De hofsteden “ten Akker.”
De reiziger, die Zuid-Vlaanderen bezoekt, ontmoet links en rechts vele
omwalde hofsteden. Daar hadden de middeleeuwsche heerlijkheden hunne
zetels.
Op het grondgebied van Kortrijk alleen telde men vier en twintig
heerlijkheden: ten Akker, ten Berge, van Bovekerke, van Busschaard, van
Clessenare, van Diestveld, van Hoog- en Neder-Mosscher, van Hembijze,
van Lerberge, van Monjoie, van Ronseval, van Steenbrugge, van Walle,
enz.
De heerlijkheid ten Akker was zeer oud en groot. Nog in 1701 bedroeg
hare uitgestrektheid «veertien bunderen lands, luttel min ofte meer,
houdende aen elkander.»
De huidige hofstede vindt men achter Sint-Rochus-kerk, tusschen de
Sint-Denijsstraat en den weg naar Zwevegem.
Op de brug blijven wij staan.
Het eerste voorwerp, dat ons treft, is een beeldje van O. L. Vrouw,
schuilende in eene kleine nis, aangebracht in het gemetselde deel der
poort. De Vlaamsche landbouwer stelt immers nog altijd zijne have onder
de bescherming der Moeder Gods.
De eenden drijven op het donkere water van den wal; de hennen drentelen
langs den oever, nu eens toekijkende, dan weer elkander aanblikkende.
Men zou haast zeggen, dat zij hunne verwondering uitdrukken over het
doen der zwemmers.
Drie groote gebouwen omringen een vierkantig plein: het woonhuis, dat
laag is en zonder verdieping; de stallen, voorzien van roode deuren en
talrijke luchtgaten; de schuur met hare wijde poort en haar hoog dak.
Het ovenhuis heeft men afgezonderd, evenals het afdak, waaronder men de
wagens, de karren, de ploegen en de eggen bergt.
Al de buitenmuren zijn versch gewit.
Van den vroegen morgen tot den laten avond is iedereen hier vlijtig aan
den arbeid. Hoort gij de meid niet zingen, die op dit oogenblik het vee
verzorgt? Hoort gij den knecht niet fluiten, die met den grooten wagen
om hooi rijdt?
Wij treden binnen, en worden door den blozenden pachter en zijne jonge
vrouw hartelijk ontvangen.
Het koperen kruisbeeld op het bord der groote schouw; het keukengerief
boven den waschsteen; de blinkende banden der boterkern; de geplooide en
sneeuwwitte gordijntjes aan het venster; de bloeiende geraniums in hunne
roode potten; -- alles spreekt van reinheid, van orde, van welstand.
«Edele menschen!» fluisteren wij bij het heengaan; «God zegene hun huis
en hunnen arbeid!»
Door den band nochtans zijn de pachthoven, in dit gedeelte des lands,
minder verzorgd dan in het land van Waas, in het Houtland en de Polders.
Dit verschil is vooral gevoelig aan de kanten van Geeraardsbergen, waar
men nog vele boerenwoningen aantreft, gebouwd van hout en klei.