Als alle andere provinciën van Georgië, bezit ook Goerië een aantal
minerale bronnen , die echter door de inboorlingen veronachtzaamd
worden. Eene dezer bronnen, twintig wersten van Oezoergheti verwijderd,
nabij het dorp Sadjawasjy, zou ongetwijfeld den ondernemer, die haar
zou willen exploiteeren, rijk maken. Haar zwavelhoudend water heeft
reeds menige wonderbaarlijke genezing gewrocht; maar met uitzondering
van de lieden uit den omtrek, weet niemand daar iets van. Enkele
armzalige hutten en een ellendige doekhan vormen de geheele badplaats,
die toch midden in eene even bekoorlijke als gezonde streek is gelegen.
Eene andere merkwaardigheid van deze landstreek--waar stroomende
wateren en bloeiende vlakten, hooge bergen en weelderige valleien een
geheel vormen van zeldzame grootheid en rijke verscheidenheid,--is het
oude burchtslot Askana, de voormalige zomerresidentie der regeerende
vorsten. De indrukwekkende ruïne van het oude kasteel kroont eene
loodrechte rots, aan wier voet de rivier de Baknit-tskali kronkelt, en
van wier top men de geheele landstreek overziet. Het overschot van eene
kapel, twee met klimop begroeide torens, vijgeboomen, wilde wingerden,
heesters en bloemen--ziedaar wat van de vorstelijke residentie nog
over is. De plek wordt zeer zelden bezocht, zoo als blijkt uit het
dichte struikgewas, dat den toegang verspert en waardoor men zich
een weg moet banen.
Nog merkwaardiger zijn, op acht wersten afstands van Oezoergheti, de
overblijfselen van antieke steden, door den tegenwoordigen eigenaar van
het terrein ontdekt, toen hij opgravingen liet doen voor het leggen der
fondamenten van eene nieuwe woning. Voortgezette opgravingen brachten
twee steden aan het licht, die boven elkander waren gebouwd; de oudste
had steenen, de jongere houten huizen. Men vond achtereenvolgens
verschillende overblijfselen van monumenten, en nu onlangs heeft men
sporen ontdekt van een soort van amphitheater. Volgens de plaatselijke
overlevering zou deze stad meer dan duizend jaren oud en door de Joden
gesticht zijn; naar deze Joden--door de Georgiërs Oeria genoemd--zou
het land zelf, bij verbastering, Goerië zijn genoemd. Naar men zegt,
heette de stad eerst _Oeri-kalaki._ Beurtelings in het bezit der Perzen
en der Romeinen, ontving de stad later den naam van _Oedsjenar,_
vervolgens dien van _Petra,_ naar Petrus, een der generaals van
Keizer Justinianus, die in 532 de Perzen uit Lazistan verdreef en
het land onder de byzantijnsche heerschappij bracht. De gouverneur
van de nieuwe provincie liet toen op de puinhoopen der oude stad,
welke door de Perzen was verbrand, eene citadel bouwen, waarvan men
nog de overblijfselen ziet tusschen de Natanebi en de Skoerdebi,
en waaromheen langzamerhand eene nieuwe stad ontstond, die den naam
van Petra ontving.
Van deze tweede stad, die, naar het schijnt, een zeer belangrijken
handel dreef, is nog eene oude brug over, benevens waterleidingen,
romeinsche muren van buitengewone stevigheid, en eindelijk graven,
waarin men vrouwelijke toiletsieraden en andere voorwerpen gevonden
heeft. Van de schatten, welke, naar men beweert, hier in den grond
begraven zijn, is tot dusverre geen spoor ontdekt. De tegenwoordige
eigenaar van het terrein, die daar ook woont, heeft genoeg te doen
met het uitroeien der reusachtige boomen, die sedert eeuwen op dit
graf van twee steden zijn gegroeid. In alle landen, die tot den kring
der antieke beschaving hebben behoord, behoeft men doorgaans slechts
even den grond om te woelen om sporen van de oude kultuur te vinden;
maar in den Kaukasus is daartoe veel inspanning noodig, waartoe de
inlandsche bevolking, traag van aard, weinig lust gevoelt.
Toen ik te Oezoergheti vertoefde was het juist de vastentijd. Zoo als
men weet, zijn de voorschriften der grieksche kerk op dit punt zeer
streng en vorderen geheele onthouding van alle soort van uitspanning:
van tochtjes naar buiten, zelfs van het afleggen of ontvangen van
bezoeken was geen spraak. Het vlek was als uitgestorven. Daarentegen
was de kerk den geheelen dag vol. Ik had ruimschoots de gelegenheid,
om de schoonheid op te merken van de vrouwen des lands, wier gelaat
meer leven en uitdrukking heeft dan dat van de meeste andere vrouwen
uit Georgië. Maar even als haar zusters, ontbreekt het ook haar
ten eenemale aan zin voor orde en huishoudelijkheid. Haar meest
geliefkoosde uitspanning is het kaartspel. Ik ben getuige geweest van
eene partij, die volle veertien dagen duurde; men begon omstreeks zeven
uren in den morgen, hield tegen den middag op om te eten en hervatte
de partij om twee uur; om zes uur werd op nieuw gedurende eenige
oogenblikken opgehouden voor de thee, waarna de strijd weer begon,
met zoo veel ijver, dat het souper, hetwelk tegen tien uren gereed
werd gezet, soms om drie uren in den nacht nog onaangeroerd stond.
