Van Gori naar Börsjom is geene groote reis; men gaat eerst per
spoorweg tot het oude vlek Kashoeri, tegenwoordig Mikhaëloff. Voor den
aanleg van de spoorbaan bestond dit vlek slechts uit weinige hutten,
door arme georgische boeren bewoond; tegenwoordig vindt men er nette
huizen, benevens een sierlijk en ruim stationsgebouw, het eenige van
dien aard in Kaukasië. Dit voorrecht heeft het dorp te danken aan de
nabijheid van Börsjom, de bezitting van grootvorst Michaël, stadhouder
van Transkaukasië. Men verlaat te Mikhaëloff den trein en gaat over
in den omnibus, die tweemaal in de week van hier naar Börsjom rijdt,
dat zeven-en-twintig wersten verder ligt. Dit voertuig, van tamelijk
primitieve constructie, heeft plaats voor zes personen. De bagages
worden op eene perekladnaja geladen, die als bijwagen de diligence
volgt.
De weg is bij uitnemendheid fraai, men zou kunnen zeggen een
modelweg, waarvan de aanblik uw oog verheugt, nadat ge de modderige,
ongeplaveide, hobbelige straten van Mikhaëloff verlaten hebt. Ter
wederzijde schilderachtige dorpen, deels tegen de bergen, deels in de
vlakte gelegen. Velden en heuvels zijn allen zorgvuldig bebouwd. Achter
de heuvelen verrijzen hooge bergen, waarop zich hier een fiere toren
verheft, ginds eene oude ruïne troont. In den winter blijft het
landschap bijkans even groen als in den zomer, dank zij de dichte
bosschen van dennen en pijnboomen, die niet alleen de berghellingen,
maar ook voor een deel de vlakte bedekken. Langs den straatweg loopt
eene leuning; bukt ge u daarover heen, dan kunt ge op de schuimende
wateren van de Koer de vlotten zien varen, die timmerhout naar
Tiflis brengen.
Op eenigen afstand van een ouden toren, die vroeger den toegang
tot den bergpas van Börsjom verdedigde, ziet men overblijfselen
van eene georgische brug, waarvan de bogen op de rots rusten. Men
ontmoet op den weg nog vier of vijf dergelijke bruggen. Hoe verder
men komt, des te grootscher karakter neemt het landschap aan; tot de
hoogste toppen zijn de bergen bedekt met prachtige bosschen, waar,
tusschen de eeuwenheugende stammen, villas en cottages wegschuilen
in het heerlijke groen. Hier en daar is de houthakker aan het werk
geweest. In dezen tijd des jaars ontmoet men op den weg slechts enkele
perekladnajas, waarin beklagenswaardige reizigers gezeten zijn,
of ook wel boerenkarren met de huif van zeildoek overspannen. In
den zomer daarentegen wordt de weg druk bereden door toeristen,
die de hitte te Tiflis ontvluchten, om koelte en verkwikking te
zoeken in de heerlijke schaduwrijke bosschages van Börsjom. Daar de
weg bijna onmerkbaar, maar gestadig stijgt, bevindt men zich, eer
men het vermoedt, op eene hoogte van tweeduizend-drie-honderd voet
boven de Zwarte-zee. Bij eene kromming van den straatweg staat het
poststation van Sawanisghevi, zoo schilderachtig mogelijk gelegen
aan den voet van een geweldig rotsgevaarte, waarvan de overhangende
top het broze houten gebouwtje dreigt te verpletteren. In een woord,
de weg is zoo verrukkelijk schoon, dat men er spijt van heeft als de
tocht ten einde is en men te Börsjom aankomt.
Die naam Börsjom is, naar men zegt, afgeleid van een tartaarsch woord,
dat versterkte plaats beteekent. Eene rivier, de Börsjomka, gevormd
door de samenvloeiing van twee stroompjes, de Goedskareti-tzakli en
de Bakoeriani-tzakli, vloeit door het vlek, dat aan den rechter oever
van de Koer ligt. Het domein Börsjom behoorde sedert eeuwen aan de
oude georgische vorstelijke familie van Avala, toen de stadhouder
van den Kaukasus, prins Woronzoff, getroffen door de schoonheid
der omgeving en de voordeelige ligging bij den ingang der groote
wouden, besloot, het goed voor rekening der russische regeering
aan te koopen. De Avala waren tot den verkoop bereid, tegen eene
jaarlijksche lijfrente van duizend roebels, overgaande van geslacht
op geslacht tot den laatsten vertegenwoordiger hunner familie. Ter
wille van de eer van den monarch, dien hij vertegenwoordigde,
wilde prins Woronzoff den koop niet op zulke bespottelijke
voorwaarden sluiten: het terrein had eene uitgestrektheid van
negen-en-zestigduizend-zevenhonderd-negen-en-negentig _deciatinen_ (een
deciatine staat gelijk met vierduizend-achthonderd vierkante ellen),
waarvan vijftigduizend met prachtig bosch bedekt. Uit eigen beweging
voegde hij vierduizend roebels bij de gevraagde som, en de koop werd
gesloten. Toen keizer Alexander II in 1871 Transkaukasië bezocht,
schonk hij het goed aan zijn broeder, den grootvorst Michaël. Een
opmerkelijk en bedroevend feit is het, dat verschillende van de
vroegere eigenaren thans als arbeiders werkzaam zijn op de aloude
bezitting hunner voorvaderen: een hunner is wegwerker en verdient
vijftig kopeken per dag. Daar hij nog minderjarig is, kan hij zijn
aandeel nog niet ontvangen van de jaarlijksche lijfrente, waarvoor
het familiedomein werd afgestaan. Andere leden der familie ontvangen
tien, vijftien of twintig roebels per maand, naar gelang van hunne
aanspraken.
