeek, die naar Avelgem loopt en

vroeger den wal van het kasteel vulde.

Alles wekt den wandelaar tot ingetogenheid op: het tintelen der zon door

de bladeren, het kweelen der vogelen in de heesters, het ruischen van

het loover, het murmelen der bron, het fluisteren der bedevaarders. O

ja, dus zong de dichter TOLLENS, ik reik hem broederlijk de hand,

Die mijmren kan in de eenzaamheid van 't woud,

En droomend doolt, en de aarde kan vergeten,

En, peinzende op een tronk gezeten,

Somtijds de handen vouwt.

Wie liever eene verversching heeft, ga naar de «Laiterie,» niet verre

van de kapel. Onder een verheven afdak is het waarlijk schoon en frisch.

Men zou zeggen, dat de zon het bedehuisje met welgevallen beschijnt; dat

de wind eerbiedig liederen neurt in de kruinen der boomen.

Op het hoogste van den berg, buiten het bosch, staat een houten

kijktoren of «belvedere.» Voor vijftien centiemen mag men er op klimmen.

Daar is het schoon bij helder weder; daar kan men, met eenen goeden

verrekijker, zijne oogen naar hartelust verzadigen.

In het Zuiden beperken de heuvelen van Oost-Vlaanderen met den Kluisberg

en de hoogte van Gijzelbrechtegem wel een weinig het gezicht; doch langs

de drie andere zijden ziet men uren en uren verre.

De Schelde, tintelend in den gloed der namiddagzon, vloeit van het

Zuid-Westen naar het Noord-Oosten, kronkelend door zonken en meerschen.

In het Noorden dagen: Kanegem, Aarsele, Dentergem, Sint-Eloois-Vijve,

Tielt, Oost-Roosbeke, Wakken, Sint-Baafs-Vijve, Waregem, Grammene,

Ansegem, Kruishoutem en Nokere;

In het Oosten: Huise, Heurne, Wannegem, Eine, Ooike, Mooregem, Wortegem,

Gijzelbrechtegem, Kaster, Welden, Eename, Mater, Bevere, Edelare,

Oudenaarde, Petegem, Etikhove, Melden, Leupegem, Elzegem, Kerkhove,

Schoorisse, Nukerke, Zulzike, Berchem, Quaremont en Waarmaarde;

In het Westen: Evregnies, Dottignies, Kooigem, Sint-Denijs, Bellegem,

Moen, Heestert, Luingne, Lauwe, Aalbeke, Rollegem, Wevelgem, Bissegem,

Kortrijk, Zwevegem, Ingooigem, Ootegem, Roeselare, Rumbeke, Kachtem,

Izegem, Ingelmunster, Sint-Eloois-Winkel, Lendelede, Hulste, Ooigem,

Kuurne, Harelbeke, Beveren, Deerlijk en Vichte.

Zelfs in het Zuiden ontdekt men eenige torens, uitstekende boven de

heuvelen: die van Ruien, Schalafie, Orroir, Celles, Herne en St-Léger.

Avelgem, Autrijve, Bosuit, Pottes, Helkijn, Spiere en Warcoing schuilen

in de vallei der Schelde.

In het geheel een goed tachtigtal steden en dorpen! Tusschen Roeselare,

in het Noord-Westen, en Schoorisse, in het Oosten, is er een afstand van

ongeveer zeven mijlen. Kanegem, in het Noorden, en Herne, in het

Zuid-Westen, zijn vijf mijlen van elkander verwijderd.

En schoon, betooverend schoon ligt dat groote landschap voor den

aanschouwer. Overal gewitte huizen met roode daken; overal rookende

schouwen en draaiende molens; overal weiden en velden; overal hagen en

boomen; overal zwoegende werklieden; overal licht en schaduwe...

Och neen, wij moeten Spanje en Zwitserland niet bezoeken om schoone

natuurtafereelen te vinden; de Vlaamsche Ardennen zijn rijk aan

schilderachtige hoekjes, aan heerlijke vergezichten.

Den berg afdalende, toefden wij nog eenige oogenblikken aan de kapel.

Eene plechtige stilte, eene kalme avondrust zweefde over het woud. De

bron murmelde rusteloos voort, maar de vogelen hadden reeds hun

slaapliedje gezongen en scholen nu onder de bladeren der boomen.

Ongaarne verlieten wij het dichterlijk oord.

Onderwege vertelde ons de vriendelijke heer Moreels, dat de berg in 1852

nog onbebouwd was; dat de kapel haar ontstaan te danken heeft aan MGR

MALOU, bisschop van Brugge; dat de jaarlijksche novene, ter eere van den

H. Arnoldus, den 16 Augustus begint; dat er 's Zondags eene schoone

processie uit de parochiale kerk vertrekt, en dat het gemiddeld getal

der bezoekers ieder jaar tot 40,000 stijgt.

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 19 / 47 题