Door zijne ligging behoort Akhalzick geografisch tot de hoogvlakte van
Armenië, hoewel het politiek een deel van Rusland is. Uitstapjes in
den omtrek der stad gaan, vooral in den winter, met vele moeilijkheden
en bezwaren gepaard. Hier vindt ge eene dikke kleilaag, waarin de
paarden blijven steken; elders zijn het rotsen en steenklompen, die
u tegenhouden, terwijl de ijzerharde bevroren grond het rijden niet
gemakkelijk maakt. Monumenten heeft het land niet, met uitzondering
van eenige kerken of kloosters, zoo als men hier zegt; maar die
monumenten zijn voor het meerendeel niets dan ruïnen.
Dit geldt met name van de kloosters van Safara en Zarzma. Te Safara
staat de kerk nog overeind; zij bevatte den grafkelder, waarin
de Atabeks werden bijgezet, voor dat de familie tot den Islam was
overgegaan. Van de hooge rots, waarop de kerk gebouwd is, tusschen
de Koer en de Potskhow, overziet men een grootsch, woest panorama,
dat juist door zijn woest voorkomen een machtigen indruk maakt. De
ruïnen van het klooster van Zarzma, aan de andere zijde der stad,
zijn niet minder schilderachtig. Eene derde abdij verschuilt
zich tusschen pijn- en dennebosschen op de hoogte van Abaztoeman,
een tiental wersten van Akhalzick verwijderd. De plek, die een bij
uitnemendheid landelijk karakter draagt, ligt ruim vierduizend voet
boven de zee; er zijn hier warme bronnen, die in den omtrek zeer
gunstig bekend staan, maar die het nog geen mode is te bezoeken,
zooals de bronnen van Börsjom. Het badsaizoen duurt hier trouwens
maar kort, en al zeer spoedig treedt de koude weer in. Slechts van
Mei tot Augustus heerscht hier eenige levendigheid; zijn deze drie
maanden voorbij, dan wordt het weer stil op de bergen; en de toerist,
wiens nieuwsgierigheid hem hierheen drijft, kan er ook op rekenen,
althans 's avonds of 's nachts van de koude te lijden te hebben.
In dezen tijd des jaars, waarin wij nu verkeren, behoort de reiziger
voor zijne uitstapjes zich van eene perekladnaja te bedienen, veeleer
dan van zijn paard. Het voertuig is broos, ongetwijfeld, en wordt licht
beschadigd; maar de schade is bijkans altijd gemakkelijk te herstellen;
en wanneer men geen hinder heeft van het geweldige horten en stooten,
en er ook niet tegen opziet om op zekere kritieke punten uit te
stappen en een eind weegs te voet af te leggen, dan is de perekladnaja,
ondanks alles, nog het beste vervoermiddel dat men gebruiken kan.
Zoo trok ik van Akhalzick naar Kherthwis, een dorp op vijf wersten
afstands, aan de samenvloeiing van de Toporovan-tsjaï en de Koer
gelegen. Een officieele aanbevelingsbrief verschafte mij het voorrecht,
den nacht te mogen doorbrengen bij den burgemeester. Alvorens mij
ter ruste te begeven, had ik nog den tijd, de overblijfselen te gaan
zien van eenige grottenwoningen, aan den anderen oever van de Koer
in de rots uitgehouwen. Bij de brug over de rivier begint een vrij
goed voetpad, dat zigzagsgewijze naar boven voert. De onderaardsche
vertrekken, in de rotswanden uitgegraven, zijn inderdaad zeer
bezienswaardig: het zijn vorstelijke zalen, waarvan de aanleg werd
begonnen door koning George en voltooid door zijne dochter Tamara,
de beroemde koningin, die in de twaalfde eeuw over Georgië regeerde.
Eene andere merkwaardigheid van deze streek is het onderaardsche
klooster Wardzia, waar, naar men zegt, de zoo even genoemde koning
George begraven ligt met velen zijner opvolgers. Men verhaalt,
dat dit klooster even veel cellen bevat, als er dagen in het
jaar zijn. Bovendien bevat dit merkwaardige gebouw eene kerk met
zijkapellen; de kerk is ruim en overwelfd; langs de muren ziet men
overblijfselen van schilderwerk, onder anderen het portret van de
koningin Tamara. Van de vele sieraden en kostbaarheden, die, volgens de
georgische kronieken, hier vroeger bewaard werden, is geen spoor meer
te vinden: de tijd en de onophoudelijke oorlogen hebben ze vernield
en verstrooid.