Uit hoofde van de nabijheid van het district Akhalzick, vroeger de
voornaamste slavenmarkt van den geheelen Kaukasus, stond Börsjom
bloot aan herhaalde invallen en strooptochten, zoowel van de Turken
als van de Lesghiërs, op wier weg het lag. Daaruit verklaart zich
ook het groot aantal vernielde forten en vestingwerken, waarmede deze
geheele streek als overdekt is. Twee van die forten, Petres-tzishé,
op den linker oever van de Koer, en Gogias-tzishé, op den rechter
oever, behoorden aan twee broeders, naar wie zij genoemd zijn, en in
den mond des volks leeft nog menige legende, aan deze oude torens
verbonden. Tegenover een dezer forten ziet men nu eene kazerne,
die honderd-vijftig soldaten kan herbergen; des zomers kampeert het
garnizoen buiten in de vlakte.
Sedert de bezitting bij het kroondomein is ingelijfd, heeft het
vlek een geheel ander voorkomen gekregen. De warme bronnen in den
omtrek, die aanvankelijk slechts door enkele bezoekers van geringen
stand werden gebruikt, werden nu weldra het vereenigingspunt voor de
groote wereld, aangetrokken door het verblijf van prins Woronzoff,
en smaakvolle villa's verrezen de eene na de andere. De prins zelf
bewoonde er aanvankelijk een zeer eenvoudig landhuis. Tegenwoordig
vindt men te Börsjom een park, eene badinrichting, fraaie wandelingen:
kortom, eene geheele kleine stad, in verschillende wijken verdeeld. Een
dezer wijken strekt zich aan den oever van de Koer uit, langs den
straatweg naar Akhalzick; daar staat het paleis van den grootvorst,
omringd door de villas en schilderachtige châlets van den _beau monde_
van Tiflis. Eene andere wijk, op den tegenovergestelden oever van de
rivier, waarover eene fraaie ijzeren brug ligt, stijgt terrasgewijze
tegen den berg omhoog en vormt eene schilderachtige huizengroep,
beheerscht door de kazerne en de twee kerken. Eene derde wijk, die
het best is gelegen, vult den smallen pas, die naar de bronnen leidt;
haar dubbele rij van villa's heet _Anastasiefskaïa_, Anastasiastraat,
naar de dochter van den grootvorst Michaël. De vierde wijk eindelijk,
die tot dusver slechts uit een tiental huizen bestaat, ligt aan den
oever van de Koer, tegenover het kasteel.
Het zomerpaleis van den grootvorst, tegen de helling van een heuvel
gebouwd, vertoont eene verscheidenheid van bouwstijlen, die volkomen in
overeenstemming is met de romantische omgeving; de roodachtige muren,
de sierlijke balkons, de bevallige klokketoren, komen voortreffelijk
uit tegen den donkergroenen fluweeligen achtergrond der pijn- en
denneboomen. Van binnen draagt alles don stempel van landelijke
eenvoudigheid; in de salons en de slaapvertrekken vervangt gebloemd
cretonne de kostbare zijden en damasten draperiën; de eetzaal getuigt
luide van 's vorsten liefhebberij voor de jacht: overal ziet men
hoornen en klauwen van gevelde dieren. Het kabinet van den grootvorst
maakt eene uitzondering: het is rijk in oosterschen smaak gemeubeld
en gedekoreerd.
