IX.

Naar Zwevegem, Moen en Heestert.

Het was een heete Julidag. De zon glinsterde aan den helderen hemel en

wierp heure stralen over de rijpende graanvelden.

In eenige minuten stoomden wij naar Zwevegem, eene gemeente van 4,900

inwoners.

Tijdens de godsdienstige beroerten verscheen de heer van Zwevegem, Frans

van Halewijn, nog al dikwijls op het staatkundig tooneel van Nederland.

Als diplomaat ondernam hij verscheidene reizen; als gouverneur van

Mechelen en Oudenaarde schreef hij brieven aan Margareta van Parma, aan

Granvelle, aan Alva, aan den hertog van Aarschot. De notabelen van

Zwevegem noemden hem in 1573 hunnen «seer beminden en specialen vriend.»

Als men, Zwevegem verlatende, de vaart van Bosuit volgt, komt men door

eene lieve vallei. Links daagt het Banhout; zuidwaarts rijzen de

heuvelen van Knokke met hun donkergroen geboomte.

Het Banhout maakte in vroegere eeuwen deel van het Ronsevalsche of de

heerlijkheid van Nevele. Het was «eene vrije foreest,» zeventig bunder

groot. Niemand kon door het bosch gaan, want het was «besloten met

diversche barrieren en rontom met eenen gracht van tien, twaelf voeten

breet.» Gansch het woud was «verdeeld in negen hauwen, waervan ieder

jaer eenen hauw werd vercocht.»

Het stuk, dat wij hier volgen, spreekt van «vyf, zes duysent opgaende

eekeboomen, waervan den meerderen deel omtrent de veertig jaren oud

conden zyn.» In het midden van het bosch « wasser eene redelieke fraije

woonste» voor den «prater of boschwagter.» Er was almede «eene

vangenisse,» en de wachter mocht «alle personen vangen,» die hij in het

bosch zoude vinden.

Knokke is een eenvoudig gehucht, deels aan Zwevegem, deels aan Heestert

en deels aan Moen toebehoorende.

Wij bezichtigden den tunnel en wandelden vervolgens naar den Keiberg,

die 66 meters hoog is.

Eene bejaarde vrouw, ons den weg wijzende, vertelde ons vertrouwelijk

haar lief en leed: hoe gelukkig zij was, toen haar man nog leefde; hoe

deze op zekeren dag buitenshuis bezweek, en hoe zij met vier kleine

schapen van kindertjes bleef zitten; hoe zij toen moest zorgen en zoeken

om door de wereld te tobben; hoe de meisjes, opgroeiende, bij vreemden

gingen wonen om een stuivertje te verdienen; hoe de eene dochter nu in

Frankrijk woonde en de andere in het land -- bij eenen herbergier; hoe

de laatste over weinige jaren onbezonnen een voordeelig huwelijk

afsloeg; hoe zij, moeder, op haren ouden dag nu weer alleen was, en

stillekens haren weg naar het kerkhof vervorderde...

Wij troostten de arme weduwe en wandelden voort.

Een lief panorama omringt den Keiberg: hier eene vlakte in de richting

van Tiegem; daar het dal van Heestert en Avelgem; ginds de blauwe bergen

van Sint-Denijs, met den Perremolen op de hoogste kruin. Moen schuilt

tusschen Heestert en Sint-Denijs.

De oppervlakte van Moen beslaat 1,042 hectaren. De grootste lengte

bedraagt zes, de grootste breedte drie kilometers. In 1694 telde de

gemeente 264 zielen; in 1874 waren er 2,150; in 1890 nog 2,098.

De oude heerlijkheid was vrij belangrijk. Het kasteel, omgeven van

hoven, dreven en wallen, stond tegen de dorpplaats. Volgens een

denombrement van 1612 had de heer het recht «den costere, de

kerckmeesters en de armmeesters te stellene.» Op zijn leen hield men

jaarlijks twee markten, «telcken S. Eloysdaghe,» van laken, garen en

andere goederen.

Sint Elooi is inderdaad de patroon van Moen. Den 25 Juni kwamen vroeger

de landbouwers, te voet en te paard, den heilige vereeren. De herder der

parochie, in feestgewaad, zegende de lastdieren een voor een aan de deur

der kerk, en gaf hun een klopje met eenen zilveren hamer.

Er slopen misbruiken in deze plechtigheid. Een brief van 10 Juni 1778

spreekt van «drie tot vierhonderd boeren met peerden, komende van vijf,

zes uren in het ronde. Zij waren gewapend met schietgeweren, die zij

losbrandden gedurende de processie. Maar zij bleven niet allen even

nuchter, en veroorzaakten dan wanorde, zelfs ongelukken.»

Karel van Lorreinen beval den 17 Mei 1778 «geene geweerschoten meer af

te lossen, op boete van 50 gulden voor iedere overtreding.» Het oude

gebruik bleef nochtans in voege tot in 1806, wanneer de bisschop van

Gent het andermaal verbood.

De parochiale kerk van Moen is van 1875 en kostte ongeveer 80,000 fr.

Achter de kerk vindt men den Olieberg. Dezen naam ontmoeten wij in een

heksenproces uit de XVIIe eeuw. Moen is inderdaad de geboorteplaats van

verscheidene tooveressen. Wij noemen er drie: Antonia de Scheemaecker,

Gellijne de Pratere en Jozijne Labins. Men beweerde, dat de arme

sukkelaarsters op den Olieberg met den booze omgingen. De bewaarde

vonnissen zijn belangrijk voor de kennis van het oude strafrecht in

Vlaanderen. Zij spreken van den halsband, van het «scerp examen,» van

het «duyvelsteeken,» van het «duyvelspoeder.»

De straat, die van Moen naar Heestert leidt, heet nog altijd de

Tooveresstraat.

Heestert, in oude stukken Hestrud genaamd, heeft eene fraaie kerk.

Achter eenen marmeren steen rust het hert van Jan-Jozef Raepsaet,

overleden te Oudenaarde den 19 Februari 1832. Vroeger kwamen de Moensche

schutters alle jaren met trommel en fluit naar Heestert, om aldaar op

den 15 Augustus de processie ter eere van O.-L.-Vrouw te vereeren. De

wethouders betaalden «het bospoer, dat de schotters» noodig hadden,

alsmede «de teercosten van den tambour en den fluyter.»

Dit wil niet zeggen, dat de twee dorpen nooit vijandelijk opstonden. Den

11 April 1790, tijdens de Brabantsche omwenteling, trokken «de

landwagten» van Moen naar Heestert, waar zij twee boeren dood schoten.

's Anderendaags wilden «die van Heestert het naburige dorp in brand

steken.» De tusschenkomst der Kortrijksche vrijwilligers en soldaten

verhinderde echter deze ramp.

Sint-Denijs is eene bloeiende gemeente met ongeveer 3,500 inwoners.

Tusschen dit dorp en Kooigem ligt eene ruime delling, door het volk «de

caveie» of «la cavée» geheeten. Nagenoeg in het midden der caveie staat

het hof «de la Broye.» Zou die naam geene verbastering zijn van

«brouille,» broel of bruul, dat _gemeene weide_ kan beteekenen?

Reisjes in Zuid-Vlaanderen · 第 17 / 47 题