De geschiedenis van Goerië komt in de hoofdtrekken overeen met
die van Imerethië en van Mingrelië. Even als die provinciën, werd
de landstreek waarvan Oezoergheti de hoofdplaats was, tijdens de
verdeeling van het koninkrijk Georgië, bestuurd door een gouverneur;
en ook hier matigden de afstammelingen van dien koninklijken stadhouder
zich de souvereiniteitsrechten aan. De vorsten van Goerië behielden,
als familienaam den ouden titel van Goeriël. De eerst bekende vorst
des lands is Attabek, die in 1488 stierf en opgevolgd werd door zijn
zoon Giorgi. Dan volgt een lang tijdvak van innerlijke verdeeldheid en
beroeringen, waarin verschillende regeerende vorsten door pretendenten
werden verjaagd, verbannen, gedood; somwijlen geschiedde dit door hunne
eigene zonen, zooals met den opvolger van een anderen Giorgi gebeurde,
die in 1652 door zijn eigen zoon en erfgenaam werd vermoord. Kort
daarop in 1668 werden Demetrius, die over Goerië en Imerethië regeerde,
de oogen uitgestoken.
Dit is ook het tijdperk van de worsteling tegen de dreigende overmacht
van de Halve Maan. In 1689 sneuvelde de Goeriël Kaishrosrow in een
gevecht tegen de Turken, en weldra werd Goerië, in de handen der
ongeloovigen gevallen, eene provincie van het Turksche rijk. Meer dan
een eeuw lang droeg het land het harde juk; geplunderd en uitgezogen
door zijne beheerschers, gedwongen jaarlijks eene bepaalde schatting
aan slaven op te brengen, scheen Goerië ten ondergang gedoemd. In het
begin dezer eeuw stond het lang getergde volk eindelijk tegen zijne
verdrukkers op; in 1810 plaatste Goerië zich onder het protectoraat van
Rusland, maar behield voor het uiterlijk nog zijne onafhankelijkheid.
Toen de laatste Goeriël, Mamia, in 1829 stierf, met achterlating
van een minderjarigen zoon, werd de moeder van dit kind, de prinses
Sophia, tot regentes benoemd. Zij vatte het plan op, om zich aan
het russische oppergezag te onttrekken, en kwam op het ongelukkige
denkbeeld, daartoe de hulp van Turkije in te roepen. Om aan haar plan
uitvoering te geven, verliet zij Oezoergheti, om zich met haar zoon
naar Anatolië te begeven; maar de russische regeering, van de zaak
onderricht, bezette in hare afwezigheid het land en bestuurde het
aanvankelijk in naam van den minderjarigen vorst. Later werd Goerië
bij het rijk ingelijfd.
In de laatste eeuwen werd Goerië dus bijna aanhoudend geteisterd,
hetzij door binnenlandsche beroerten, hetzij door aanvallen van
buitenlandsche vijanden. Nog in den laatsten russisch-turkschen
oorlog (1876-77) moest het land zich verdedigen tegen de Turken,
die met een inval dreigden.
Oezoergheti gelijkt tegenwoordig vrij wel op een dier groote vlekken,
die in Europa door de mode zijn aangewezen, om daar den zomer door te
brengen. De huizen zijn ook hier omringd, wel niet door eigenlijke
tuinen--de horticultuur is hier nog onbekend--maar door velden met
mais, gerst, katoen of tabak beplant. Deze laatste kultuur, die door
de Turken is ingevoerd, heeft vooral eene groote uitbreiding gekregen
sedert de ziekte onder de zijdewormen is uitgebroken, waardoor de
zijdeweverij, welke voornamelijk door de vrouwen werd uitgeoefend,
te gronde is gericht. De vrouwen toch vervaardigden, zoo voor zich
zelven als voor de mannen, die fraaie zijden hemden, welke, naar oud
gebruik, met Paschen het eerst werden aangetrokken: hetgeen eigenlijk
beteekent, dat men hier eens in het jaar van ondergoed verwisselt. Laat
ons hopen dat, nu de katoen de plaats van de zijde heeft ingenomen,
de zindelijkheid bij die verandering mag hebben gewonnen.
De huizen van Oezoergheti zijn van hout gebouwd en hebben voor het
meerendeel maar eene verdieping. Met hunne rondloopende veranda
zien zij er zeer vriendelijk uit; terwijl de rustieke stijl in
volkomen harmonie is met het landschap. Dat betreft echter slechts
het uiterlijke: van binnen ontbreekt alle comfort. Op een afstand
gezien, maken deze pittoreske woningen een zeer aangenamen indruk;
maar de betoovering wijkt geheel, als ge binnentreedt. Het is
met deze huizen als met die inlandsche prinsessen, wier toilet, op
feestdagen en bij plechtige gelegenheden, uiterst kostbaar en keurig
is, maar wier nagels steeds in den rouw zijn. Het meubilair bestaat
onveranderlijk uit eenige houten banken met kostbare tapijten bekleed
en met kussens belegd. Als de nacht gekomen is, worden deze divans
als bedden gebruikt; hetzelfde vertrek dient beurtelings tot eetkamer,
tot salon en tot slaapkamer.