Het paleis is omringd door een grooten tuin met zeldzame bloemen
en planten; het langs de bergen afvloeiende water wordt door
buizen naar den tuin gevoerd, en voedt daar vijvers en kommen
en springende fonteinen. Het klimaat is zeer goed en gezond; de
frissche, met verkwikkende geuren vervulde lucht, de dennenbosschen, de
badinrichting herinneren onwillekeurig aan sommige kleinere badplaatsen
in Duitschland. Behalve de minerale baden kan men ook gewone, warme
en koude baden, stortbaden, enz. nemen. Aan de inrichting, waartoe
ook een soort van hygiënische school behoort, is niet alleen een
geneesheer, maar ook eene vroedvrouw verbonden. Alles ziet er even
netjes en goed onderhouden uit; ook mogen wij de bibliotheek niet
vergeten, noch de leeszaal, de concertzaal, waar ook komediestukjes
vertoond worden; en evenmin de militaire kapel, die 's morgens en
's avonds in het park speelt, eene heerlijke wandeling in de smalle
vallei van de rivier Börsjomka, over wier schuimende wateren acht
bruggen zijn geslagen. Niets schilderachtigers en bekoorlijkers dan
dit door bergen ingesloten smalle dal, vol ruischende watervalletjes
en eeuwenheugende boomen, tusschen wier geheimzinnige schaduwen zich
kronkelende paadjes verliezen, waar het een wellust is te dolen.
Eene andere heerlijke wandeling biedt het Woronzoff-park met zijne
donkere massaas van naaldboomen, boven op een plateau, van waar men
een prachtig uitzicht heeft en den rechteroever van de Koer overziet,
juist waar de Sjawi-tzakli zich in haar uitstort. Door eene opening
in het geboomte heeft men een kijkje op een ruwen, gespleten rotswand,
waaruit met groot geweld een bergstroom te voorschijn schiet, die, na
langdurige regens, zulk eene massa zand en steenen medevoert, dat het
verkeer op den straatweg soms vier-en-twintig uren lang gestremd is.
De inkomsten van het domein van Börsjom bestaan voornamelijk in
de opbrengst der bosschen, die jaarlijks tusschen de dertig- en
vijftigduizend deelen timmerhout opleveren, ongerekend het brandhout;
al dit hout wordt in vlotten naar Tiflis gevoerd. De bevolking is
zeer gemengd en bestaat uit Mohammedanen, Joden, Georgiërs, Grieken,
Armeniërs en Russen. Het vlek bezit eene school waar kosteloos
onderwijs wordt gegeven, en zal zich eerlang ook mogen verheugen in
het bezit van een "Grand Hôtel", tot groote blijdschap der toeristen,
die nu geen ander onderkomen kunnen vinden dan in eene afschuwelijke
kaukasische herberg.
Van mijne verschillende uitstapjes in de schoone omstreken van Börsjom
heugt mij bovenal een bezoek aan het oude klooster van Sint-George,
op eenige wersten afstands van het dorp, dat zijn naam ontleent aan de
rivier Lykanka, maar dat in de wandeling gemeenlijk Mistigris genoemd
wordt, naar den naam van een aldaar gelegen goed. De eigenaar van dat
goed heeft er niet alleen eene boerderij op gebouwd, maar ook een molen
en een teer- en terpentijnfabriek, benevens eene brandewijnstokerij:
deze laatste ware beter achterwege gebleven.
De weg naar Lykanka-Mistigris loopt eerst langs de Koer en gaat
dan over de rivier door middel van eene brug, die gedeeltelijk in
eene vaal-grauwe rotsmassa is uitgehouwen, zonderling afstekende
tegen het fluweelig groen der omliggende weilanden. Boven op dit
sombere rotsgevaarte troont de weemoedige ruïne van het oude fort
Petrestzishé. Daar verlaat men den oever den rivier, om een weg te
volgen, die langs de Lykanka naar het oude klooster van Sint-George
voert. De overblijfselen van het voormalige heiligdom maken nog
een grootschen indruk. Het benedengedeelte van den toren, dat nog
bewaard is gebleven, bestaat uit een ronden muur van steenen van
reusachtigen omvang, die zonder cement op elkander zijn gestapeld, en
waarop tien zuilen rusten, waarvan sommigen nog sporen van beeldwerk
vertoonen. De schier loodrechte rots, waarop die toren verrijst,
is geheel bekleed met woeker- en slingerplanten, die de beklimming
zeer moeilijk maken. De toren is van binnen geheel bedekt met dicht
mos, waarop men zachter rust dan op een kaukasisch bed. Een beekje,
dat naar de Lykanka afvloeit, verbreekt alleen met zijn murmelend
ruischen de plechtige stilte van deze eenzame plek: dit geruisch
schijnt welhaast een zucht, opstijgende uit de graven van het kleine
kerkhof in de nabijheid. Beneden het ravijn, dat den toren omringt,
ziet men brokstukken der muren van het voormalige klooster; naast
de kerk bevinden zich graven door aardhoopen bedekt; door de gaten
en openingen in deze kelders bespeurt men eene menigte uitgebleekte
doodsbeenderen. Door eene vrij smalle spleet in den muur der kerk
kan men een blik werpen in het inwendige van het schip, waarboven de
koepel ontbreekt. Links van het altaar opent zich een grafkelder,
waarin zich slechts een enkele steenen sarkophaag bevindt. Wie
slaapt daar den eeuwigen slaap? Geen enkel opschrift geeft het ons
te kennen. De ruïnen van het eerwaardige klooster zijn voor een goed
deel onder dicht struikgewas en heesters bedolven.