Dit grottenklooster van Wardzia herinnert aan Tsjoefoed-kaleh
(Jodenstad), in den omtrek van Baktsji-saraï, en aan vele andere
soortgelijke verblijven, welke men in de Krim vindt. Volgens de
overlevering zouden zij dagteekenen uit het tijdvak van koningin
Tamara, maar waarschijnlijk zijn zij ouder. De bewaarder van de
nu verlaten, ruime grotten van Wardzia wijst u althans de plaats,
waar het zomerpaviljoen der genoemde koningin stond, benevens haar
bidvertrek, haar slaapkamer en meer dergelijke merkwaardigheden. De
naam Wardzia is afgeleid van de georgische woorden _Wart-tzisjé_,
hetgeen Rozenvesting betekent. Een weelderige plantengroei, een schat
van bloemen siert inderdaad de schoone plek, van waar men het uitzicht
heeft op de liefelijke vallei van de Koer.
Op zekere tijen van het jaar komt een priester uit den omtrek de dienst
verrichten in dit oude heiligdom, waar vroeger een zeer druk bezocht
wonderdoend beeld werd bewaard, en waar, volgens de overlevering,
ook de koningin Tamara begraven lag in eene kleine vierkante kapel,
gekroond met een half verwoesten koepel, en omgeven door eene op
zuilen rustende galerij. Op de dagen, als hier de heilige dienst wordt
gevierd, leggen de geloovigen op het half ingestorte altaar hunne
offergaven, bestaande in waskaarsen en geld, neder. De vreemdeling,
die door deze eenzame verlaten krypten ronddoolt, waar vroeger, naar
men zegt, een schitterend hof resideerde, komt telkens in de verzoeking
om achter zich om te zien, of niet uit een dezer duistere holen, cellen
en vertrekken een spooksel uit den voortijd te voorschijn treedt.
Zoo als ik zeide, moest ik te Kherthwis overnachten, vooral ook met
het oog op de gevaren, bepaaldelijk in dezen tijd des jaars aan eene
nachtelijke reis verbonden. Ik gebruikte ten huize van den burgemeester
het avondmaal, als naar gewoonte bestaande uit roggebrood en thee;
den volgenden morgen begaf ik mij op weg naar Nakalakevi, een armoedig
dorp, dat evenwel vroeger eene stad van eenig belang was, en waar
men, in eene oude kerk, als eene kostbare relikwie, een der nagels
bewaart, waarmede de Zaligmaker aan het kruis werd gehecht. Van daar
tot Akhalkalaki is de weg vrij goed. Ongemerkt stijgt men omhoog tot
een plateau, dat vijfduizend-vijf-honderd-vijf-en-veertig voet boven
de zee ligt.
Akhalkalaki heeft niets merkwaardigs dan zijne ligging. De op eene
hooge rots gebouwde citadel bestrijkt de rivier Taporovan-tsjaï, die,
te rekenen van zeker punt, den naam der stad aanneemt. De hoogste
top in de naburige bergketen is de Aboel, die eene hoogte bereikt
van ongeveer elfduizend voet.