Naast die huizen in oosterschen stijl vormen twee gebouwen in
europeeschen trant een scherp contrast: het eene is een modern huis,
door een lid der voormalige regeerende familie bewoond; het andere is
een vervallen paleis, door den laatsten souverein van Goerië gebouwd,
en dat ten tijde der stichting--dat wil zeggen in het begin dezer
eeuw--voor een wonder gold. Nog nimmer had men in het land zoo iets
gezien; en men moet erkennen, dat het gebouw zelfs in Europa de
aandacht trekken zou. Het paleis, thans zeer vervallen, heeft drie
of vier verdiepingen; uit de talrijke vensters aan de vier zijden
heeft men een prachtig gezicht; maar aangezien de vroegere prinselijke
residentie thans een militair hospitaal is, heeft dat schoone uitzicht
voor de tegenwoordige bewoners minder waarde. De bijgebouwen, die
het hoofdgebouw omringen, hebben tegenwoordig eene geheele andere
bestemming dan de bouwmeester daaraan had toegedacht. Het badhuis dient
thans tot varkenshok; en de vroegere tuin, die het paleis omringde en
waarin verschillende zeldzame en vreemde planten werden aangetroffen,
is bijna eene wildernis. Er is sprake van, dien tuin tot eene publieke
wandelplaats in te richten.
Op het plein, tegenover het paleis, staan twee kerken: eene naar den
georgischen ritus, voor de inwoners der stad, de andere, naar den
russischen ritus, voor het garnizoen. Des zondags speelt de militaire
muziek op het plein; maar de inwoners, die zeer op hun gemak gesteld
zijn, komen daar niet naar luisteren; zij wandelen liever op de
veranda's hunner woningen. Uit de verte gezien, maken die wandelaars,
met hun smaakvolle tsjokha en hun bashlik, en vooral ook de dames,
met den georgischen sluier en hoofdband, eene zeer schilderachtige
vertooning. Als het mooi weer is, dient de veranda tot woonvertrek,
waar men zijn tijd doorbrengt, waar men eet, en dikwijls zelfs slaapt.
Oezoergheti, hoewel stil en rustig, is toch vrij sterk bevolkt. De
bazar beslaat eene oppervlakte van meer dan een werst; uit den aard
der zaak vindt men daar het middelpunt van het leven en verkeer. Deze
bazar, ter wederzijde door houten kramen omzoomd, is eigenlijk geene
straat, maar veelmeer een landweg, waarlangs aan beide zijden slooten
loopen. Langs de winkels loopt een planken voetpad, dat een paar voet
boven den beganen grond verheven is; over de beken of slooten zijn
boomstammen gelegd, die naar de verschillende kramen of winkels voeren;
onder uwe voeten zwemmen en kwaken de eenden. Dit is trouwens niets
vreemds, want ook de andere straten wemelen van allerlei gedierte.
Een der straten of lanen van den bazar is bestemd voor de handelaars
in kruidenierswaren, eene andere wordt ingenomen door kooplui in
tapijten, geweven stoffen en dergelijke zaken. Deze kooplieden zijn
voor het meerendeel Armeniërs, Mingreliërs of Turken; men vindt onder
hen zeer weinig Russen. De kleermakers, schoenmakers, wapensmeden,
blikslagers, hebben allen hunne aangewezen plaats, en allen oefenen
in hun kraampje of winkeltje, ten aanschouwe van het publiek, hun
ambacht uit. Wanneer men let op de hoogst eenvoudige werktuigen en
gereedschappen, waarvan deze ambachtslieden zich bedienen, dan kan
men moeielijk begrijpen, hoe zij zulk fijn en artistiek werk kunnen
leveren, als inderdaad uit hunne handen komt.
De kleederdracht der mannen in Goerië heeft eenige overeenkomst met de
turksche. In plaats van de lange jas, die in Imerethië en Mingrelië in
zwang is, draagt men een kort buis, een vest, een veelkleurige zijden
sjerp bij wijze van gordel, en daarover heen een lederen met goud en
zilver geborduurden gordel, waaraan de wapenen en andere voorwerpen
worden vastgemaakt. Een nauwsluitende broek en een bashlik voltooien
het kostuum. De vrouwen kleeden zich daarentegen naar de europeesche
mode, maar zonder eenigen smaak; de sluier, waarmede zij zich het
hoofd en de schouders omhullen, is het eenige werkelijk bevallige
en gracieuse kleedingstuk van haar toilet. Zij die zich bijzonder
onderscheiden willen, drijven den gruwel zoo ver, dat zij zich het
hoofd dekken met een der onzinnigen hoeden, die de ongerijmde mode
voor onze dames heeft uitgevonden.