Op het domein van Börsjom liggen ongeveer een veertigtal dorpjes
verspreid, die door Georgiërs, Grieken, Klein-Russen, Armeniërs en
Osseten bewoond zijn. De dorpelingen leven van landbouw en van het
vervoer van hout; voor het meerendeel zijn zij zeer welvarend. De
bebouwde akkers beslaan hier eene zeer belangrijke uitgestrektheid. De
minnaars van forellen kunnen ook hun hart ophalen te Börsjom, want op
omstreeks vijftig wersten van het stedeke ligt het meer Toebatz-Sjoemi,
dat een overvloed van forellen bevat en de tafels van Tiflis van
dezen smakelijken visch voorziet.
Aan den oever van dit meer, dat eene uitgestrektheid heeft van
omstreeks vijf wersten, liggen twee dorpen, waarvan het eene Maliti
heet, en het andere in het russisch Kraisnaïa Tzeskoff, in het
georgisch Tziteli Sagdari, en in het tartaarsch Kisill Kilissa. Dit
dorp ligt op eene lange smalle landtong die in het meer uitsteekt;
het dankt zijn naam aan eene van roodachtige steenen gebouwde kerk. De
ligging van dat dorp is misschien het schoonste en schilderachtigste,
wat op het domein van Börsjom is te zien. Van boven gezien, schijnt
het midden uit het water op te rijzen; eerst als men naderbij komt,
blijkt het dat het dorp op eene hoogte ligt van vulkanischen oorsprong,
even als een eilandje midden in het meer, dat wemelt van wilde eenden,
die zich, zoo verhaalt men, met de hand laten grijpen. Dit is een
buitenkansje voor de jachtliefhebbers, want op het domein mag niet
gejaagd worden, zelfs mag men geen geweer medenemen. Men gaat naar dit
meer, deels te paard, deels met rijtuig , langs den nieuwen straatweg
naar Akhalkalaki, eene kleine stad op dertig wersten afstands van de
turksche grens.
V
En nu op weg naar Akhalzick: het is per diligence een rit van vijf
of zes uren door eene landstreek, steeds schilderachtiger en rijker
in afwisseling. Bij het poststation van Strasha-Jacob hebben wij
de grenzen van het domein van Börsjom bereikt; in vroeger tijd was
hier de grensscheiding tusschen Georgië en Turkije. De overlevering
verhaalt van een bandieten-hoofdman, Strasha-Jacob, de verschrikkelijke
Jacob, genoemd, die de reizigers op de grenzen overviel en hen als
slaven te Akhalzick verkocht. Zijn naam leeft nog voort in dien van
het poststation.
Voorbij dit station verandert het landschap eensklaps van karakter. De
bosschen van dennen en pijnen maken plaats voor rotsen, deels geheel
kaal, deels gekroond met eiken, notenboomen en berken. In de verte
dwaalt de blik door valleien en over vlakten; op den achtergrond
verrijzen hooge bergen, waartusschen zich nauwe passen openen, en
op elken top troont een fort, een der schakels van die keten van
vestingen, die het land moest verdedigen tijdens de onophoudelijke
oorlogen met de Halve-Maan. De tegenwoordige bewoners van deze
eigenaardige landstreek zijn de Adjaren, mohammedaansche Georgiërs,
die men telkens op den weg ontmoet, kleine pakpaarden drijvende of aan
den weg zelven werkende. Hunne kleeding is dezelfde als die der Lazen
van Batoem: een kort buis, een fez of een turkschen tulband. Reeds
te Atzkhoer, halverwege tusschen Börsjom en Akhalzick, zou men kunnen
meenen, in Turkije te zijn. Het vlek ligt aan de Koer, aan den ingang
van een bergpas. Aan de eene zijde, op den rechter oever, liggen de
woningen der Georgiërs, aan de andere wonen de armenische kooplieden,
die het christelijke element vertegenwoordigen: twee werelden, geheel
verschillend in type, kleederdracht en levenswijze.
Atzkhoer was voorheen de zetel van een der twaalf bisdommen van de
provincie Samtzkhé, sedert door de Turken Adjar genoemd, naar de bergen
welke haar begrenzen. In den laatsten tijd, gedurende den Krimoorlog,
werd hier in den omtrek een gevecht geleverd tusschen de Turken en
de Russen, waarbij de laatsten de overwinning behaalden. Van Atzkhoer
tot Akhalzick vindt men uitsluitend muzelmansche dorpen, waarvan velen
allerschilderachtigst zijn gelegen: met name Tsjenis, met zijn krans
van tuinen en boomgaarden, aan den oever van de Koer. De gesluierde
vrouwen, die zich voor de blikken van de voorbijgangers verbergen,
doen u aanstonds begrijpen, in welke omgeving gij u bevindt. Uit de
verte gezien, maken zij, in haar witte mantels gewikkeld, bijna den
indruk van spoken. Ook trof mij de vreemde manier, waarop een aantal
boeren, die ik onderweg ontmoette, te paard zaten, namelijk met den
rug naar den kop van het dier.