Even als Akhalzick, is ook Akhalkalaki bewoond door mohammedaansche
Georgiërs, Armeniërs, Russen en Joden; in de omliggende dorpen
wonen de leden der uit Rusland gebannen sekte der Doukhobortzis of
Pneumatomaken (worstelaars van den geest), die naar hunne bewering
afstammen van een der drie jongelingen, die op last van Nebukadnezar in
den brandenden oven zouden zijn geworpen en wonderdadig in het leven
gespaard. Vermoedelijk echter is deze sekte eerst in de tweede helft
der vorige eeuw ontstaan. Wat deze sektarissen eigenlijk gelooven
is moeilijk te zeggen: zij laten zich tegenover vreemden omtrent
hunne godsdienstige overtuigingen en gebruiken weinig uit, en maken
daarbij liefst gebruik van beeldspraak, gelijkenissen, dubbelzinnige
uitdrukkingen, die hunne ware gedachte verbergen. Zij loochenen het
gezag van den Bijbel en van de geschriften der orthodoxe kerkvaders;
zij hebben noch priesters, noch gewijde boeken, noch uitwendige
eeredienst. De gebeden, waarvan zij zich bij hunne samenkomsten
gewoonlijk bedienen, zijn bij hen bekend onder den naam van Psalmen
van David, en zijn, volgens hen, ook woordelijk afkomstig van dien
koninklijken israëlitischen zanger, voor wien zij een grooten eerbied
koesteren. Hoe zij dit rijmen met de uitdrukkingen in die Psalmen
voorkomende, waarin telkens van Christus, van den Heiligen Geest, van
Onze Lieve Vrouwe, van de kerk en de sakramenten gesproken wordt, weet
ik niet. Zij schijnen overigens een zeer ordelijk en betamelijk leven
te leiden, en zijn voor het meerendeel zeer welvarend. Het huwelijk
wordt bij hen zonder eenige godsdienstige plechtigheid gesloten,
en, naar men zegt, ook zeer gemakkelijk weer ontbonden. Zij leven
onderling in goede verstandhouding en geven door hun handel en wandel
geen aanstoot. Zij hebben noch boeken, noch geschriften; de zoo even
genoemde Psalmen van David worden door mondelinge overlevering bewaard:
men kan dus gissen, wat van deze gebeeden allengs worden moet. De
kinderen ontvangen bijna geen onderricht, en maar zeer weinigen onder
de volwassenen kunnen lezen en schrijven; zij achten die kennis voor
boeren als zij zijn niet noodig.
In het dorp Gariellowka, op tien wersten afstands van Akhalkalaki,
woonde de toenmalige Overste van de Doukhobortzis, eene vrouw, de zeer
rijke weduwe van een bloedverwant van een der vroegere hoofden of
oversten van de sekte, die evenwel geen vast opperhoofd heeft. Deze
vrouw wordt in zekeren zin als koningin beschouwd en gehoorzaamd. De
Heilige Maagd of de Moeder Gods (_Bogorodiza_), zooals deze vrouw
wordt genoemd, ontvangt alle doortrekkende reizigers met de meest
onbekrompen en voorkomende gastvrijheid; zelfs is het niets vreemds,
op haar welvoorzienen disch champagne te zien verschijnen. Trouwens
het gebruik van wijn en sterken drank is den Doukhobortzis niet
verboden. Zoo als ik reeds zeide, staan de aanhangers dezer zonderlinge
mystieke sekte over het algemeen als eerlijke en brave lieden bekend
en genieten zij, ondanks hunne volslagen onwetendheid, eene groote
mate van welvaart. Zij houden zich hoofdzakelijk met landbouw bezig,
en met het vervoer van reizigers en goederen. Verschillende posthuizen
zijn door aanhangers dezer sekte gepacht. Vooral het verkeer op den
weg van Akhalkalaki naar Alexandropol is in hunne handen. Door hunne
kleederdracht, hunne levenswijze en de behagelijke zindelijkheid
hunner eenvoudige woningen, hebben zij meer overeenkomst met de
duitsche kolonisten dan met de Russen. Op het gedeelte van den weg,
dat zij bedienen, is de perekladnaja vervangen door een soort van
overdekten _char-à-bancs_, veel overeenkomende met den wagen, dien
de landlieden in Duitschland gebruiken.
Ik was in de gelegenheid, een hunner godsdienstoefeningen bij te
wonen, die in een gewoon huis worden gehouden. Men bracht mij in eene
ruime kamer, laag van verdieping, maar zeer zindelijk, die geheel met
geloovigen was gevuld: de mannen stonden aan de eene zijde geschaard,
de vrouwen aan de andere; alleen de oudsten zaten op banken.
Men begon met het opzeggen van gebeden, hetgeen door ieder op zijne
beurt geschiedde. Indien iemand zich daarbij vergiste, werd hij
onmiddellijk terecht gewezen: "Zoo zegt men het niet."--"Niet; hoe dan,
zeg het mij."--En wanneer hij, die de aanmerking gemaakt had, zich
op zijne beurt vergiste, ging van alle kanten een luid gemor op. Het
kwam mij voor, dat de vrouwen minder fouten maakten dan de mannen.
Dit opzeggen der psalmen duurt eenige uren achtereen, tot zij hun
ganschen voorraad hebben uitgeput, of liever tot een groot gedeelte
der gemeente indommelt, hetgeen vooral in den tijd van zwaren en
vermoeienden veldarbeid niet zelden het geval is. Maar ook afgescheiden
daarvan, is het niet te verwachten dat de geest opgewekt zal blijven
bij het opzeggen van honderdmaal gehoorde formulieren, die de meesten
niet begrijpen en waarbij zij niets denken.