Hoe meer men Akhalzick nadert, hoe kaler het land en hoe naakter
de bergen worden. Men verhaalt dat de oorspronkelijke bewoners van
Adjar afstammelingen waren van een zoon van Japhet, Meskh genaamd,
die van Mesopotamië naar den Kaukasus trok en zich in de omstreken
van Akhalzick vestigde, op eene plaats, die naar hem den naam ontving
van Messkhé of Moesseckh, en die nog heden bestaat. Van daar zou,
bij verbastering, de naam Samtzkhé zijn afgeleid, welke aan dit deel
van Georgië gegeven werd. Verschillende geschiedschrijvers der oudheid
maken melding van deze afstammelingen van Japhet, als van een dapper
en krijgshaftig volk. Het dorp Moesseckh maakt aanspraak op de eer,
de geboorteplaats te zijn van Mithridates, den koning van Pontus;
een ander dorp, Koly, op zestig wersten van Akhalzick, heeft nog
ouder titels: daar zou niemand minder zijn geboren dan Nebukadnezar,
den machtigen beheerscher van Babylon.
Andere traditiën, waarin wij ons hier niet hebben te verdiepen, beweren
dat de Meskhen hun naam ontleenen aan Mtzkhétos, den zoon van Karthos,
den patriarch van Georgië. Zooveel schijnt zeker, dat deze provincie
door den apostel Andreas, die van Mingrelië naar herwaarts over kwam,
tot het Christendom werd bekeerd: altijd volgens de traditie. Een der
bergen, waarop hij de bekeerlingen doopte, draagt nog den naam van
Andreasberg (_Andreas zweri_). Te Atzkhoer zou de apostel de eerste
christelijke kerk hebben gebouwd: in later tijd verrees daar eene
kathedraal, welke door de Turken werd verwoest. Men kan nog de ruïnen
zien dezer kerk, die eene der schoonste van het geheele land was,
en die, zooals trouwens alle kathedralen, ook een wonderdoend beeld
bezat, dat der Madonna van Atzkhoer, wier geschiedenis de stoffe zou
kunnen leveren voor een epos. In 1468 door den khan Jacob geroofd,
werd het beeld vervolgens door den Atabek Manutsjar, voor eene zeer
groote som gelds weder vrijgekocht; zestig jaren later nam koning
Bagrot van Imerethië het beeld weg en sloot het op in den toren
van Tzishé Alsjwari, waar het eerst in 1562 uit te voorschijn kwam,
bij het sluiten van den vrede tusschen den Atabek Knaknare en koning
George van Imerethië. Wat sedert van de kostbare relikwie geworden is,
weet men niet.
Zoodra men uit de verte een blik werpt op Akhalzick, met zijne moderne
kerktorens en zijn oude vervallen minarets, krijgt men den indruk
van eene stad, waar het Kruis en de Halve Maan elkander eeuwenlang de
heerschappij hebben betwist. Akhalzick (Akhal-tzishé, in het georgisch
de nieuwe vesting) ligt drieduizend-honderdtachtig voet boven de zee,
aan den oever van de Potskowtsjaï. Het district behoorde vroeger aan
de Djagheli, die den titel voerden van Akhal-Tzikhéli (heeren van
Akhalzick). In de twaalfde eeuw ontvingen deze Djagheli bovendien den
titel van Atabek, ten gevolge waarvan de landstreek den naam verkreeg
van Sa-Atabago, in het georgisch, eigendom van de Atabek. In 1579, toen
de Turken zich van het land meester maakten, lieten zij het bestuur
in handen van de inlandsche vorsten, die natuurlijk de opperhoogheid
van den Sultan moesten erkennen; nadat Amoerad IV het pâsjalick
van Akhalzick had gevormd, bracht de nieuwe pâsja zijne residentie
van Olthis naar Akhalzick over, dat versterkt werd en van toen af,
zoowel uit een militair als uit een commercieel oogpunt, de hoofdstad
bleef van het oude Samtzkhé. De levensmiddelen en andere produkten
van Kars en Erzeroem werden voornamelijk daarheen gevoerd; ook werd
er een slavenmarkt gevestigd. In 1810 door den russischen generaal
Tarmasof belegerd, en achttien jaren later door den veldmaarschalk
Paskiéwitch ingenomen, werd de stad het volgende jaar, bij den vrede
van Adrianopel, aan Rusland afgestaan. Later, kort voor den Krimoorlog,
sloeg de generaal prins Andronikoff de Turken in eene vlakte nabij de
stad, waar een monument is opgericht ter herinnering aan dit wapenfeit,
waardoor de inlijving van de landstreek bij het rijk der Tsaren voor
goed verzekerd werd.
Vroeger door Christenen bewoond, werd deze voormalige provincie van
het koninkrijk Georgië, door een harer vorsten, den Atabek Rostom,
gedwongen den Islam te omhelzen; hij was zelf Muzelman, geworden om
tot pâsja te kunnen worden benoemd. Echter is de georgische taal hier
altijd in gebruik gebleven; in den laatsten tijd echter schijnt het
turksch vorderingen te maken.
Akhalzick bestaat uit twee steden: de oude stad, hoofdzakelijk bewoond
door Georgiërs, Tartaren en Turken; en de nieuwe stad, die omstreeks
twintigduizend zielen telt, voor drie vierden Armeniërs, voorts
een aantal Joden, maar weinig Georgiërs en nog minder Russen. De
afstammelingen van Rostom Atabek bestaan nog altijd; de familie
heeft zich nu ook den naam van Kobliansky toegevoegd, ontleend aan
hare bezittingen in het naburig district Koblian. Al de leden van dit
geslacht zijn Muzelmannen; een hunner voorvaderen, Achmed-pâsja, heeft
in de oude citadel de moskee gebouwd, die sedert in eene orthodoxe kerk
herschapen werd. Voor hij Mohammedaan werd, had diezelfde Achmed met
twee zijner broeders het klooster Safara gesticht, dat nog bestaat,
en waarvan de kerk, die het geheele jaar gesloten is, alleen op den
dag van Maria-Hemelvaart voor de pelgrims van Akhalzick geopend wordt.
Deze geheele landstreek is buitengewoon rijk aan boomgaarden, die
uitmuntende vruchten, met name appelen, opleveren. Een riviertje,
dat zich in de Koer uitstort, de Potsghow of Potskhowtsjaï, kronkelt
zich schilderachtig door de velden; een dubbele wal van bergen,
aan de eene zijde zich naar Goerië, aan de andere tot aan Erzeroem
uitstrekkende, omgordt het oude domein der Djagheli. De pest, die
vroeger bij herhaling het land teisterde, heeft zich sedert 1830 niet
meer vertoond; de herinnering aan dien geesel leeft nog altijd voort
in de verplichte quarantaine en in het afzonderlijk voor pestlijders
bestemde kerkhof buiten de vesting.
In 1844 evenwel brak op verschillende plaatsen in Kaukasië, met name te
Alexandropol, eene epidemie uit, die veel overeenkomst had met de pest;
en eenige jaren geleden zond de russische regeering den dokter, die aan
de quarantaine-inrichting te Akhalzick verbonden was, naar Koerdistan,
waar eene pestaardige ziekte was uitgebroken, om de oorzaken en de
verschijnselen van de moorddadige epidemie te bestudeeren. Na vele
nasporingen gelukte het hem, tot de ontdekking te komen dat de ziekte
ontstaan was in zekere bergkloven en spelonken, die tot schuilplaats
dienden voor schapen. Om versche lucht in die holen te krijgen, had
men eene opening gemaakt, die op den top van den berg uitkwam; en op
dien top bevond zich juist eene oude begraafplaats van pestlijders. Bij
het boren der luchtgaten waren de beenderen van de voor veertig jaar
bezweken slachtoffers naar beneden in de grotten gevallen: een herder,
die zich in een dezer spelonken ophield, was het eerst aan de pest
bezweken. Deze ontdekking was in zoo verre belangrijk, dat daaruit de
blijvende kracht der smetstof bleek, zelfs nog na verloop van eene
halve eeuw. Naar het schijnt, is dit alleen te verklaren, wanneer
men aanneemt dat zekere organische kiemen, geheel van de buitenlucht
afgesloten, zijn in stand gebleven, die, weder in aanraking met de
lucht gebracht, als het ware zouden zijn herleefd: ongeveer op dezelfde
wijze als het koren, dat men in de pyramiden van Egypte gevonden heeft,
en dat, weder in de aarde gezaaid, op nieuw uitbot.
Een houten brug over de Potsghow verbindt het oude met het nieuwe
Akhalzick. Op den linkeroever bevinden zich de oude buurten, bewoond
door Georgiërs, die voor verreweg het meerendeel katholiek zijn,
door Tartaren en Joden; op den anderen oever ligt de nieuwe stad, in
de jaren 1830 tot 1833 door de Armeniërs gebouwd. De gewezen citadel,
aan den oever der rivier, is tegenwoordig een militair hospitaal; de
oude moskee is voor de orthodoxe eeredienst ingericht; in de minaret
hangt een metalen klok, waarvan het gelui de roepstem der moëzzin
vervangen heeft.