Als dit eindelijk is afgeloopen, neemt het zingen een aanvang. Een der
aanwezigen merkte op, dat het in de kamer zoo benauwd was, en stelde
voor, liever buiten, in de open lucht te gaan zingen. Dit geschiedde:
wederom schaarden zich de mannen aan de eene, de vrouwen aan de
andere zijde. Dat zeer eigenaardig, weemoedig, aangrijpend gezang
maakt op iemand, die het voor het eerst hoort, een onbeschrijfelijken
indruk. Onwillekeurig gaat ge, al luisterend, mijmeren en droomen;
allerlei beelden, herinneringen, indrukken, dagen in schemerachtige,
nevelige omtrekken voor u op: ik dacht aan de woestijn, aan het gezang
der kameeldrijvers, aan de treurige nationale liederen der slaven, aan
het gezang der fellahs in het schemerend avonduur of in de heerlijke
nachten op den Nijl....
Voor de mannen staat een voorzanger, die iederen psalm aanheft. Deze
betrekking werd hier vervuld door een grijsaard, wiens stem echter
nog weinig van hare kracht en melodie verloren had. De voorzanger
begint: eenige mannen volgen en spreken, meer of minder duidelijk,
de woorden van den psalm; de anderen brommen maar zoo wat. Tegen het
einde scharen de geloovigen zich in een halven cirkel, en beginnen
elkander te groeten en te omhelzen. Ieder gaat op zijn beurt bij al de
mannen rond; de vrouwen doen hetzelfde onder elkander. Gedurende die
begroetingen gaat evenwel het zingen zijn gang. Als alles eindelijk
is afgeloopen, zet ieder den hoed op en keert naar zijne woning terug.
De Pneumatomaken komen niet enkel des zondags samen om te bidden,
maar alle dagen na afloop van den arbeid; de zaterdag is echter meer
bepaald voor de godsdienstoefeningen bestemd.
Bij mijne terugkomst te Tiflis vond ik de hoofdstad van Transkaukasië,
even als bij mijn vertrek, nog geheel vervuld van de toebereidselen
voor den dreigenden oorlog, maar toch veel kalmer. De koortsige
opwinding van het eerste oogenblik was in die twee maanden vrij wat
bedaard. Ieder was tot zijn gewone levenswijze teruggekeerd en tot
de behartiging zijner zaken; in de societeiten werd weder, met meer
ijver dan ooit, dag aan dag, whist gespeeld; de dames hadden het
maken van pluksel en het breien van kousen opgegeven en waren weer
begonnen met haar oude liefhebberij, het kienspel.
De straten der stad hadden ook een vreemd voorkomen: zij waren
opgevuld met buitenlieden, die de vrees voor vijandelijkheden uit
hunne dorpen nabij de turksche grenzen verdreven had en die een veilig
onderkomen zochten in de hoofdstad. Voorts zag men overal troepen
van sjouwerlieden, met allerlei meubels beladen; want de Armeniërs,
die geene gelegenheid om een voordeeltje te behalen laten voorbijgaan,
haastten zich hunne winterkwartieren te verlaten, ten einde die zoo
duur mogelijk aan de buitenlieden te verhuren; maar zij droegen zorg,
vooraf de kostbare meubelen te verwijderen, welke zij niet aan de
nieuwe bewoners durfden toevertrouwen. Vele buitenlieden brachten
evenwel hun eigen huisraad mede: de gewoonlijk zoo stille straten
der stad geleken nu op de beddingen van rivieren en beken in het
gebergte, die door een plotselingen toevoer van water eensklaps ten
boorde worden gevuld.
Natuurlijk waren er ook nog eene menigte soldaten, die voortdurend
in den wapenhandel werden geoefend en vervolgens naar hunne korpsen
gezonden. Het was echter duidelijk, dat ook in militaire kringen het
lang uitblijven der beslissing de geestdrift had bekoeld. Toch was
het duidelijk te bespeuren, hoe alom het bewustzijn levendig was van
de groote beteekenis dezer nieuwe episode in den eeuwenlangen krijg,
waarvan de einduitkomst voor niemand twijfelachtig kan zijn.