Men weet niet juist, uit welken tijd de citadel van Akhalzick
dagteekent. Volgens de overlevering zou er vroeger op de plek,
waar zij zich nu verheft, eene kerk hebben gestaan, die door den
apostel Andreas zou zijn gebouwd; eenige brokken muurs, sommige
oude steenen, in het tegenwoordige metselwerk opgenomen, zouden nog
overblijfselen zijn van die kerk. Bij het laatste beleg hebben de
uit deze citadel geschoten kogels een gedeelte van de oude wijken
der stad vernield. Tegenwoordig zijn de woningen terrasgewijze boven
elkander gebouwd, en wel zoo dat de platte daken der lagere rij de
straat vormen waarop de huizen der hoogere uitkomen; de vreemdeling,
die door deze onderaardsche stad ronddoolt, vraagt zich verwonderd
af, waar de bevolking woont. Huizen ziet hij niet: nu en dan ontmoet
hij een kegelvormigen heuvel van leem, twee tot zes ellen hoog, van
boven voorzien van een soort van uitstekend venster met geolied papier
beplakt. Dit zeer primitieve venster moet het noodige licht verspreiden
in het voornaamste vertrek van het hol, dat men hier met den naam van
woning betitelt. Als de nieuwsgierige wandelaar het vensterluik opligt,
ziet hij in de diepte, onder den grond, een geheel gezin vereenigd
in de _darbazi_, zooals men in het georgisch zulk een salon noemt.
Laat ons de woning binnentreden: eene ruw bewerkte deur, bij wijze van
tegenwicht van een groot blok hout voorzien,--van sloten is natuurlijk
geen spraak,--geeft toegang tot een nauwe donkere gang, waarin zich
eene tweede deur, die der kamer, bevindt. Op een vochtigen steenen
vloer liggen tapijten uitgespreid. In de wanden van het ronde vertrek
zijn nissen aangebracht, die met houten deuren gesloten worden en
tot kasten dienen. Andere, diepere nissen, waarvoor gordijnen hangen,
zijn de bedsteden der familie. Houten banken met tapijten bekleed en
een ijzeren kachel, ziedaar het gansche ameublement. De zoldering is
niet het minst eigenaardige in deze woningen. De achthoekige koepel
neemt naar boven steeds in omvang af; elk der acht paneelen bestaat
uit twintig houten trappen, die gaandeweg kleiner worden.
Kleinere kamers, gelijkvloers met dit voornaamste vertrek, en
nog anderen, die eenige treden lager liggen, zijn voorzien van
vierkante openingen, waarvan het houten traliewerk insgelijks met
geolied papier is beplakt. Deze katakomben, aan welker wanden men
in de schemering heiligenbeelden bespeurt, worden hoofdzakelijk door
katholieke Georgiërs en Armeniërs bewoond, die meermalen eene zekere
mate van welvaart en zelfs meer dan dat genieten. Nu is het waar,
dat deze lieden, wier huis nauwelijks op den naam van hol aanspraak
kan maken, een groot gedeelte van den dag in de open lucht, voor de
deur hunner woning, doorbrengen. Daar keuvelt men uren lang met de
buren; daar danst men 's avonds onder begeleiding van de _daira_; daar
nuttigt men te zamen, bij zekere gelegenheden, de zoete honigkoeken
en andere inlandsche lekkernijen. Deze salon in de open lucht is
echter niet ruim en heel veel kromme sprongen kan men er niet maken,
want behalve door de uitstekende vensters van de darbazi, wordt de
ruimte nog beperkt door de talrijke vierkante schoorsteenen van de
lager liggende woningen. Deze schoorsteenen, van grauwachtige klei,
zijn van boven voorzien van een houten luik, dat met behulp van een in
eene schapenhuid genaaiden steen kan geopend en gesloten worden. Als
in de onderaardsche vertrekken vuur wordt aangemaakt, gaan de luiken
open; zij die boven op de straat zijn gezeten, ontvangen dus den rook
uit de eerste hand.
Het eenige monument in de oude stad, dat van dezen eenvormigen type
afwijkt, is de synagoge, een nieuwerwetsch gebouw, geheel van steen,
en waarvan het schuine dak met zink is belegd. Even als de russische
kerken, is ook de synagoge lichtgroen geverfd. De Joden zelven wonen,
even als de anderen, in onderaardsche huizen. Het trok mijne aandacht,
dat deze Joden van Akhalzick, in voorkomen en gelaatstrekken, meer
overeenkomst hebben met de Georgiërs dan met hunne stamgenooten in
Polen, Rusland, Jeruzalem en zelfs op andere plaatsen in Kaukasië. Even
als bij de Muzelmannen en de Armeniërs, vertoonen ook hunne vrouwen
zich niet aan vreemden.
De nieuwe stad draagt wel een ander karakter, maar behoeft in
leelijkheid voor de oude niet onder te doen. De huizen der Armeniërs,
die ten gevolge van den vrede van Adrianopel uit Turkije naar Akhalzick
verhuisd zijn, zijn ook niet meer dan ellendige hutten, uit leem en
ruwe steenen opgetrokken; ook hier geene andere vensters dan gaten,
waarvan de latjes met geolied papier zijn beplakt. Men kan zich niets
akeligers denken dan deze krotten, in vuile, niet geplaveide en niet
verlichte straten. Zelfs de bazar ziet er even ellendig uit.
Even als Tiflis, wemelde ook Akhalzick, in de nabijheid der turksche
grens gelegen, van officieren en soldaten, verlangend uitziende naar
den aanvang der vijandelijkheden tusschen den Tsaar en den Sultan. De
militaire societeit in de nieuwe stad was van den morgen tot den avond
vol bezoekers. De leden van die societeit zijn voor het meerendeel
Russen; de burgersocieteit wordt voornamelijk door Georgiërs bezocht;
want hier, even als te Tiflis en in de andere steden van Kaukasië,
vormen de verschillende rassen, hoewel voor het uiterlijk in eendracht
en vrede met elkander levende, toch afgesloten kringen. De Rus ziet
met minachting op den Georgiër neder, die op zijn beurt zich verheven
rekent boven den Armeniër; de Joden worden door allen, en niet zonder
grond, gelijkelijk veracht. De vrouwen verschijnen nimmer op publieke
plaatsen; naar aloud oostersch gebruik leven zij in huis en hebben
onder elkander hare eigene gezelschappen en bijeenkomsten. In de
armenische woningen, die er van buiten even armoedig uitzien, vindt
men toch somwijlen zekere weelde en comfort in het ameublement, zich
vooral openbarende in het bezit van europeesche stoelen. De kinderen
nemen aan die gezelschappen en bijeenkomsten der dames deel. Daar
heerscht de meeste ongedwongenheid en bijna onbeperkte vrijheid;
na genot van thee en confituren wordt er gedanst. Evenals genoegzaam
alle oostersche vrouwen, hebben ook deze Armenischen prachtige oogen,
haren en tanden: deze schoonheden kan niemand haar betwisten. Maar
haar tint is reeds vroegtijdig verwelkt en haar rug gekromd: een en
ander het onvermijdelijk gevolg van haar levenswijze, haar eeuwig
neerhurken binnenskamers. Haar kleeding is zeer elegant en smaakvol;
zij bestaat uit een zijden kaftan, op de borst vierkant uitgesneden,
met nauwsluitende mouwen, waaruit andere mouwen te voorschijn komen,
die van het vest of keurs, dat ook op de borst onder den kaftan
zichtbaar is; voorts uit een breed schort van rood laken met goud
geborduurd, dat tot op de voeten hangt; uit een rood laken fez
met gouden kwast en van voren versierd met een breeden band van
geborduurde bloemen van gekleurde zijde; ter wederzijde dalen langs
de wangen parelsnoeren af, waaraan een aantal gouden muntstukjes
bevestigd zijn, wier waarde voornamelijk in hunne oudheid bestaat;
het voorhoofd verdwijnt voor een groot deel onder verschillende rijen
van dergelijke muntstukjes, die ook den hals en de borst bedekken. De
hairen hangen in vlechten langs den rug. De jonge meisjes dragen geen
sluier; maar de gehuwde vrouwen hechten aan haar fez een met gouden
loovertjes geborduurden gazen sluier, meestal rood van kleur. De
voeten steken in rood marokijnen muiltjes met omgebogen punten. De
armenische vrouw vertoont zich hier nooit met ongesluierd gelaat in
het openbaar. Als zij uitgaat, wikkelt zij zich, even als de turksche
vrouwen, in een wijden mantel, die haar van het hoofd tot de voeten
omhult. Die mantel is vervaardigd van zeer fijne, doorschijnende witte
stof, omzoomd met donkerblauwe franje; de rijke onderkleeding blijft
onder die eigenaardige omhulling zeer goed zichtbaar.
De Nieuwjaarsdag is hier de feestdag bij uitnemendheid, die door de
aanhangers van alle belijdenissen, met inbegrip zelfs van de Tartaren,
om strijd wordt gevierd. Russische soldaten, mohammedaansche Georgiërs,
armenische kooplui, allen drinken op elkanders gezondheid, waarbij,
in broederlijke eendracht, de noodige glazen _wodka_ (brandewijn)
naar binnen worden geslagen. Doorgaans wacht men in de verschillende
societeiten het aanbreken van den eersten Januari af; ieder lid
betaalt voor dien avond eene zekere som, waarvoor hij het recht
heeft het souper bij te wonen en zijn deel te ontvangen van den
champagne en van het suikergoed, die met klokslag van twaalven worden
gepresenteerd. Daarna begint de dans, gevolgd door een souper, dat tot
den morgen duurt. Zoo zag ik, op den eersten dag van het jaar 1877, de
sneeuwtoppen der bergen door de eerste zonnestralen rood gekleurd. Maar
dit ligt buiten mijn bestek; ik hervat het verhaal van mijn uitstapje.